Cultuur & lichaam

boek vrijdag 18 juni 2010

Paul Voestermans en Theo Verheggen

In hun breed uitgesponnen verhandeling over de ontstaansgeschiedenis van de huidige dominante westerse cultuur concluderen de cultuurpsychologen Paul Voestermans en Theo Verheggen dat voor een ‘evenwichtige dienstbaarheid’ tussen groepstoebehoren en individuele autonomie, een precaire balans van cruciaal belang is waarbij dient te worden gestreefd naar een zo groot mogelijke individuele vrijheid. Cultuur & lichaam is op te vatten als een groot pleidooi voor de radicale Verlichting van Spinoza waarbij de mens probeert verstand en gevoel te cultiveren en te richten op het goede, zonder een beroep te doen op autoriteit en dogma, met name van religie. Jonathan Israel schreef een zeer gedetailleerd overzichtswerk Radical Enlightenment: Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750 waarin Spinoza een belangrijke rol speelt.

Verheggen en Voestermans pleiten zodoende voor het belang van individuele vrijheid en zij staan dan ook positief tegenover samenlevingen die individuele vrijheid waarborgen en koesteren. Anderzijds staan zij kritisch tegenover samenlevingen waarin de vrijheid van het individu beknot wordt. Toch ontwaren Verheggen en Voestermans een ernstig tekort in de moderne westerse samenlevingen waarin het individuele vrijheidsbegrip wordt gecultiveerd, en dat is de veronachtzaming van het lichaam en lichaamspraktijken. Zij wijten deze tendens in de westerse cultuur aan de door Descartes ingevoerde dichotomie tussen lichaam en geest en een absoluut primaat van de geest. De gematigde Verlichting, waarin religie niet geheel afgezworen werd en die de radicale Verlichting domineerde, koos het pad van Descartes, omdat ook in het christendom het lichaam slechts gezien werd als een tijdelijk huis (of, sterker nog, een kerker) voor de ziel.

Cultuur & lichaam is een moeilijk te plaatsen boek. Het is ten eerste een handboek in de cultuurpsychologie, ten tweede is het een analyse en diagnose van de moderne cultuur en zodoende als een cultuurpsychologische studie op te vatten, inclusief aanbevelingen, en ten derde is het een ‘omgevallen boekenkast’, in positieve zin, omdat er een keur van boeiende feiten, observaties, theorieën, personen door de tekst heen paraderen. In die laatste zin van een potpourri van cultuurkennis doet het boek denken aan Andre Klukhuhn’s cultuurhistorische werk De geschiedenis van het denken. Het bibliografische essay achter in het boek is een uitstekende wegwijzer naar tal van verschillende gebieden. Deze drie dimensies maken het boek een uitstekend en inspirerend studiehandboek, niet alleen voor cultuurpsychologie, maar voor sociale wetenschappen in het algemeen. Het boek geeft stof tot (zelf)reflectie. De grote mate van reflectie en het innemen van een meta-perspectief (het reflecteren over de cultuurpsychologie) geeft een boek ook een filosofische dimensie.

Het boek heeft een duidelijke structuur, maar het is ook veelomvattend en misschien wijdlopig en die wijdlopigheid zou potentiële geïnteresseerden, zeker studenten die een fysieke leesantipathie hebben, kunnen afschrikken. En dat is jammer. Er staan een klein aantal afbeeldingen in het boek. Als studiehandboek zou meer beeldmateriaal – zoals in Amerikaanse handboeken – de tekst kunnen ondersteunen. Eén afbeelding in het boek is buitengewoon fascinerend omdat het een afbeelding is van een type dat ik nog nergens anders ben tegengekomen. Bij de afbeelding staat: ‘Het openbare leven kreeg wereldwijd moderne trekken, wat te zien was aan de verspreiding van de Europese mode.’ De afbeelding toont het ‘Portrait of Jean-Baptiste Belley (d. 1804) Deputy of San Domingo’ uit 1797 door Angelus Girodet de Roucy-Trioson. Het frappante van dit portret is dat het gaat om een zwarte man die is uitgedost in het tenue en pose van de Franse upperclass.

Het boek bestaat uit drie delen. In deel één wordt uitgelegd wat cultuurpsychologie is en waarom het van belang is. Deel twee is van een totaal andere inslag: beschavingsgeschiedenis. Hierin wordt met name de Radicale Verlichting uitgelegd en de invloed daarvan op samenlevingen en het wereldbeeld. Het laatste deel, deel drie, behandelt vijf domeinen van cultuur waarin de ideeën van de Radicale Verlichting contrasteren met religieuze als ook gematigde Verlichtingstradities. De vijf domeinen zijn: (1) vreemd tegenover eigen; (2) mannen en vrouwen; (3) hoog tegenover laag; (4) jongeren tegenover volwassenen; (5) gelovig versus ongelovig

Ik licht één domein uit: ‘Mannen en vrouwen. De culturele vormgeving aan seks en gender.’ Daarin lezen we het volgende: ‘Tellen we alles bij elkaar op dan wordt ongeveer de helft van de bewoners van deze aarde in een ondergeschikte positie gehouden, ook al kan iedereen tegelijkertijd vertellen dat de dingen zonder vrouwen nergens goed verlopen.’ De auteurs geven aan dat er weliswaar in de westerse wereld emancipatiebewegingen zijn geweest en dat er verbetering is, maar dat er nog steeds geen gelijkheid tussen de seksen bestaat. ‘Mannen zijn nog steeds bepalend voor de vormgeving aan seks’, en ‘Vrouwen doen dat soort dingen doorgaans niet: ze verkopen geen mannen, dwingen hen niet tot prostitutie, bekijken veel minder porno en vergrijpen zich nauwelijks aan jonge kinderen.’ Verder redenerend op deze lijn: het zijn de mannen die doorgaans het meest crimineel en agressief gedrag vertonen. Jongemannen hebben meer risico op een auto-ongeluk dan vrouwen. In de gevangenissen zitten veel meer mannen. Vandalisme, diefstal, roofovervallen, ‘poten’ rammen, verkrachtingen, huiselijk geweld, allemaal zijn het grotendeels mannen die de problemen veroorzaken. Een grootschalige feminisering van de cultuur zou dan een oplossing kunnen zijn voor de problemen. Maar hoe? Dan werpt zich echter het probleem van de haviken en duiven weer op. Als haviken mannen zijn en vrouwen duiven, en als de meerderheid van de mannen ook duivengedrag gaat vertonen, dan zijn de mannen die haviken blijven enorm in het voordeel. De samenleving moet dan zo georganiseerd worden dat de duiven kunnen vertrouwen op de overheidsbescherming tegen de haviken.

De auteurs besteden veel aandacht aan de omgang tussen de seksen en met name seksualiteit. Zij bepleiten een ars erotica: ‘Wat telt is de inspanning rond de vormgeving. Het ritueel doet een beroep op het sensorium van de deelnemers of beoefenaren. Dat sensorium omvat proeven, ruiken, tasten, horen en kijken, maar ook de verfijning van deze zintuiglijke waarnemingen samen met anderen.’ Wellicht dat oosterse technieken als Tantra en Qigong kunnen bijdragen aan het verfijnen en stileren van seks. ‘Wat nu onwillekeurig lijkt, zoals het orgasme, kan onder de regie van de wil geplaatst worden en zich wat de sensatie betreft uitbreiden over heel het lichaam in alle spieren, wat het solitaire oefenvrijen en het onderling vrijen wel zo prettig maakt.’ Sensorium is het sleutelwoord van het boek. Met sensorium bedoelen de auteurs zintuiglijkheid (volgens Van Dale betekent het preciezer het ‘deel van de hersenen waarin zintuiglijke prikkels doordringen’). Wat jammer is dat weliswaar het belang van het sensorium voor het menselijk welbevinden wordt aangestipt en ook worden enkele voorbeelden gegeven, maar het blijft bij een summiere schets. Juist het onderwerp van hoe het sensorium zo goed mogelijk geprikkeld kan worden en welke praktijken daaraan kunnen bijdragen, wordt helaas niet diep uitgewerkt.

Dit idee van het ontplooien van de mogelijkheden van het sensorium biedt mogelijkheden voor het zoeken, ontdekken van een hedonistische levenskunst. Het is enigszins verwonderlijk dat de term ‘hedonisme’ in het boek niet voorkomt. De auteurs betogen dat wetenschap de laatste twee eeuwen op vele terreinen is toegepast, maar dat (sociaal/cultureel-psychologische) kennis nog nauwelijks is toegepast. In die zin staan de auteurs in de traditie van het Verlichtingsdenken, namelijk het door middel van het toepassen van wetenschappelijke kennis proberen het goede leven (door Voestermans en Verheggen geïnterpreteerd als het zo volledig mogelijk prikkelen van het sensorium) te bewerkstelligen. Zij concluderen dan ook in de slotzin van hun boek: ‘Op deze twee bakens – rigoureuze toepassing van wetenschap en het bestuderen van gedragspatronen die mensen met elkaar vormgeven en in stand houden – mag wat ons betreft de koers van de beschaving worden vastgezet.’ En zo eindigen zij met niet minder dan het uitzetten van de bakens voor de voortgang van de toekomst.

Het boek is zodoende niet alleen en analytische verhandeling over de cultuurpsychologie, maar heeft veel en veel grotere ambities. Het hedonistische utopisch perspectief dat wordt geschetst is lonkend en optimistisch. Te optimistisch vrees ik. Als de koers van de toekomst niet tussen de bakens van Voestermans en Verheggen door zal lopen, dan is het in ieder geval iets om naar te streven.


Recensie door Floris van den Berg

De recensent is filosoof en auteur van enkele boeken.

Voestermans Paul en Verheggen Theo, Cultuur & lichaam. Cultuurpsychologisch perspectief op patronen in gedrag, Blackwell Publishing/Open Universiteit Nederland, Oxford, 2007, 340 pp.

Paul Voestermans en Theo Verheggen

Links
mailto:florisvandenberg@dds.nl
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be