‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen’, zo klinkt het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Deze uitspraak kwam er na de gruwel van de Tweede Wereldoorlog toen miljoenen mensen omwille van hun ras of afkomst werden gedegradeerd tot ‘Lebensunwertes Leben’, en die volgens het nazi-regime het niet waard waren om verder te leven. Zij werden dan ook massaal gestigmatiseerd, opgepakt en vermoord. Daarbij ging het niet enkel om Joden, zigeuners, homoseksuelen, Getuigen van Jehova, communisten en andere tegenstanders van het regime, maar ook om grote aantallen mentaal en fysiek gehandicapten die volgens de nazi’s de ‘gezondheid’ van de natie ondermijnden en daarom fysiek moesten worden uitgeschakeld. Om de genetische zuiverheid van het Germaanse volk te garanderen moesten mensen met dergelijke handicaps zo snel mogelijk worden gesteriliseerd of gedood. Tussen 1 september 1939 en 24 augustus 1941 werden meer dan 70.000 mensen in het geheim geliquideerd door verhongering, dodelijke injecties, vergiftiging of vergassing. Deze praktijk zorgde ervoor dat de eugenetica, het wetenschappelijk onderzoek naar de verbetering van het mensenras, sindsdien wordt beschouwd als immoreel en onaanvaardbaar. Nochtans werd de eugenetica op het einde van de 19de en de eerste decennia van de 20ste eeuw gezien als een vooruitstrevende wetenschap die rechtstreeks voortvloeide uit de aanname dat de mens maakbaar en verbeterbaar is. En ook vandaag worden onderzoeken en ingrepen gedaan om menselijke imperfecties te voorkomen of te herstellen. Over dit thema schreef de ethicus en historicus Gie van den Berghe het intrigerende boek De mens voorbij waarin hij op zoek gaat naar de denkkaders die tot de nachtmerrie van de nazi’s geleid hebben. Aan de hand van talloze voorbeelden toont hij aan hoezeer wetenschappers sinds de Verlichting geloofden dat we via de rede in staat zouden zijn om zowat alle problemen op te lossen of bij te sturen, ook de attitudes van mensen. Deze gedachte kreeg door Darwins evolutietheorie een bijkomende grondslag door de toepassing van elementen uit de biologie op andere wetenschapsdomeinen zoals de sociologie, omschreven als het sociaaldarwinisme. Het sterkte de overtuiging dat mensen, net als planten en dieren, onderhevig zijn aan selectieprocessen, en dat niet enkel individueel maar ook als groep, volk of ras. Veel sociaaldarwinisten zagen de samenleving als een boom waaruit men de zieke of dode (menselijke) takken moest verwijderen om hem in leven te houden. Politici beschouwden het als een reden om zwakkere volkeren te onderdrukken of zelfs uit te roeien. Gie van den Berghe wijst ook op de opkomst van de geneeskunde en de toenemende obsessie voor gezondheid en hygiëne. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw begonnen massale campagnes om kinderen in te enten tegen ziektes die in het verleden talloze slachtoffers hadden gemaakt. ‘Elk nieuw biologisch feit leek een vooroordeel te weerleggen; de vooruitgang leek niet meer af te stoppen (…) een medisch utopia leek binnen bereik’, aldus de auteur. Er volgden inderdaad heel wat positieve ontwikkelingen die de levenskwaliteit en de volksgezondheid ten goede kwamen, maar ook heel wat ontsporingen. Hoe sterker het geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving, hoe meer de staat ingreep (of liet ingrijpen) om de ‘ideale samenleving’ gestalte te geven. De maatschappij werd aanzien als een levend organisme waarbij men de zieke elementen moest verwijderen en de goede en gezonde elementen aanmoedigen. Die inzichten gekoppeld aan een toenemend nationalisme vormden de voedingsbodem voor een actieve eugenetica waarin het individu ondergeschikt werd gemaakt aan natie, volk en ras, en waarbij de klemtoon geleidelijk verschoof naar de ‘abnormaliteit, waardeloosheid, kostprijs en gevaar voor de maatschappij’ van (groepen) mensen. Vanaf toen kwamen armen, gehandicapten, zwakzinnigen, criminelen, dronkaards, zwervers en al wie zich niet of nauwelijks conformeerde in het vizier. Met zijn gedetailleerde historische uitwijding maakt Gie van den Berghe duidelijk dat de eugenetica geen specifiek nazi-Duitse aberratie was, maar een praktijk die algemeen aanvaard en toegepast werd. Een belangrijke rol speelde de Britse antropoloog Francis Galton, een halve neef van Charles Darwin, die het onderscheid maakte tussen ‘positieve’ eugenetica, waarbij men de meest geschikte mensen aanmoedigde tot meer voortplanting, en ‘negatieve’ eugenetica, waarbij men minder geschikte mensen ontmoedigt of verhindert om zich voort te planten – bijvoorbeeld door sterilisatie. De eerste sterilisatiewetten werden aangenomen in de Verenigde Staten (van 1907 tot 1963 werden er meer dan 60.000 mensen gedwongen gesteriliseerd). In Zweden hebben sociaal-democratische regeringen van 1935 tot 1971 duizenden vrouwen gedwongen gesteriliseerd omdat zij voor 'inferieur' of van 'slecht of gemend ras' doorgingen. Soortgelijke praktijken gebeurden met geestelijk gehandicapt verklaarde mensen in Japan, Canada, Australië, Noorwegen, Finland, Estland, Zwitserland en IJsland. De nadruk kwam ook steeds meer te liggen op de overtuiging dat men via de eugenetica de criminaliteit zou kunnen voorkomen of inperken. Misdadigers zouden bepaalde uiterlijke kenmerken of afwijkingen vertonen, wat leidde tot pseudo-wetenschappelijke stromingen zoals de frenologie en de fysionomie (gelaatkunde). De auteur wijst er ook op dat de eugenetica niet alleen omarmd werd door conservatieve en nationalistische, maar ook door socialistische en progressieve denkers. Het eerste internationaal congres over eugenetica in Londen in 1912 dat werd voorgezeten door Leonard Darwin, zoon van Charles, sprak zich zelfs uit voor ‘de noodzaak van menselijke selectie’ om degeneratie tegen te gaan. De eugenetica bestond dus reeds voor Hitler en het nazi-regime, maar de combinatie van het geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving, het extreme nationalisme, het virulente antisemitisme en de populaire rassenkunde vormden samen een explosieve cocktail waarin de beschaving niet zozeer onderbroken werd, maar faliekant ontspoorde. Op 14 juli 1933 (enkele dagen voor het Vaticaan een concordaat sloot met nazi-Duitsland) werd de Gesetz zur Verhütung erbkranken Nachwuchses goedgekeurd die het mogelijk maakte om mensen die erfelijke ziektes hadden dwangmatig te steriliseren. In de praktijk werden ook talloze geestelijk gehandicapten, asocialen en de zogenaamde ‘Rijnlandbastaarden’ hierdoor getroffen. Van 1934 tot 1945 werden op die manier tussen 320.000 en 350.000 mannen en vrouwen gesteriliseerd. Intussen werd de bevolking via propaganda bewerkt om andere vormen van euthanasie te aanvaarden. Via cartoons in kranten en pseudo-documentaire films als Das Erbe (1935), Erbkrank (1936) en Opfer der Vergangenheit (Slachtoffer van het verleden) (1937) werden vreselijke beelden van geesteszieken getoond die de kijkers moesten overtuigen van het nut van de ‘genadedood’. In de herfst van 1939 ging het nazi-regime dan van start met de T4-campagne om mensen die misvormd, geestelijk gehandicapt of psychiatrisch ziek waren, radicaal te elimineren. Zij werden immers beschouwd als Ballastexistenz, Lebensunwertes Leben of Volksbelastender Kranken. Later zou het T4-personeel ingezet worden in de massale vergassingen van Joden en zigeuners. Sindsdien is eugenetica een absoluut taboe. Niet dat er nadien geen eugenetica meer werden toegepast (in de VS en Zweden bijvoorbeeld bleef men tot in de jaren ’60 en ’70 doorgaan met gedwongen sterilisaties) maar er was wel iets fundamenteels veranderd. In het meest interessante deel van zijn boek gaat Gie van den Berghe in op de omschakeling van de eugenetica naar nieuwe ingrepen en therapieën onder nieuwe benamingen zoals de biotechnologie en de gentherapie. Toch zijn dit meer dan louter semantische wijzigingen. Waar voordien ingrepen gebeurden in naam van een groep, natie, volk of ras, staat nu het belang van het individu centraal. De auteur trekt hier de parallel met de opmars van de mensenrechten en de individualisering van de samenleving. Cruciaal verschil is dat (overheids)dwang niet langer aanvaard wordt en dat men vanuit de wetenschap, filosofie en politiek de uniciteit van elke mens erkent. De diepzwarte boosaardigheid die bijvoorbeeld de nazi’s dreef, maakte plaats voor een ethisch besef om onmenselijk leed te vermijden of (mits toestemming van een patiënt) zo goed mogelijk tegen te gaan. Zo gebeuren vandaag bijvoorbeeld ingrepen die erop gericht zijn geboortes van kinderen met zware aandoeningen te vermijden, zoals het syndroom van Down. Het gevaar voor ontsporingen blijft evenwel bestaan. Naarmate de kennis over de genetica en de technologie toeneemt, groeit bijvoorbeeld de druk om mensen ‘beter’ te maken, niet alleen door erge ziektes te voorkomen maar ook door het ‘programmeren’ van toekomstige kinderen. Hier wijst de auteur terecht op een reeks bio-ethische vragen zoals het gevaar van ‘sociale stigmatisering van mensen met een genetisch risico’ en ‘genetische manipulatie’ van asociale menselijke instincten. Volgens Gie van den Berghe treden we thans ‘een tijdperk van zelfeugenetica binnen, met als primair doel de opwaardering van lichaam en geest’. Binnen een absolute vrije markt kan dit snel leiden tot een tweedeling in de samenleving ten voordele van de rijken. Door de overheid opgelegde regels zijn dan ook noodzakelijk. Dat neemt niet weg dat er voldoende ruimte moet gelaten worden om verder onderzoek te doen naar middelen om het lot van individuen te verbeteren. De Franse filosoof en hedonist Michel Onfray (die hier niet aan bod komt) heeft het in zijn boek Het lichaam, het leven en het lijden over het recht van de mens om het lijden met alle beschikbare middelen te bestrijden. ‘Het vermijden van pijn – basisprincipe van het hedonisme – is beter dan de behandeling ervan’, zo schrijft Onfray. Het enige gevaar dat hij in de transgene revolutie ziet, is de commerciële exploitatie zoals het toekennen van ideale maten of van een bepaald geslacht. Daar is hij dan ook (net als Gie van den Berghe) radicaal tegen. Het gaat hem om het voorkomen van zware handicaps zoals dwerggroei, acromegalie en hermafroditisme. In diezelfde zin verdedigt Onfray ook het klonen als middel tot het reproduceren van weefsels of organen die opnieuw in het lichaam van een zieke mens kunnen worden ingeplant. Gie van den Berghe spreekt zich niet echt uit over de grenzen van dit belangrijke ethische debat. Dat is ook bijzonder moeilijk gezien de enorme evoluties die op bio-technologisch vlak bezig zijn. Soms maakt hij wel erg storende fouten. Zo verwijst hij naar een website ‘GenoChoice. Create your own genetically healthy baby online!’ in de VS waar je zou kunnen kiezen hoe je kind er moet uitzien. Van den Berghe neemt dit voor waarheid aan maar in feite betreft het een 'performance' van de kunstenaar Virgil Wong. Het boek bevat ook geen referenties en voetnoten wat gezien het onderwerp (en de ambitie tot het schrijven van een werk met wetenschappelijke ambities) nochtans absoluut nodig is. Toch is De mens voorbij een belangrijk werk dat doet inzien dat we zullen moeten leren leven met bepaalde van onze imperfecties en dat we steeds argwanend moeten staan tegenover diegenen die ons een wereld zonder kwalen voorspiegelen. Soms doen ze dat met goede bedoelingen, maar zoals Popper stelde, moeten we steeds oog hebben voor de ongewilde gevolgen van ons ingrijpen waardoor de balans van onze verbeteringen maar al te vaak doorslaat naar de negatieve kant.
Gie Van den Berghe, De mens voorbij, Meulenhoff-Manteau, 2008 Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|