‘Panta rhei’ of ‘alles is in beweging’ is een bekend citaat dat wordt toegeschreven aan de Griekse presocratische filosoof Herakleitos. Zo is het wel mogelijk om tweemaal in een rivier te stappen, maar toch zal dat nooit hetzelfde zijn. Zowel de persoon zelf als het water in de rivier zijn intussen veranderd. En zo gaat het met de hele kosmos die voortdurend in verandering is. Dus zijn ook het menselijk denken en handelen voortdurend in verandering. Dat laatste wordt bijzonder goed beschreven in De rivier van Herakleitos, het nieuwste boek van de moraalfilosofen Etienne Vermeersch en Johan Braeckman. Daarin geven zij in 440 bladzijden een – zoals zijzelf aangeven – eigenzinnige visie op het ontstaan en de ontwikkeling van de wijsbegeerte. De eerste zin zal snel één van de vaakst gegeven antwoorden zijn door toekomstige studenten filosofie wanneer hen gevraagd wordt naar de definitie van het begrip filosofie: ‘Wijsbegeerte, of filosofie, is de studie van die problemen waarvoor we nog geen wetenschappelijke oplossingsmethode hebben.’ Dat neemt niet weg dat we dank zij tal van filosofische gissingen, theorieën en verklaringen tot kennis of minstens tot werkbare hypotheses zijn gekomen die ons in staat stellen bepaalde fenomenen te begrijpen. Maar die kennis moet, zo stellen de auteurs, uiteindelijk wel vatbaar zijn voor communicatie en controle, en gesystematiseerd zijn, als we willen spreken van ‘wetenschap’. Hiermee nemen Vermeersch en Braeckman van bij het begin afstand van elke vorm van dogmatisme en compleet relativisme en sporen ze met het kritisch rationalisme van Karl Popper. Zijn gedachtegoed loopt als een rode draad doorheen het boek en dat hoeft niet te verwonderen. Nog te weinig beseffen we hoezeer we in het westen doordrongen zijn van Poppers afwijzing van absolute waarheidsclaims. Voor hem bestond dé waarheid niet, hooguit bestaan er hypotheses die dan aan de felst mogelijke kritiek moesten worden onderworpen. Daarmee gaf hij veel ruimte aan twijfel, iets wat elke weldenkende mens die zich niet heeft overgegeven aan een blind geloof of vermeende heilige teksten, voortdurend doet. Daarmee komt ook een zwakte aan bod die in de loop van de geschiedenis tot zoveel argwaan heeft geleid tegenover de wetenschap en wijsbegeerte, namelijk het gevoel van onzekerheid. Het feit dat er geen onfeilbare, alwetende en rechtvaardige God bestaat, maakt het mensen niet eenvoudiger. Voor personen die blind geloven, is de wereld een stuk eenvoudiger. Zij hebben geen rationele verklaringen nodig om iets te aanvaarden of te verwerpen. Zich volledig op de rede baseren is dus geen gemakkelijke levenshouding. En dat beseffen de auteurs wanneer ze schrijven dat ‘de mens vaak de nood voelt aan inzicht en samenhang’. Hier ligt meteen de verdienste van het boek. Juist door de voortdurende zoektocht van opeenvolgende filosofen in verhouding te plaatsen tegenover de stand en vooruitgang van de wetenschap, geven Vermeersch en Braeckman de lezer meer inzicht, samenhang en zelfs houvast in filosofische kwesties. Zo leggen ze de overgang uit van magie, legenden en mythen, naar de godsdiensten, en vooral waarom de grote wereldgodsdiensten zo een succes hebben gekend. Die zorgden immers voor een bindmiddel ‘om mensen met uiteenlopende culturele en geografische achtergrond tot een grotere eenheid binnen het rijk te brengen’. Nog belangrijker was het feit dat ze een zeker moreel gedrag konden afdwingen door de mens een beloning of straf voor te spiegelen in het hiernamaals – een gedachte die veel eeuwen voor onze tijdsrekening ontwikkeld werd door de Perzische profeet Zarathoestra. Een soortgelijke gedachte bestaat trouwens in andere godsdiensten in de vorm van de zielsverhuizing, waarbij de mens in een later leven in een betere of slechtere positie zou terugkeren, naargelang zijn houding in de tegenwoordige tijd. Maar er bestaat natuurlijk nóg een belangrijke reden waarom het dogmatisme van godsdiensten zo aantrekkelijk was en is, en die de auteurs niet vermelden, namelijk de grote macht die mannen hiermee kregen (en hebben) tegenover vrouwen. Niet voor niets wemelt het in de heilige teksten van misogyne bepalingen. In elk geval liggen godsdiensten ook aan de basis van onnoemelijk veel lijden, denk aan de talloze slachtoffers van ‘godsdienstoorlogen, heksenvervolgingen en rassenwaan’. Een goede basis voor een universele ethiek kunnen we ze derhalve niet noemen. Het (blind) geloof heeft een bijzonder nefaste impact gehad op menselijke verhoudingen en zelfs op het persoonlijk geweten. In feite is de wijsbegeerte een steeds sterker wordend antidotum gebleken voor dergelijke vormen van (blind) geloof. De wijsbegeerte begon namelijk toen de eerste mens de logica van abstracte en zelfs concrete zaken begon in te zien zonder dat hij die zelf kon waarnemen, en toen hij deze kennis deelde met anderen. Op dat cruciale ogenblik maakte ‘geloven’ plaats voor ‘weten’ en op die manier voor de ‘wetenschap’. Niet dat daarmee alle vragen werden opgelost, integendeel, maar het gaf zin aan ons bestaan en nog belangrijker, het gaf zin aan het samenleven en onze bekommernis met anderen. De rivier van Herakleitos begint volgens de auteurs bij Thales van Milete, maar dat is natuurlijk maar een symbolisch begin, of beter gezegd, een begin dat we via de overlevering kunnen aantonen. Daarop volgt een overzicht van de belangrijkste denkers uit de wereldgeschiedenis, in feite een soort De wereld van Sofie van Jostein Gaarder, maar dan voor volwassenen. Zo bespreken Vermeersch en Braeckman de impact van Socrates, Plato, Aristoteles, de stoïcijnen, de epicuristen en sceptici die elk op hun manier verbanden legden tussen mens en moraal. Interessant is hun standstill bij Philo van Alexandrië die enkele decennia na het begin van onze tijdsrekening al in het verzet ging tegen de slavernij, waardoor hij op ethisch vlak op ‘een onvergelijkbaar hoger niveau’ stond dan Jezus en de latere christelijke leiders. Terecht noemen de auteurs de slavernij als ‘de schandelijkste aantasting van de menselijke waardigheid voor Auschwitz’. Het christendom heeft net als de andere geopenbaarde godsdiensten slavernij steeds aanvaard en goedgekeurd. Zo staan in diverse passages van het Oude en het Nieuwe Testament verantwoordingen voor het behandelen van een persoon als het eigendom van een ander persoon. De vermeende naastenliefde die deze godsdiensten beweerden na te streven, strekte zich in de praktijk alleen maar uit tot de eigen groep, de anderen mochten onderdrukt of zelfs letterlijk geliquideerd worden. Nog steeds wordt te weinig benadrukt hoe bijvoorbeeld het christendom medeschuldig was en is aan allerlei vormen van antisemitisme met de moord op zes miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog tot gevolg. Jodenhaat, moslimhaat en christenhaat zijn geen gevolg van de rede maar van eeuwenoude tradities en overleveringen van heilige teksten die de Ander vergeleken met minder dan een dier. Dat fanatisme is vandaag vooral merkbaar binnen orthodox islamitische kringen. Nochtans hebben tal van filosofische bronnen juist dankzij moslims de tand van de tijd doorstaan. Dankzij Arabische vertalingen kregen we in het westen opnieuw aanknoping met de fenomenale kennis uit de oudheid. Copernicus, Pico Della Mirandola en Giordano Bruno waren de ijsbrekers van de herontdekte wetenschappen. Nergens is dat zo tastbaar als in het Museo di Storio della Scienza, het museum van de wetenschap in Firenze. Daar zie je niet alleen de telescoop van Galilei waarmee hij vier manen rond de planeet Jupiter ontwaarde, maar ook tal van andere fantastische uitvindingen. Zoals hydraulische apparaten, weegschalen, microscopen, telescopen, geografische kaarten, tijdsklokken, medische apparatuur en scheikundige producten. Daar zie je de concrete impact van geleerden die tegen de kerkelijke dogma’s in tot bijzondere ontdekkingen kwamen. Wat je in dat museum met eigen ogen ziet, is de onttrekking van de religie aan de aardrijkskunde, de geologie, de geneeskunde, de wiskunde, de scheikunde, de natuurkunde, de astronomie en de biologie. Een bezoek aan dit museum doet ons beseffen hoezeer de mens zich onttrokken heeft aan irrationele denkbeelden en hoezeer we stappen vooruit hebben gezet in onze menselijke ontwikkeling. Daarna is men beginnen nadenken over de rol van de rede zelf. Grote rationalistische denkers als Descartes, Spinoza en Leibniz, maar ook empiristen als Locke, Berkeley en Hume probeerden de plaats van de mens in het universum te verklaren en legden een steeds grotere nadruk op de rede in plaats van op het geloof. Nadien kwam Kant die in feite de religie onttrokken heeft aan het recht. ‘Sapere aude’, zo verklaarde hij, of ‘durf je van je eigen verstand te bedienen’, en de liberale filosoof John Stuart Mill ging nog een stap verder en zei: ‘Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is ieder mens zijn eigen meester.’ Hij schreef zijn boek On Liberty in 1859, hetzelfde jaar als de publicatie van Darwins On the origin of species die daarmee de biologie wegrukte van de religie. Maar de meeste impact had (en heeft) nog steeds Kant die ons duidelijk maakte dat we niet goed moeten doen omdat we daar later voor beloond zouden worden (in het hiernamaals), maar omdat we mens zijn. Du Kannst denn du Sollst, dus in het begrip plicht zit de zekerheid van vrijheid verborgen. Vandaar zijn categorische imperatief, misschien wel de sterkste rationele morele richtlijn die ooit werd neergeschreven. ‘Handel zo dat het maxime van jouw handeling door je wil tot algemene wet verheven zou kunnen worden.’ De plicht om er als mens ‘te zijn voor anderen’ is onvoorwaardelijk en vervalt niet omdat iemand geen rechten kan doen gelden op andermans hulp. Het is de eerste opstap naar een universele moraal waarin de unieke rechten en vrijheden van elke mens erkend worden. Wat later volgde, was niet zozeer een filosofisch weerwerk tegen het kantiaanse denken, maar wel een regelrechte (vooral politieke) aanval op de uitwassen van de Franse Revolutie met haar universele aspiraties. Die verwevenheid tussen wijsbegeerte en politiek wordt in het boek van Vermeersch en Braeckman het best verwoord in hun omschrijving van ‘de ideologieën’. De eerste was het liberalisme – het was in Spanje dat de eerste voorstanders van individuele vrijheid in het begin van de negentiende eeuw de politieke partij Liberales oprichten, dus met verwijzing naar het woord liberaal. In hun beschrijving van het liberalisme gaan de auteurs wel heel kort door de bocht door zo te focussen op de uitsluitend materialistische preoccupatie ervan op het economische. Dat klopt niet. Ze hebben het over de onzichtbare hand van Adam Smith maar vergeten zijn beruchte The Theory of Moral Sentiments, en John Stuart Mill zag meer dan ze aangeven een opdracht voor de overheid om te komen tot meer vrijheid en rechtvaardigheid. Het liberalisme is altijd meer geweest dan een economische doctrine; in de eerste plaats was het vooral een emancipatiebeweging. In die zin is het verkeerd te stellen dat zogenaamde neoliberalen ‘teruggrijpen’ naar klassiek liberale denkers. Die laatsten hebben, in tegenstelling tot neoliberalen en libertariërs, de overheid immers steeds als een middel gezien om mensen kansen te geven en zich vrij te ontplooien. Denk bijvoorbeeld aan hun strijd voor publiek onderwijs. Even onbegrijpelijk is hun kwalificatie van Karl Popper als ‘een latere conservatief’. Meer dan wie ook hamerde Popper op de voortdurende strijd om allerlei vormen van onrecht weg te ruimen, ons te verzetten tegen verstarring en op te komen voor een open samenleving waarin het individu niet langer ondergeschikt zou zijn aan geloof, tradities, gewoontes, een volk of een ras. Wel juist is dat hij geen revolutie predikte maar koos voor een geleidelijke weg van verandering. Het was ook Popper die zich kantte tegen het conservatisme dat uitgaat van elke vorm van historicisme. Zijn falsificatiemethode vormt juist het tegendeel van elke vorm van behoudsgezindheid en is inherent een progressieve attitude. Zo bleef hij ook een kritische geest tegenover elke waarheidsclaim, zowel door een geloof als door de rede. Dat laatste was vooral belangrijk tijdens de periode waarin het sciëntisme, namelijk de overtuiging dat wetenschap de oplossing van alle problemen en alle mysteries kan bieden, een steile opgang maakte. Het was Nietzsche die wees op de onpeilbare diepte van de vreselijke gevolgen van bepaalde wetenschappelijke ontdekkingen. In die zin is ook de ambivalente houding van Albert Einstein zo interessant die de Amerikaanse president Roosevelt eerst aanmaande om op te schieten met de ontwikkeling van de atoombom, en er nadien spijt van had omdat hij meer dan wie ook besefte welk gruwelijk monster de wetenschap had voortgebracht. ‘De mens is slaaf geworden van zijn eigen kennis’, aldus Adorno, waarmee hij het optimisme van de Verlichting een klap toebracht. En toch was het Popper die ons voorhield om optimist te blijven, en stelde dat de idealen van de Verlichting nog steeds waardevol en actueel zijn. Zo belanden de auteurs bij het postmodernisme en stellen ze dat ‘een universele ethiek, die gegrond kan worden in een universeel mensbeeld (christendom, Kant, humanisme), niet mogelijk (is)’. En wat verder schrijven ze dat absolute normen niet bestaan omdat er geen tijdloze ethiek bestaat. Het lijkt me een te relativistische stelling die voorbij gaat aan het groeiende besef dat we allemaal één zaak gemeen hebben, namelijk het wereldburgerschap, en dat we als mens, vanuit de rede, zelf morele wetten in stenen moeten beitelen. Dat er niets universeel zou bestaan wordt immers tegengesproken door de moraalwetenschappen zelf. Zo bestaat er een universele afkeer voor het onvrijwillig ondergaan van pijn. Daar bestaat zelfs een empirisch bewijs van: elke vrouw maakt tijdens de bevalling endorfines aan om de pijn te temperen. Er bestaat dus een universeel verzet tegen onvrijwillig leed. Net uit dat feit kunnen we ook universele regels afleiden zoals de gelijkwaardigheid van elke mens en het recht op zelfbeschikking. Daarmee ontken ik niet het bestaan van normen en waarden die afhankelijk van lokale noden verschillend zijn, en in andere omstandigheden als totaal immoreel zouden worden ervaren. Maar de richting is duidelijk: er zijn morele richtlijnen die niemand, die geen enkel plaatselijk gebruik en die geen enkele gewoonte kunnen opzij schuiven. De meeste handboeken over de geschiedenis van de filosofie stoppen hier. Maar dat doen Vermeersch en Braeckman niet. Het meest interessante deel handelt over de bio-ethiek als toegepaste moraal. Daarbij wijzen ze op de gevoelens van angst onder mensen over de enorme mogelijkheden die hier voor het grijpen liggen en die ingaan tegen traditionele waarden. Zo hebben heel wat mensen schrik van een mogelijke manipulatie van het menselijke genoom, alhoewel wetenschappers goed beseffen welke mogelijkheden dit biedt om genetische ziektes te vermijden. De gedachte dat wetenschappers ‘ideale’ mensen zouden kunnen scheppen, is terecht onverdraaglijk. Maar dat hoeft het niet te worden. Het is aan de mens zelf welke weg we op dit vlak inslaan. In feite komt het neer op diezelfde vraag als waar Kaïn en Abel mee geconfronteerd werden. Of we slaan elkaar de kop in, of we gebruiken onze kennis om het goede te doen. Zo ook ten aanzien van dieren. Vermeersch en Braeckman zijn in ons land de voornaamste pleitbezorgers (in de academische wereld) voor dierenrechten. Het is immers de logische voortzetting van de verantwoordelijkheid van de mens voor andere levende wezens die pijn kunnen lijden. De rivier van Herakleitos staat inderdaad niet stil, en zal ook nooit stilstaan. Dat betekent dat de mens ook voortdurend zijn ethische uitgangspunten in vraag moet stellen. Met het utopische doel om zo een wereld zonder lijden te creëren.
Etienne Vermeersch en Johan Braeckmen, De rivier van Herakleitos, Houtekiet, 2008. Etienne Vermeersch en Johan Braeckman Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|