Leven we in een meer gewelddadige tijd dan voorheen? Door de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten, Madrid en Londen, de gruweldaden in Oost Congo en Somalië, en het schijnbaar eindeloze conflict in het Midden-Oosten hebben we inderdaad dat gevoel. Maar dat was zeker ook het geval in de twintigste eeuw met de twee wereldoorlogen, de conflicten in Korea, Vietnam, Cambodja, Rwanda en in de voormalige kolonies. En in de eeuwen voordien met de talloze oorlogen die vaak om religieuze redenen werden gevoerd. Geweld is van alle tijden en vormt nog steeds een belangrijk element in onze moderne samenleving. Sterker nog, volgens velen is gewelddadige onderdrukking symptomatisch voor onze tijd, niet alleen op politiek en militair vlak, maar ook steeds meer op cultureel en economisch gebied. Neomarxisten en antiglobalisten zien het kapitalisme als de cruciale oorzaak van heel wat geweld. Ze zien de huidige mondialisering als een vliegwiel voor toenemende ongelijkheid, discriminatie, ellende, racisme en regelrechte onderdrukking die zorgen voor steeds meer ongenoegen en onrust bij de minderbedeelden. Het gevolg is opstand en verzet tegen de machthebbers in de vorm van stakingen, straatprotest en in meer extreme gevallen tot ‘zinloos geweld’ en terreurdaden tegen het ‘gezag’. En in een breder perspectief tot een groeiende kloof tussen het ‘verlichte’ westen en de ‘vernederde’ moslimwereld. Over deze ‘moderne’ vormen van geweld schreef de postmarxistische Sloveense filosoof Slavoj Žižek een nieuw boek onder de titel Geweld. Žižek wordt beschouwd als een van de meest toonaangevende en controversiële denkers van onze tijd. Zijn vorige werken Pleidooi voor intolerantie (1998) en Welkom in de woestijn van de werkelijkheid (2005) waren bestsellers die druk besproken werden binnen intellectuele kringen. Dat zal nu ook het geval zijn. In zijn nieuwe publicatie ontleedt hij niet alleen de problematiek van het geweld in onze tijd, maar ook tal van andere grote politieke en filosofische vragen. In zijn eigen provocerende stijl confronteert hij de lezer met tal van ongemakkelijke vragen en paradoxen die hij dan ontrafelt tot vervelende dilemma’s waarbij hij regelmatig teruggrijpt naar de Hegeliaanse dialectiek en het werk van de Franse postmodernisten zoals Deleuze, Badiou, Foucault en Lacan. Hoe ontstaat geweld en wie is ervoor verantwoordelijk? Žižek analyseert onze moderne samenleving bijzonder scherp en geeft een aantal indrukwekkende analyses, alleen ontbreekt het hem aan geloofwaardige en werkbare alternatieven die ons een uitweg kunnen bieden uit de vicieuze cirkel die we in tal van geweldsvormen aantreffen. De media spelen alvast een grote rol in onze oordelen. Zo stelt Žižek dat de dood van een Palestijns, Israëlisch of Amerikaans kind heel wat meer mediawaarde heeft dan de dood van een Kongolees kind. Daarmee zet hij de toon van zijn werk over de oorzaken en de gevolgen van geweld. Als postmarxist keert Žižek zich tegen het kapitalisme en haar onderliggende ideologie: het liberalisme. Geweld gaat niet zozeer om terreuraanslagen, massamoorden en racisme, zo schrijft hij, maar om ‘het lot van hele bevolkingslagen en soms van hele landen (dat) kan bepaald worden door de “solipsistische” speculatieve dans van het kapitaal’. Het wilde kapitalisme is dus voor hem een doorn in het oog waarbij hij de liberalen dogmatisme verwijt. Die kritiek is terecht wanneer het de zogenaamde neoliberalen en libertariërs met hun marktfundamentalisme betreft, maar niet het liberalisme an sich, zoals trouwens verder in zijn boek zal blijken. Provocerend heeft hij het over de ‘liberale communisten’ zoals een Bill Gates en George Soros die zich als filantropen bekommeren over mistanden in de wereld maar in feite met de ene hand weggeven wat ze met de andere genomen hebben. ‘Het meedogenloze winstbejag vindt in de liberaal-communistische ethiek een tegengewicht in liefdadigheid’, schrijft Žižek. Het is een veralgemening, of beter een redenering ‘kort door de bocht’ waaraan de filosoof zich regelmatig schuldig maakt. Zo miskent hij de intrinsieke humane en sociale waarden van het liberalisme en verengt ze tot een karikatuur. Veel sterker is zijn analyse over de populistische angstcultuur die in tal van ontwikkelde landen heerst. Hij heeft het over een ‘postpolitieke biopolitiek’ waarbij dit laatste slaat op een obsessie voor regels om het eigen welzijn te bevorderen en dat alleen succes heeft door het voortdurend aanjagen van angst onder de burgers. Žižek breidt dit uit tot het ongemak van de westerse burgers om op te komen voor hun naasten in minder ontwikkelde gebieden. Hij hamert op de ethische plicht van elke mens, ongeacht zijn land van herkomst. Daarmee staat Žižek dichter bij het liberale denken dat hij zo verkettert, dan hijzelf vermoedt. Dat valt vooral op in zijn analyse over de rellen in de Parijse voorsteden in 2005 waarbij allochtone jongeren ‘zinloos’ tumult maakten en zelfs auto’s van hun (evenmin gefortuneerde) buren in brand staken. Volgens Žižek was het een manier van die jongeren om zich ‘zichtbaar’ te maken en met hun protest wilden aantonen dat ze evengoed Franse burgers waren. ‘Het was een roep om de vorming van een nieuw universeel kader’, aldus Žižek die tegelijk toegeeft dat dit protest in essentie ging om een vorm van afgunst van jongeren voor datgene wat ze zelf niet hadden, waarmee hij de ‘linkse ‘radicalen, met hun voortdurende verwijzing naar het gebrek aan kansen voor de relschoppers en het latente gevoel van uitsluiting, stevig onderuithaalt. In elk geval maakt de auteur duidelijk dat het liberale optimisme dat zo hoog oplaaide na de val van de Berlijnse Muur in 1989 – zie het boek van Francis Fukuyama over het einde van de geschiedenis – misplaatst was en dat we nu een opstoot kennen van populistisch Nieuw Rechts. Die dringt aan op nieuwe grenzen om immigranten te ontmoedigen wat onvermijdelijk leidt tot een nieuwe tweedeling en nieuwe vormen van geweld. ‘De fundamentele scheidslijn is die tussen diegenen die in de sfeer van (relatieve) economische welvaart zijn opgenomen, en degenen die ervan uitgesloten zijn’, aldus Žižek. Het is een harde maar terechte stelling van de filosoof die als geen ander de tijdsgeest kan analyseren, maar zijn alternatieven blijven mistig en onvoldragen. Zo pleit hij noch voor het afbreken van muren zoals links-radicalen eisen, noch voor het rationele migratiebeleid van de liberalen, maar voor een afbraak van ‘de sociaal-economische muur’. Dat klinkt goed, maar wat bedoelt hij ermee? Hoe ziet zijn rechtvaardige economie eruit? En vooral, hoe kunnen we die bereiken? Het valt op dat Žižek op die vragen geen antwoord geeft of, zoals hij schrijft, verkiest om ‘niets te doen’, ‘kritisch te analyseren’ en ‘af te wachten’. Zo zwijgt hij ook opvallend over de nieuwe opstoten van protectionisme van de rijke landen die vooral door drukkingsgroepen in stand wordt gehouden ten kosten van de armen in het Zuiden. Hij zwijgt over de nefaste gevolgen van de nationaliseringen in tal van landen, terwijl juist het toekennen van eigendomsrechten miljoenen armen in de wereld uit hun armoede zou kunnen tillen. Hij heeft het ook niet over de noodzaak aan economische expansie ten bate van de vele miljoenen armen in de wereld – zoals beschreven door Anthony Giddens in The Politics of Climate Change – want dat zou hij waarschijnlijk zien als een capitulatie voor het wereldwijde kapitalisme dat hij zo verfoeit. Dat zorgt volgens hem voor ‘systemic violence’ en die is volgens hem even erg als de terreuraanslagen, criminaliteit, racisme of discriminatie. Het mondiale kapitalisme zorgt voor geweld tegen miljoenen mensen die in erbarmelijke omstandigheden moeten werken en leven. Maar waar zit die grootste menselijke ellende dan? Toch juist in die landen die geen staat kennen, die de markteconomie afwijzen en die kiezen voor een autoritair, en niet voor een liberaal-democratisch systeem. ‘Waar de rechtstaat tekort schiet, begint het geweld’, zo zei Hugo de Groot reeds eeuwen geleden, en dat is ook de grote les die we kunnen trekken uit de fascistische en communistische experimenten van de twintigste eeuw. Tegelijk ziet Žižek over het hoofd dat net de economische expansie gezorgd heeft dat miljoenen zich uit de armoede konden tillen en een menswaardig bestaan opbouwen. Eén van de meest gewelddadige plaatsen is al jarenlang het Midden-Oosten. Žižek benadrukt zijn Palestijnse sympathieën en hekelt de historische en religieuze claim van de Israëli’s op hun land. Hij noemt het een raadsel dat het Israëlisch-Palestijnse conflict zo lang duurt en dat er maar geen oplossing komt. De reden is nochtans eenvoudig: fanatici aan beide kanten willen geen oplossing. De moord door een orthodoxe Jood op Rabin die een eerbaar en werkbaar compromis nastreefde, en de manier waarop de radicale Hamas elke vorm van redelijkheid bij sommige Palestijnse leiders letterlijk kapot schieten, zijn daar voorbeelden van. Žižek verwerpt de alom nagestreefde tweestaten-oplossing. Er moet juist één staat komen, schrijft hij, die los staat van raciale, religieuze en nationalistische claims. ‘De meest universele staat van alle’, zo citeert hij Badiou. En tegelijk moet men ‘beginnen met gecorrumpeerde klerikale en militaire regimes aan te pakken, van Syrië tot Saoedi-Arabië, die de Israëlische bezetting gebruiken om zichzelf te legitimeren’. Als eerste stap stelt Žižek, die graag het meest ondenkbare denkbaar maakt, voor om Jeruzalem een buitenstatelijke status te geven onder controle van een neutrale internationale legermacht. Een intrigerend idee want Joden en Palestijnen zouden zich zo bevrijden ‘van de etnisch “zuivere” natiestaat’ die de extremen najagen en die nu zorgt voor zoveel ellende. Dat brengt hem tot het meest boeiende deel van zijn betoog, namelijk de vraag hoe we in de toekomst nog harmonieus kunnen samenleven, ondanks het feit dat we het niet met elkaar eens zijn. De oplossing is volgens Žižek het atheďsme. ‘Het is het geloof in een hoger goddelijk doel dat ons toestaat individuen te instrumentaliseren, terwijl het atheďsme zo’n doel niet erkent en dus alle vormen van heilig offer afwijst.’ Opnieuw spoort hij hiermee met een liberale gedachte, namelijk dat men in overeenstemming met Kants categorische imperatief niet moet handelen omdat men er later door God voor beloond of gestraft zou worden, maar gewoon omdat het zo hoort te zijn. Een dergelijk pleidooi voor een seculiere moraal stuit natuurlijk op verzet van orthodoxe gelovigen, niet in het minst van moslims. Maar als we respectvol met de islam willen omgaan, aldus Žižek, dan moeten we haar aan een ‘genadeloze, kritische analyse onderwerpen’ en de moslims ‘behandelen als serieuze volwassenen die verantwoordelijk zijn voor hun overtuigingen’. Dat moeten we mijns inziens trouwens doen ten aanzien van alle religies, waarbij de vraag opkomt of de auteur dan voorstander is van een ‘universele’ seculiere moraal? Een liberale houding is volgens de auteur getekend door een sterke vooringenomenheid, zeg maar geloof in de universaliteit van een aantal waarden. Zo tolereert het geen vormen van onderdrukking en aantasting van de fysieke integriteit zoals gedwongen huwelijken en genitale verminking, maar tegelijk negeert het de druk die in de westerse wereld bestaat op vrouwen om via ‘plastische chirurgie, cosmetische implantaten en botox-injecties’ concurrerend te blijven op de seksmarkt. Het lijkt me een valse vergelijking waarin het begrip ‘dwang’ en ‘(on)vrijwilligheid’ van een andere orde zijn. Opnieuw klinkt bij Žižek een soort relativisme door als hij de universele mensenrechten bestempelt als ‘feitelijk de rechten van blanke mannelijke vermogensbezitters’ en hij vraagt zich af ‘onder welke condities individuen zich (ervaren) als subjecten van universele mensenrechten’. Het antwoord is nochtans niet moeilijk. Op het ogenblik dat iemand onvrijwillig pijn ondergaat, zal hij zich verweren, en dat is een universeel gegeven. Dát is het ogenblik waarop ‘geweld’ ervaren wordt en waartegen we als mens moeten optreden. En dan is ‘niets doen’ geen optie.
Slavoj Žižek, Geweld, Boom, 2009 Slavoj Žižek Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|