In 1949 schreef een groep beroemde Amerikaanse en Europese schrijvers samen een serie essays waarin ze afrekenden met het communisme. Met de titel van het boek, The God that Failed, gaven ze aan dat hun desillusie leek op die van teleurgestelde afvalligen. Het zou niet de eerste keer zijn dat communisme met religie werd vergeleken, ondanks Karl Marx' overtuiging dat religie 'opium van het volk' was. De Britse jounalisten Larry Elliott en Dan Atkinson willen met The Gods that Failed: how blind faith in markets has cost us our future korte metten maken met het ongebreidelde kapitalisme. In hun onderzoek naar de oorzaken van de huidige kredietcrisis stuitten ze op zo'n blind geloof in globalisering, privatisering en ‘financialisering’, dat ze dachten dat ze met goden van doen hadden. Teruggrijpend op de Griekse mythologie zagen ze in het financiële district van Londen en Wallstreet de berg Olympus, het huis van deze goden. Net als Zeus, Hera en Poseidon eisten deze nieuwe goden offers en volledige gehoorzaamheid. Maar daar zouden wij gewone stervelingen ook wat voor terugkrijgen: economische stabiliteit, groei, veiligheid; de moderne versie van een geslaagde oogst. Mooi in dit verband is Barack Obama's recente uitspraak dat gewonen mensen opofferingen maakten voor 'hen die alles al hadden, in de hoop dat voorspoed op hen neer zou dalen.' Net als Obama, vinden Elliott en Atkinson dat we bedrogen zijn. Ons geloof, of beter ons vertrouwen (beide vertalingen van het Engelse faith) is geschonden. Niks voorspoed, slechts chaos, schulden en gevaar. En hoe kon het ook anders. Op de Olympus wonen immers ook de goden 'hebzucht', 'roekeloosheid' en 'arrogantie'. Een Griekse tragedie was onvermijdelijk. Omdat de goden zelf zo ongrijpbaar zijn, zetten Elliot en Atkinson vooral de aanval in op de helden en priesters die als dienaren van de Olympiërs fungeerden. Grondleggers van de vrije markt als Milton Friedman en Friedrich von Hayek, maar ook de Wereldbank, het IMF, de Europese Commissie en de centrale banken, krijgen ervan langs. Het is niet altijd faire kritiek, maar Elliot en Atkinson komen als financiëel journalisten wel met heel veel feiten op de proppen. Deze feiten maken The Gods that Failed vooral een uitstekende financiële geschiedenis van Groot Brittanië en de Verenigde Staten van de afgelopen 20-30 jaar. Duidelijk wordt hoe centrale banken zich vanaf de jaren zeventig losweekten van de politiek, hoe monetair beleid lakser werd, en vakbonden machtelozer werden in de strijd om het behoud van groei en concurrentiekracht. Duidelijk wordt ook hoe de Britse productie toch verloren ging, waarna de financiële sector langzaamaan de overhand kreeg. De Angelsaksische landen kwamen met met grote handelstekorten en schulden te zitten; ze leefden op de pof. Deze schulden werden toegedekt met de hulp van landen die wel overschotten hadden, landen in Azië en het Midden Oosten. Vooral de Aziatische landen konden deze overschotten opbouwen, omdat ze wel haast goddeloos het IMF en de globale competitie links lieten liggen. Landen die geïsoleerd waren van de wereldmarkt - India en China - en landen die hun wisselkoers niet vrij lieten - Indonesië - kwamen relatief goed uit de Azië-crisis van eind jaren negentig. Lag de nadruk voor de Britten op lage inflatie en groei, Aziatische economiën waren succesvoller door het combineren van groei met stricte regels en planning. Elliot en Atkinson nemen vooral de Britse Labourpartij de maat. Premier Gordon Brown, die tot 2007 Minister van Financiën was, en zijn opvolger Alistair Darling waren ziende blind voor de signalen. Vanaf 2005 zijn er herhaaldelijke oproepen geweest van economen om verder te kijken dan de inflatiecijfers. De beurskrach van 1929 volgde juist op een lange tijd van lage inflatie, in combinatie met grootschalige speculatie met grote sommen geleend geld. In 2006 waarschuwt de vereniging van centrale banken dat ook de uitgeklede regelgeving wel erg op die van de jaren twintig is gaan lijken. De grote plek des onheils is volgens The Gods that Failed de huizenmarkt. Consumenten, bankiers en beleidsmakers waren haast betoverd door de illusie van stijgende huizenprijzen. Consumenten konden meer lenen omdat hun huizen meer waard werden, en hun koopgedrag leidde tot economische groei waardoor opnieuw de huizenprijzen stegen. Bankiers dachten slim te zijn: de hypotheken die eigenlijk de gevaarlijk waren om te verstrekken (de subprime hypotheken), zouden in hun ogen ook winstgevend zijn: Als de maandlasten niet konden worden opgehoest, zou het huis van de wanbetaler worden ingelijfd en met stijgende huizenprijzen was dat lucratief. Overheden deden rustig mee, aangezien de speculatieve, schuldcreërende activiteiten ook de schatkist spekten. Volgens Chuck Prince, in de zomer van 2007 nog topman van Citigroup, 's werelds grootste bank, had de betovering van de huizenmarkt iets weg van een dans: "Als de muziek stopt, in termen van liquiditeit, wordt het moeilijk, maar zolang de muziek speelt moet je opstaan en dansen. We dansen nog steeds!" Enkele maanden na deze uitspraak liep de huizenmarkt vast. De god van de liquiditeit, wellicht een nakomeling van de Griekse muziekgod Apollo, was uitgespeeld. Ook Prince moest het veld ruimen. The Gods that Failed legt de vinger op de zere plek, maar is veel te afwijzend tegen krediet in het algemeen. Los van de soms schandalige verkooppraktijken in de VS, waarbij bijvoorbeeld gepensioneerden hun afbetaalde huis opnieuw verpanden tegen woekerrentes van gewetenloze handelaren, is de hypotheek op zich een geslaagd fenomeen. Federal Reserve-voorzitter Alan Greenspan vond het een triomf van de Amerikaanse Droom dat ook de sociale onderklasse, blank, afro-amerikaans en latino, huiseigenaar konden worden. In 1940 bezat 44 procent van huishoudens hun woning, in 2007 was dit maar liefst 70 procent. Dat de Britten in 2007 in totaal zo'n €1.700 miljard hebben uitstaan aan leningen, hypotheken en consumentkrediet (grofweg het Britse BNP), met alle gevaren van dien, neemt niet weg dat ook miljoenen Britten tientallen jaren baat hebben gehad bij het systeem. Mensen zullen altijd kredieten nodig hebben om de verschillen in inkomsten over hun leven uit te smeren. Wetende dat jongeren een groot deel van hun volwassen leven zullen werken, moet er nu geld beschikbaar zijn om hen te laten studeren en reizen. Wetende dat startenden ondernemers op den duur de economie laten draaien en vernieuwen, zal er ook voor hen nu geld moeten zijn om te investeren. Hier zijn risico's mee gemoeid, die eerlijk geprijsd moeten worden. Dat in de VS deze risico's verknipt werden en op ondoorzichtige wijze doorverhandeld, wil niet zeggen dat risico's altijd gemeden moeten worden. Aan het einde van het boek wordt duidelijk waarom Elliot en Atkinson zo tekeer gaan: Ze hebben de pet op van sociaal-democraat, en niet van journalist. De Britse Labourpartij werd aangevallen, omdat de schrijvers de sociaal-democratie in ere willen herstellen. Onder het mom van het Nieuwe Populisme willen ze de macht van de goden en hun helden afpakken en aan het volk teruggeven. Gelijkheid, solidariteit en verantwoordelijkheid, in plaats van competitie, geldzucht en losbandigheid. Groot-Brittannië moet nietmet Amerika en maar met Europa in zee. Ze zien vooral veel in het Duitse model, waarin overheid, werkgevers en vakbonden samen de dienst uitmaken, en waar grote kampioenen als Siemens (niet voor niets Mutter Siemens genoemd) de groei aanjagen. Hoewel deze pamflettische wending niet het beste deel van het boek is, poneert het wel een aantal interessante voorstellen om toekomstige excessen te voorkomen. Het opknippen van retail en corporate banken, en stimuleren van kleine bankiers, kan wellicht werken om risico's te spreiden. Misschien moet het oude idee dat grote financiële instellingen risico's beter aankunnen, worden vervangen door het inzicht dat kleine banken, als ze omvallen, niet de hele sector om zeep helpen. Een ander idee om exotische financiële derivaten simpelweg niet te erkennen op Brits grondgebeid voordat ze officiëel zijn geïnspecteerd, zou wellicht de transparantie ten goede komen. Maar veruit de beste vraag die Elliot en Atkinson opwerpen is of we, nu we voor uitdagingen als klimaatverandering staan, blij moeten zijn dat de slimste studenten door de financiële wereld worden opgezogen. Is het geen waanzin dat jonge techneuten niet aan innovatieve schone energie sleutelen, maar aan wiskundige constructies voor de haute finance? De ‘financialisering’ van de maatschappij maakt dat, naast de studenten, ook advocaten en zelfs dokters de hoge salarissen van Goldman Sachs of Merrill Lynch niet meer kunnen weerstaan. Al met al is The Gods that Failed, ondanks enkele rare woedeaanvallen, een vat vol observaties en ideëen. Iedereen die nog geen grip heeft of de achtergronden van de malaise van vandaag, maar ook iedereen die zijn ideologie wil scherpen is bij Elliot en Atkinson aan het juiste adres. Of het nu uiteindelijk gaat om goden, of om een groep boeven die moeten worden ontmaskerd, uiteindelijk moeten mensen zelf weer de touwtjes in handen nemen. Elliot en Atkinson staan klaar om te helpen.
Larry Elliott and Dan Atkinson, The Gods that Failed: how blind faith in markets has cost us our future, The Bodley Head, 2008 Larry Elliott and Dan Atkinson Linksmailto:paulteule@hotmail.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|