Daders

boek vrijdag 04 juni 2010

Harald Welzer

Een van de vele onbeantwoorde vragen rond de Holocaust is de volgende: hoe konden zoveel mensen zich tot massamoordenaars en criminelen ontpoppen? Het merendeel leed niet aan een psychopathologische storing. De meeste van hen waren vriendelijke huisvaders en doorsneeburgers – heel normale mensen. Toch bleken ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in staat dingen te doen waarvan ze in andere tijden en onder andere omstandigheden zouden gruwen. In zijn boek Daders onderzoekt Harald Welzer de omstandigheden en voorwaarden waaronder gewone mensen genocide kunnen plegen, tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook in Rwanda en Bosnië. Volgens de auteur kan de bereidwilligheid om te doden aangeleerd worden. Het denken in abstracte begrippen als ‘de vijand’, ‘het jodendom’ of ‘de moslims’ speelt daarbij een cruciale rol. Het is een van de belangrijkste lessen die dit boek ons leert. Harald Welzer laat echter ook zien dat niet iedereen zich daardoor laat beïnvloeden maar relativeert dit onmiddellijk door erop te wijzen dat de overgrote meerderheid van de SS’ers, zowel leiders als manschappen, perfect zouden geslaagd zijn voor de tests om te kunnen toetreden tot het Amerikaanse leger of de politie van Kansas.

Net die laatste vaststelling moet ons verontrusten en brengt de potentiële moorddadigheid van de mens zo akelig dichterbij. Met zijn boek doorkruist Welzer tal van mogelijke excuses. De moordenaars van de SS waren geen gekken, maar denkende mensen die hun gruwelijkheden alleen konden begaan omdat ze moreel niet geremd werden en omdat hun medeburgers deze handelingen voor normaal en acceptabel hielden. Die ‘normaliteit’ werd ook niet in vraag gesteld door morele autoriteiten, filosofen, wetenschappers en kerkleiders – die zich wel verzetten tegen euthanasie, maar tegelijk de wapens zegenden in de strijd tegen het goddeloze bolsjewisme. Het is in die context dat massamoordenaars zoals Franz Stangl, de commandant van Treblinka, zich niet moreel verontrust voelde over zijn ‘werk’, de uitroeiing van massa’s joden. Meer nog, hij beschouwde zijn optreden juist als een voor de natie noodzakelijke handeling. En andere moordenaars wezen later op bepaalde menselijke handelingen die ze tijdens het moorden aan de dag legden, zoals een lid van de Einzatsgrüppe die stelde dat hij alleen kinderen doodschoot omdat zijn buurman de moeders doodschoot. Zijn visie was dat die kinderen zonder moeder toch maar een ellendig leven zouden leiden, dus zag hij het als een morele daad om de kinderen ‘uit hun lijden te verlossen’. Moordenaars wilden op die manier ‘zin geven’ aan hun gedrag. Het leidt tot de controversiële stelling van de auteur dat zonder moraal de massamoord niet had kunnen plaatsvinden.

Onthutsend is alvast de snelheid waarmee vanaf 1933 de morele fundamenten in Duitsland in elkaar stuikten. Door een lawine aan verordeningen en wetten van de nazi’s, waarbij joden hun rechten werden ondernomen, groeide heel vlug een tweedeling in de samenleving. Tal van Duitsers waren opgelucht dat zij geen joodse voorouders hadden en elke nieuwe verordening bevestigde hun ‘anders’ zijn. Intussen gebeurde hetzelfde bij de joden. Bij elke nieuwe regel en wet voelden ze zich meer ‘uitgesloten’. Voor Welzer is die uitsluiting van burgers om geen deel meer uit te maken van het ‘universum van algemene gebondenheid’ waartoe de meerderheid nog steeds behoorde, de hoofdvoorwaarde voor genocidale processen. Eerst ging het om beroepsverboden voor joden, het oproepen om niet langer te kopen in joodse winkels, het verbod voor joodse boksers om hun sport uit te oefenen, het verbod voor joden om nog langer de tram te nemen of plaats te nemen op een bank in het park, tot spontane maatregelen van voorzitters van verenigingen die joden niet langer toelieten als lid. Finaal keerden de nazi’s het morele verbod tot doden om tot een morele verplichting om te doden.

Het boek bevat gedetailleerde en gruwelijke beschrijvingen van moordpartijen die werden begaan in de veroverde gebieden na de inval in Rusland. Vier Einzatsgruppen volgden in het spoor van het reguliere leger en werden voor het vermoorden van joden geholpen door lokale vrijwilligers. Verschillende leiders van die commando’s hadden een doctorstitel en de soldaten en agenten waren gewone mannen die de keuze hadden om mee te doen aan de schietpartijen of niet. Slechts enkelen besloten om niet deel te nemen. Even merkwaardig is de beschrijving door de auteur hoeveel gewone bewoners ondanks verbodsbepalingen naar de executies kwamen kijken vanuit een bizarre vorm van nieuwsgierigheid, zeg maar necrofilie. De executies zelf gebeurden helemaal niet chaotisch, maar volgens een strikte logica en een onvoorstelbare efficiëntie waarbij het de daders ontbrak aan elk inlevingsvermogen met de slachtoffers. Dat was ook wat Himmler voor ogen had toen hij zijn officieren toesprak en stelde dat ze een heel belangrijke opdracht uitvoerden, helemaal niet aangenaam, maar nodig en vooral dat ze dit ‘probleem’ op een ‘fatsoenlijke’ manier moesten aanpakken. Moorden, maar wel op een ‘fatsoenlijke’ manier, waarbij ze zich moesten onthouden van zelfverrijking.

Een van de meest gruwelijke beschrijvingen in het boek is de moord op exact 33.771 joden van Kiev in het ravijn van Babi Jar. De nazi’s dreven kleine groepen joden naar de bodem van de ravijn, waar ze één voor één door het hoofd werden doodgeschoten. Onvoorstelbaar is hoe methodisch de moordenaars te werk gingen. Ze lieten de slachtoffers over de lijken stappen, bevalen hen om op de doden te liggen en werden dan afgeschoten. Toen hun wapens gloedwarm werden, kregen ze van andere SS-ers nieuwe geweren aangereikt. Na uren moorden klommen de moordenaars uit de put en begaven ze zich naar de keukenwagen om er te eten en vooral alcohol te drinken, terwijl hun collega’s verder gingen met doodschieten. Dat de daders toch een morele grens bereikten, bleek uit een voorval bij een kinderexecutie in Belaja-Zerkov, in totaal negentig kinderen van nul tot zes jaar. Wie moest ze vermoorden? Uiteindelijk beslisten de Duitsers dit smerige werk over te laten aan een Oekraïense militie. Het maakte hen echter niet minder verantwoordelijk, in feite waren ze opdrachtgevers van een vreselijke misdaad. Na enkele maanden werd het moorden voor de daders een normale zaak, een praktijk die inging tegen elke morele norm maar die ze toen als juist en doelmatig beschouwden.

Ondanks de Neurenbergse processen en de afkondiging van de universele mensenrechten bleven mensen na de Tweede Wereldoorlog zich bezondigen aan soortgelijke praktijken. Zoals bij de massamoord in het Vietnamese My Lai in 1968 waarbij meer dan 500 mannen, vrouwen en kinderen werden afgeslacht. Mensen die ongewapend en weerloos waren maar in de ogen van de Amerikaanse soldaten als minderwaardig werden beschouwd. ‘Elke Vietnamees kon een Vietcong zijn’, zo schrijft Welzer. Dat is ook vandaag het geval in Irak. Net als in Vietnam lijken de Amerikaanse troepen daar elke inwoner te beschouwen als een potentiële vijand die moet worden uitgeroeid. Het gevolg is dat dagelijks mensen sneuvelen, zowel Amerikanen als Iraki’s. Een ander gruwelijk voorbeeld is de genocide in Rwanda waarbij Hutu’s en Tutsi’s elkaar naar het leven stonden in de veronderstelling dat de andere groep uit was op hun volledige vernietiging. In tegenstelling tot wat velen denken was dit geen uit de hand gelopen gevolg van spontane spanningen, maar ‘een geplande, administratief georganiseerde en hoogst efficiënte massamoord’ met vooraf opgestelde lijsten en een radicale opzweping door de pers. Ook hier wijst de auteur op het feit dat de moordenaars hun moorden beschouwden als een normaliteit. ‘Ze doodden, hielden meestal een middagpauze en gingen ’s middags verder met het werk.’ En dat niet met hoogtechnologische wapens, maar met machetes waarmee ze inhakten op hun slachtoffers. En de auteur besluit met de moorden in ex-Joegoslavië die evenzeer gruwelijk en onbegrijpelijk waren;

‘Het sociale lidmaatschap verschuift door radicaal te herdefiniëren wie bij het universum van algemene verbondenheid behoort en wie niet’, zo schrijft Welzer. Net deze splitsing tussen leden en niet-leden vormt de grondslag voor elk genocidair gedrag. In die zin stelt de auteur dat men niet kan beweren dat het Duitse volk misleid is geworden. Velen zagen hun kans schoon om via de anti-joodse maatregelen een voordeliger positie te bekomen dan wat ze onder andere omstandigheden hadden bereikt. In die zin was de uitsluiting en beroving van de niet-leden (de joden) voor velen een aangename gedachte. De eerste maatregelen waren nog schijnbaar onschuldig, maar voerden quasi ongemerkt – maar logisch – tot een politiek van verwijdering en vernietiging. Toen het moorden eenmaal begon, creëerden de daders een afstand met de slachtoffers en lieten ze het vuile werk over aan anderen. Net dat bewijst dat zelfs de grootste moordenaars beseften dat ze iets onacceptabel deden.

Het boek van Welzer is overweldigend. Het toont aan dat afkeer voor moord op anderen kan wegvallen als men overtuigd geraakt van het anderszijn van anderen. In die zin is het ook een waarschuwing tegen extreemrechts dat onophoudend aanstuurt op een tweedeling tussen wij en zij. Als mensen echt gaan geloven dat ze uitverkoren zijn, en anderen minderwaardig vinden, dan zijn de meest gruwelijke zaken mogelijk. Net daarom is het de plicht van elke democraat om te zoeken naar elementen die mensen – hoezeer ze ook van mening verschillen – elkaar verbinden. Die elementen zijn vriendschap, liefde en gewoon menszijn. Als we dat niet zoeken en vinden vervallen we in barbarij en zijn moorden zoals in de ravijn van Babi Jar of in het dorp My Lai opnieuw mogelijk. En dan zullen opnieuw wetenschappers opstaan die zullen onderzoeken hoe daders daartoe in staat zijn. Dit boek is een waarschuwing.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Harald Welzer, Daders, Anthos, 2006

Harald Welzer

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be