Doorgaans sta ik wantrouwig tegenover dagboeken. Al te vaak waant de auteur zich hierin het centrum van het universum, de navel van onze beschaving, de spil van ons bestaan. Ze staan vol eigendunk, zelfverheerlijking en/of zelfbeklag. Schotschriften zijn het, vol rancune omwille van niet begrepen talent, afgewezen liefdes en onvervulde dromen. De Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans zei dat ‘een dagboek schrijven zoiets is als improviseren op de zwarte toetsen van de piano: het kan niet misgaan, maar het is ook zelden echt goed’. Heel wat dagboeken zijn historisch bijzonder interessant, denk aan dat van Anne Frank, Etty Hillesum en zelfs Joseph Goebbels, of ze verhalen over een boeiend leven zoals die van Anaïs Nin, maar zelden halen ze een hoogstaand literair niveau – dat van Goebbels was gewoon Schmiererei. Een uitzondering daarop is Dagboek 1920 van de Russisch joodse schrijver Isaac Babel dat de basis vormde voor zijn meesterwerk De Rode Ruiterij. De auteur is hier niet gewoon iemand die opschrijft, maar iemand die schrijft. Ook de memoires van de Rus Konstantin Paustovskij over de periode voor, tijdens en na de Russische revolutie kan men beschouwen als dagboeken van een uitzonderlijk literair niveau. Maar ze zijn zeldzaam. Zopas verscheen het dagboek Grimmig heden van de Vlaamse journalist, vertaler en schrijver Piet de Moor waarin hij in 2005 zowat elke dag persoonlijke mijmeringen neerschreef. Het is een aaneenschakeling van citaten en tekstfragmenten van gerenommeerde schrijvers die elk op hun manier en vanuit hun gezichtshoek bijdroegen tot de wereldliteratuur – voor Gÿorgy Konrad het enige vehikel voor transcendentie. Zoals in elk dagboek komt ook het leven van de schrijver zelf aan bod, vooral dan zijn worsteling met de talloze boeken die zich in zijn ‘hol’ opstapelen en die hij vruchteloos tracht te ordenen in doe-het-zelf boekenkasten die natuurlijk nooit passen. Als hij het heeft over familie of vrienden dan is het eerder afstandelijk, behalve over zijn twee zoons, maar ook dan vervalt hij niet in banaal geneuzel, eerder in levenslessen die de ‘oude’ vader wil meegeven aan de ontluikende nieuwsgierigheid van zijn kroost. Centraal staan dus de citaten van auteurs die zich ‘in hun werk en hun leven spiegelen aan voorbeelden die ikzelf waardeer en waaraan ik mezelf graag spiegel’, schrijft De Moor, en hij wrijft ze als vuurstenen tegen elkaar ‘in de hoop dat er iets nieuws uit vonkt’. Sommigen zullen zijn werkwijze beschouwen als een vorm van plagiaat, van nymfomane eruditie of een vorm van intellectuele masturbatie, maar De Moor is bloedernstig. Zelf noemt hij zich ‘een stelende ekster’ en ziet dat sprokkelen, verwerken en assembleren als een beroep op zich, ‘een citator, een stemmentemmer, een simulant van wereldliteratuurfragmenten’. Dat doet hij trouwens niet lukraak. Hij concentreert zich op datgene wat hij in zijn vroeger werk al uitvoerig beschreef: de waanzin van het totalitarisme, de moorddadigheid van de paladijnen van de macht, het drama van het conformisme en de Gleichschaltung, de vernielzucht van de mens in naam van God, de verplettering door de massa van het individu, de uitroeiing van de joodse taal en cultuur in Midden- en Oost Europa, de herkenning van het ‘poetinisme’ als een nieuwe vorm van dictatorialisme, en het gevaar van extreemrechtse ideeën die talloze mensen verziekten. Maar ook de weerstand ertegen, het verzet van koppige ezels en verlichte geesten, de schrijvers die met al hun intellectuele kracht probeerden de enorme morele leegte opnieuw te vullen met brokjes menselijke waardigheid, respect en tolerantie. De Moor brengt ons via ogenschijnlijke details terug naar al die dramatische en gruwelijke gebeurtenissen en thema’s uit de twintigste eeuw die nu onvermijdelijk deel uitmaken van wat we vandaag de ‘Europese geschiedenis’ noemen, ik durf de woorden ‘Europese beschaving’ hier niet te gebruiken.. Hij beschreef die gebeurtenissen in zijn vorige boeken: Een masker voor de macht. Ismail Kadare, schrijver in de dictatuur, De Gelaarsde God. Stalin en de aura van de macht en vooral zijn indrukwekkende Schemerland. Stemmen uit Midden-Europa. Nu grijpt hij terug naar Joseph Roth, Sándor Márai, Imre Kertész, Stefan Zweig, Sebastian Haffner, Michel de Montaigne, Elias Canetti en anderen en verwerkt ze in allerlei scherzando’s. ‘Boeken maken de tijd ruimtelijk, het zijn doorgangen’, schrijft De Moor, maar ze bieden vooral inzichten in de tijdgeest van onze voorgangers, zij die onze wereld die we nu kennen hielpen opbouwen, al was dat vaak na een periode van razernij, verwoesting en massamoord. Of beter, boeken zijn de spiegel waarin we zien wie we écht waren en zijn. ‘Waarachtig, ik zeg u, er is geen grotere beerput dan ons christelijk Europa’, aldus de Poolse schrijver Paweł Huelle. En De Moor noemt de Midden-Europeaan ‘de drenkeling van de geschiedenis’. Miljoenen mensen die er woonden, veranderden gedurende hun leven, zonder dat ze uit hun dorpen of steden weg gingen, diverse keren van nationaliteit ingevolge opeenvolgende revoluties, oorlogen, afscheidingen en annexaties. En net als Goldhagen weerlegt hij de gedachte ’Wir haben es nicht gewußt’ en maakt aan de hand van voorbeelden duidelijk dat ‘bijna alle volwassen Duitsers (wisten) dat er concentratiekampen bestonden’. ‘De rechtstaat is het beslissende element in een democratie, niet de meerderheid, want als alleen meerderheden uitslaggevend zouden zijn, dan zou je ook het Duitse nationaal-socialisme een democratie moeten noemen’, antwoordt de Duitse filosoof Rüdiger Safranski op een vraag van de auteur. Het was net het verval van de rechtstaat onder het fascisme en communisme dat heeft geleid tot de grootste drama’s in de geschiedenis. Net daarom moeten we ze verdedigen tegen de aanvallen van extreemrechts. Denk aan de reactie van Gerolf Annemans van het Vlaams Belang die na de uitspraak over het racistisch karakter van het Vlaams Blok, de rechters bedreigde. Daarmee maakte hij duidelijk dat de leiders van extreemrechts in het diepste van hun ziel de democratie verachten. Ze halen hun denkbeelden bij Plato, ‘de stichter van de gedachtepolitie’, aldus de auteur, ‘die in De Wetten voorstelde om het reizen naar het buitenland te beperken om te voorkomen dat de eigen gemeenschap spirituele vervuiling van vreemde ideeën zou ondervinden’. Het is de reden waarom dictators en theocraten zo bang zijn van het geschreven woord en boeken verbranden. Liefst houden ze het bij één enkel boek dat voor hen alle waarheid omvat, of het nu de Bijbel, de Koran of Mein Kampf is. Kiš besefte dit gevaar: ‘niet het lezen van vele boeken is gevaarlijk, maar het lezen van één enkel boek’. De zin over Plato is zowat de cruciale boodschap van Grimmig heden: het belang van de wereldliteratuur als middel om ideeën en feiten door te geven over alle fysieke en mentale grenzen heen. Literatuur is echter zoveel meer. Paustovskij was ervan overtuigd ‘dat de echte literatuur de zuiverste uitdrukking is van de vrije menselijke geest en dat de mens alleen in de literatuur zijn volledige innerlijke rijkdom en gecompliceerdheid ontplooit, evenals zijn zielskracht en daarmee een heleboel zonden uit het dagelijks leven afkoopt’. Zelf sta ik dichter bij Susan Sontag die geloofde in de ethische functie van de literatuur omdat ze ons de waarde van diversiteit leert kennen. ‘De literatuur is het huis van de nuance en het verzet tegen stemmen die simplificeren.’ Grimmig heden is een antidotum voor de simplificatie die we massaal om ons heen waarnemen en waarin de herauten van het ‘eigen-volk-eerst’ principe hun stinkende eieren uitbroeden. Het enige wat ze willen is uniformeren, conformeren en depersonaliseren. De Moor heeft het daarbij gemunt op Heideggers’ gif met zijn definitie van het volk ‘als een eenheid van bloed en ras’. Bij elke uitspraak over hét volk of dé gemeenschap (of volksgemeenschap) als hoogste doel, beseft de auteur dat de mens voor de uitspreker enkel maar een middel is. Iets dat men kan in- of uitschakelen, gebruiken of wegwerpen. ‘Mest op de velden van de toekomst’, zo typeerde Trotski de mens. En De Moor waarschuwt voor Poetin als een nieuwe apologeet van Plato. ‘Poetins Rusland is verkrampt, zonder mededogen, harteloos. Het heeft alle kenmerken van een dictatuur’. In zijn boek Schemerland heeft De Moor het over een gebrek aan Holocaustbewustzijn in tal van Europese landen. Hier verwijst hij naar de memoires van Elisa Springer die het heeft over ‘het zwijgen van de levenden’. Het is maar door de literatuur dat we een beeld kregen van het onvoorstelbare. Denk aan de werken van Jean Améry, Imré Kertész en Primo Levi. Die laatste vond oorspronkelijk geen uitgever voor zijn boek Is dit een mens? Wat De Moor doet, is deelnemen aan de joodse traditie om over afgestorvenen te spreken kwestie van ze ‘levend’ te houden. Om hun waarschuwingen, ervaringen en wijsheden weer aan de oppervlakte te brengen. ‘Het zou de moeite lonen om eens een collectie beklijvende zinnen aan te leggen, van die zinnen die, zoals Kafka zei, als een bijl in de bevroren vijver van je ziel hakken’, zo schrijft De Moor. Hij heeft gelijk. We moeten de wereldliteratuur gebruiken als middel tegen de vergetelheid, de onverschilligheid en het cynisme. ‘Ik ben bang voor die verschrikkelijke kracht in de mens: zijn verlangen en vermogen tot vergeten’. Het is een citaat van Varlam Sjalamov en staat in het monumentale boek Over kampliteratuur van Jacq Vogelaar. Ondanks de toegang die we via internet hebben tot archieven, lijkt de kracht van het vergeten mij één van de gevaarlijkste tendensen van onze tijd. Net daarom is dit dagboek zo belangrijk. ‘Geen enkel medium kan op tegen het geschreven woord’, aldus De Moor. Zo dendert hij door de wereldliteratuur met een snelheid die de lezer naar de keel grijpt. Alsof hij in het besef van zijn eigen sterfelijkheid alsmaar sneller leest en schrijft teneinde zijn verloren jaren in te halen. ‘Van de 55 jaar dat ik hier rondloop, heb ik er nog maar een stuk of zeven geleefd’. Het is in die zeven laatste jaren dat het talent van De Moor echt tot ontwikkeling is gekomen, niet alleen als erudiete bode van andermans werk, maar als schrijver. En hij beseft het zelf ook, ondanks zijn gespeelde bescheidenheid. Want plots staat daar de zin: ‘Ik put altijd weer kracht uit mijn literatuur’, dus niet langer uit andermans schrijfsels, maar ook uit zijn eigen werk. Hij beseft dat de kracht van de pen sterker is dan de knuppels waarmee de kampbewakers de gevangenen te lijf gingen en gebruikt ze nu ook onverbiddelijk. Als hij dat zou kunnen, dan zou hij letters aan het alfabet toevoegen om zijn mijmeringen over die onvoorstelbare verwoesting van mensen en steden tijdens de twintigste eeuw nog aanschouwelijker te maken. Zodat we de geur van verbrande lijken en kapot geschoten huizen zouden ruiken. Zodat we het angstzweet op de voorhoofden van de slippendragers van de meedogenloze machthebbers voor hun bazen zouden zien. Zodat we de gigantische instorting van de joods Europese cultuur door de Endlösung zouden horen. De Moor is met zijn ‘zinnen als ingegroeide nagels’ een meester in het ‘woelen in andermans ingewanden’.
Piet de Moor, Grimmig heden, Van Gennep, 2007 Piet de Moor Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|