Toen Hitler op 23 maart 1933 in de Kroll-opera volmachten vroeg aan de Reichstag om voortaan zonder parlementaire controle te kunnen beslissen sprak Otto Wels, leider van de socialistische SPD: “Wir sind wehrlos aber nicht ehrlos”. Het was de enige partij die verzet bood tegen deze machtsgreep die zou uitmonden in een volkenmoord zonder voorgaande. “Hier hing de dood langs alle kanten en nu groeit er gras. Er groeide toen geen gras, alleen maar modder. Hier was de dood aan alle kanten. Hier lagen de doden rond gelijk vuilnis op een vuilnisbelt.”, aldus Emile Vos die in een concentratiekamp belandde. Zo’n 60 jaar later liet Lucas Vander Taelen een aantal overlevenden van de Holocaust aan het woord in de pakkende tv-documentaire De Laatste Getuigen. Zij beschreven een gruwel die zo groot is dat het onwaarschijnlijk kan lijken voor een slecht geïnformeerd of bevooroordeeld publiek. Daarom is het relaas van de ooggetuigen zo belangrijk. Recent verscheen ook een boek bij de serie. Dirk Verhofstadt kadert deze getuigenissen in hun historische context die hij met een klinische feitelijkheid beschrijft. Net dat maakt het zo aangrijpend want waar elke menselijkheid is verdwenen, is uitleg misplaatst. “Slagen en stampen met een brutaliteit die ge eigenlijk moeilijk kunt uitdrukken. Dat waren Ubermenschen en dat waren zij alleen die dat waren… Gij waart niks meer, ge had geen naam meer en het is daar in Sachsenhausen dat ge een nummer kreeg en voor de rest bestond ge niet meer…”, zegt Charles Brusselairs, een andere overlevende in de serie. De nazi’s creëerden het waanbeeld van een ‘gezuiverde wereld’ waarin het kwade (de Joden) geen rol meer zou spelen. Om raciale zuiverheid te bekomen zouden ze zich ook ontdoen van ander Lebensunwertes Leben, zoals mensen met een mentale en fysieke handicap. Voor hen voorzag het ‘T4 programma’ vanaf 1939 een ‘speciale behandeling’: de zogenaamde ‘genadedood’. Dat deze praktijken bij heel wat Duitsers en ver daarbuiten bekend waren blijkt onder meer uit een dagboekaantekening van de Duitse schrijver Thomas Mann die in de VS leefde en op 9 maart 1941 schreef: “De Duitsers in Polen. Massale castraties. Het doden van vele duizenden geesteszieken in Duitsland.” In hun streven naar een ‘zuivere natie’ met een superieure Arische bevolking meenden ze dat ze iedere mens naar hun hand konden zetten door hem en haar medeplichtig te maken aan hun politiek. In een filosofische bedenking verwijst Dirk Verhofstadt naar de Duitse Verlichtingsdenker Immanuel Kant die in de 19de eeuw al stelde dat de mens geen middel is, maar een doel op zich. De waarheid van de intentie ligt slechts in de handeling zelf. Daarmee wijst de auteur op het grote gevaar van de totaliserende utopie die het nazisme was. Maar ook op de dodelijke onverschilligheid die talloze mensen betoonden in het Derde Rijk. In vele publiekslezingen en debatten roept Verhofstadt mensen op om kritisch na te denken, zichzelf te bevrijden van elke vorm van onderdrukking en actief te reageren tegen de onderdrukking van anderen. Vandaar ook dit boek. Omdat niemand zou vergeten wat er ooit gebeurd is, om vooral jongeren duidelijk te maken tot wat discriminatie en racisme kunnen leiden, en om de uitspraken van de laatste getuigen te beweren voor de eeuwigheid. “Tien dagen marcheren in de sneeuw. Eén enkele keer heeft men nog eens brood uitgedeeld in een veld. Dan hebben we de nacht doorgebracht in een veld. Slapen in de sneeuw. Die SS-mannen die er bij waren, als die een gevangene zagen vallen, dan gingen die daar naartoe, schudden eens met hun voet daartegen als om te zeggen: ‘komt gij nu nog recht?’ en dan werd die afgeschoten… met één schot… die bleven langs de kant van de weg liggen”, zo getuigt Tobias Schiff, een andere overlevende van de kampen. “Dat gebeurde ook in de dorpen. De SS stoorde zich er niet aan dat dit ook gebeurde onder de ogen van de burgerbevolking… Want wij trokken daar voorbij zoals een kermiskoers.” De nazi’s slaagden erin om een groot deel van de bevolking in te schakelen in hun apparaat. De burgers steunden het regime zolang hun materiële welvaart er op vooruit ging. Ze negeerden de wreedheden. Dat heel wat Duitsers voor en tijdens de oorlog nochtans op de hoogte waren van de gruweldaden van de nazi’s tegen politieke tegenstanders, Jehova’s getuigen, zigeuners en Joden blijkt ook uit de informatie die de verzetsgroep Die weisse Rose, met onder andere Hans en Sofie Scholl, via illegale pamfletten over het land konden verspreiden. Die werden niet alleen aan de universiteit van München verspreid maar ook in steden als Ulm, Frankfurt, Stuttgart, Wenen, Freiburg, Saarbrücken, Mannheim en Karlsruhe. Er kwamen zelfs exemplaren in Engeland terecht. Neem het tweede pamflet van eind 1942: “Enkel als voorbeeld willen wij stellen dat sinds de verovering van Polen driehonderdduizend Joden werden vermoord op de meest beestachtige wijze. Hier zien wij de verschrikkelijkste misdaad tegen de menselijke waardigheid, een misdaad die nog nooit eerder werd geëvenaard in de geschiedenis. Ook Joden zijn immers mensen.” En het derde pamflet: “Is jullie geest al zo verkracht dat jullie vergeten dat het niet alleen jullie recht maar ook jullie morele plicht is om dit systeem omver te werpen?” Hun laatste actie hielden ze op 18 februari 1943 toen ze pamfletten vanaf de tweede verdieping in Münchense universiteitshal naar beneden gooiden. Hans en Sophie Scholl werden herkend door de huismeester en NSDAP-lid Jakob Schmidt en opgepakt door de politie. Vier dagen later werden ze op de binnenplaats van de Stadheimelgevangenis in München geguillotineerd. Sofie was 21, Hans 23. Ondertussen bleef men mensen deporteren naar de concentratiekampen. “Prikkeldraad met betonnen peilers, die hangen zo een beetje schuin en binnen zie ik mensen rondlopen, met strepen, wit en blauw… Het was zo enorm groot… hoe groot kan zo iets zijn… een hele stad… een indruk van het onbekende… het afschrikwekkende…”, getuigt Shiff. “Uit de schoorstenen steeg zwarte rook op. En boven de zwarte rook zag je oranje vlammen oplaaien. ‘Zie je dat?’ vroeg ze. ‘Ja’ zei ik. ‘die zijn bij het hemelvaartcommando”, zegt overlevende Fanny Birkenwald. “Tijdens de drie zomermaanden van 1944 heeft men hier bijna 400’000 Hongaarse joden omgebracht. Er was meer dan één transport per dag. De ene trein na de andere”, aldus Antony Stanczyk, gids in Auschwitz-Birkenau. “De treinen… beestenwagens. Deur open, binnen lag stro, er was een beetje water, een emmer water. Men kreeg een half Frans brood en dan die deur dicht. Drie dagen. Dat beetje water was dezelfde dag op, een uur of twee later. De kinderen huilden. De trein zat bomvol. Er was geen plaats om te zitten of te staan”, zegt Schiff. “Op een dag liep een trein binnen. De trein stopte. We hoorden niets. Gewoonlijk hoorden we in de wagons geroezemoes. Bijna 2’000 mensen. Allemaal naakt. En allemaal dood. In de laatste wagen zat een klein meisje. Misschien drie jaar. Ze leefde nog. We toonden haar aan de SS-ers. We moesten haar op de vrachtwagen gooien. Twee gevangenen gooiden haar op de vrachtwagen. Een SS-er schoot haar dood met zijn geweer”, getuigt Samuel Hejblum die lid was van een Sondercommando, maar het overleefde. Ook België was niet onschuldig. Ook hier bestonden antisemitische ressentimenten, waarbij angst en onmacht geprojecteerd werden op de Joden. Emoties die niet enkel terug te vinden waren bij extreemrechtse bewegingen en partijen zoals het VNV Rex, het Verdinaso en De Vlag, maar ook in brede katholieke kringen. Het resultaat was dat mogelijke tegenkrachten, zoals de kerk en de overheden, wegkeken en weinig of niets deden om de dodelijke onverschilligheid te doorbreken toen de maatregelen van de bezetter van kracht werden. Sterker nog: de bestuurlijke samenwerking met de nazibezetter die bij wet was opgelegd, werd op maximale wijze geïnterpreteerd. Zo besliste het centrale Belgische bestuur en de top van de gerechtelijke macht in oktober en november 1940 om op vraag van de bezetter de Joodse bevolking door de lokale besturen te laten registreren. Zo ontstond het beruchte Jodenregister. Op 8 mei 1942 verscheen de Duitse verordening op verplichte arbeid voor Joden. Op 27 mei 1942 moesten de Joden ook bij ons de gele Jodenster dragen. In Brussel en andere steden weigerden de overheden daaraan mee te werken maar in Groot-Antwerpen gebeurde dat wel en hield de politie op eigen initiatief zelfs een razzia waarbij meer dan 1.200 Joden werden opgepakt en overgedragen aan de Duitse autoriteiten. De Belgische regering in London heeft deze houding van de leidende ambtenaren en magistraten nooit afgekeurd of bijgestuurd. Op 4 augustus 1942 vertrok het eerste transport uit de Mechelse Dossinkazerne naar Auschwitz. Op 29 december 1942 sprak de socialistische volksvertegenwoordiger Isabelle Blume over de BBC vanuit Londen onomwonden over de ‘vernietiging van de Joden’. Uiteindelijk zouden er 26 transporten van Joden en één transport met zigeuners vertrekken vanuit de Mechelse Dossinkazerne met in totaal 24.908 Joden en 351 zigeuners waarvan maar 1.248 de gruwel overleefden. Kardinaal Van Roey protesteerde wel tegen de inbeslagname van de kerkklokken, maar een soortgelijke aanklacht tegen de deportatie van de Joden kwam er niet. Wel veroordeelde hij de bombardementen van de geallieerden en de aanslagen van het verzet. Dat op een ogenblik dat veel verzetsmensen in het fort van Breendonk door Duitse en Vlaamse SS’ers gefolterd werden. In totaal overleefden meer dan 16.000 verzetsstrijders en politieke gevangenen de oorlog niet. De overblijvers sterven in hoog tempo. Elke week staat er wel een overlijdensbericht in de krant. Daar blijf het bij. Over hen staan geen grote verhalen in de kranten. “Het kan toch niet dat we veel van die mensen eenzaam en alleen laten sterven zoals nu gebeurt. We vergeten onze helden.”, aldus Ward Adriaens, de conservator van Kazerne Dossin en auteur van boeken over het verzet. “In Groot-Brittannië toont men meer respect, als daar een oud-strijder sterft komt er een delegatie van het British Legion langs. Ze komen een lied zingen, dragen een gedicht voor… Hier kijkt men al raar als iemand een Belgische vlag uithangt.” Dit boek is een eerbetoon aan alle mensen die wel zijn blijven nadenken en streden voor de vrijheid. Tegen de onverschillige massa in en vaak ten koste van eigen leven. “We moeten partij kiezen. Neutraliteit is in het voordeel van de onderdrukker, nooit in het voordeel van het slachtoffer. Stilte moedigt de beul aan, nooit de gefolterde”, zo citeert Verhofstadt Elie Wiesel. Met het wegvallen van de laatste directe getuigen van deze monsterlijke gebeurtenissen bestaat evenwel het gevaar dat ook de herinnering aan wat er in de concentratiekampen heeft plaatsgevonden, verdampt. “De kracht van het vergeten is één van de gevaarlijkste tendensen van onze tijd”, aldus Verhofstadt. “Vergeten helpt ons geen stap vooruit. Vergeven is echter een hoogstaande eigenschap die morele afkeer combineert met het intomen van wraak, waardoor de spiraal van geweld wordt doorbroken en mensen elkaar opnieuw verstaan. Om te kunnen vergeven moet men zich evenwel de feiten herinneren.” Het boek De Laatste Getuigen is een noodzaak om het onvoorstelbare drama dat zich afspeelde tijdens de Tweede Wereldoorlog te bevatten. Bij het boek zit ook een gratis DVD met de vijf afleveringen van de indrukwekkende tv-documentaire van Luckas Vander Taelen. Deze documentaire is alvast de meest aangrijpende die in ons land ooit werd gemaakt over de concentratiekampen.
Luckas Vander Taelen & Dirk Verhofstadt, De Laatste Getuigen, Houtekiet, 2011, 19,95 euro met gratis DVD. Linksmailto:jelmen@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|