Mijn Latijns Amerika

boek zaterdag 06 maart 2010

Mario Vargas Llosa

Mario Vargas Llosa wordt algemeen beschouwd als een van de meest toonaangevende schrijvers en denkers van onze tijd. Al jaren is hij samen met Claudio Magris en Amos Oz een belangrijke kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur. Hij is niet alleen een begenadigd romancier en toneelschrijver maar ook een geëngageerde columnist die actief deelneemt aan het maatschappelijk debat en regelmatig publiceert in kwaliteitskranten als El Païs en Le Monde. In zijn boek Mijn Latijns Amerika toont hij zijn passie voor dit complexe, tragische en fantastische continent waarin hoop en wanhoop, rijkdom en ellende, geluk en tragiek zo met elkaar vervlochten zijn. In 140 korte essays over de meest uiteenlopende onderwerpen – zoals revolutie, fotografie, volkstaal, voetbal, film, dictaturen, landschap, schrijvers, geschiedenis, humor, reizen, schilderkunst, enzovoort – graaft Mario Vargas Llosa naar de ziel van de bewoners van dit continent. Daarbij betoont hij eer aan zowat alle grote Latijns Amerikaanse kunstenaars die bijdroegen tot de enorme culturele creativiteit die dit werelddeel zo kenmerkt en waarvan de impact bijzonder groot is. Vooral zijn collega-auteurs krijgen heel wat lof, zelfs diegenen waarmee hij om politieke of maatschappelijke redenen overhoop lag of ligt. ‘Alle goede literatuur plaatst fundamentele vraagtekens bij de wereld waarin wij leven’, aldus de auteur die daarmee het enorme belang van het schrijverschap benadrukt.

Die stelling van Mario Vargas Llosa is niet toevallig. Na de verovering door de Spanjaarden van de nieuwe (Amerikaanse) wereld verbood de inquisitie elke roman. Geen enkele Latijns Amerikaan mocht nog fictie schrijven. Daarmee hoopten de verdedigers van het katholieke geloof elke aantasting van hun gezag en van hun opgelegde katholieke normen en waarden aan de ‘onderontwikkelde’ indianen tegen te houden. Het gevolg was dat de mythen en verhalen niet in boekvorm maar mondeling werden doorgegeven, met als gevolg dat fictie en werkelijkheid door elkaar begonnen te leven. Sterker nog, de fictie drong door tot in alle sectoren van het leven. Het is, aldus de auteur, een van de belangrijkste redenen waarom Latijns Amerika op politiek en economisch gebied ‘zo onbekwaam en weinig realistisch’ is. Hiermee wijst Vargas Llosa op een van de meest dramatische ontwikkelingen in dit continent. Het feit dat de vroegere kolonies, de Latijns Amerikaanse landen, na de verovering van hun onafhankelijkheid op de Europese machten niet in staat waren om stabiele democratieën te vormen, maar steeds opnieuw verdeeld geraakten door nationalistische en populistische tendensen. Het resultaat was oorlog waardoor grote massa’s arm en kwetsbaar bleven.

Die mythen zorgden er intussen wel voor dat ze het vuur van Vargas Llosa’s verbeelding ‘roodgloeiend opstookten’, hoewel die voor een schrijver nooit allesbepalend werkt maar meedeint op zijn persoonlijke ervaringen – vandaar dat bijna geen enkele roman losstaat van de realiteit. En hij verwijst naar zijn boek De geesten van de Andes waarin hij een geval van kannibalisme beschrijft, gepleegd door eenvoudige mensen. Dit boek kwam er na zijn deelname als lid van een onderzoekscommissie aan een armzalige streek in Peru waar de maoïsten van Het Lichtend Pad de boeren terroriseerden en vermoordden. Toen besefte Vargas Llosa de waanzin van het terrorisme. Net als Karl Popper, was hij in zijn jeugd lid van een communistische organisatie, maar net als de auteur van De open samenleving en haar vijanden, keerde hij er zich van af. Op de universiteit was hij lid van een communistische splintergroep. ‘We waren nogal sektarisch, maar we handelden uit idealisme, gedreven door een vurig verlangen om een eind te maken aan de onderontwikkeling, de onrechtvaardigheid en het despotisme in Peru.’ Later zou de schrijver inzien dat het communisme en socialisme geen haar beter waren dan het fascisme en andere vormen van totalitarisme. En hij beschrijft hoe hij finaal geconfronteerd werd met de dubbelzinnigheid, de orthodoxie en de valse dogma’s dat hij ‘het kwezelachtige links’ toeschrijft.

De ommekeer kwam er met de affaire rond de Cubaanse dichter Heberto Padilla die zich kritisch had uitgelaten over Fidel Castro en daarom in de gevangenis belandde. Nochtans had Vargas Llosa veel sympathie voor de Cubaanse revolte die hij zag als ‘het eerste tastbare bewijs dat het socialisme in onze landen realiteit kon worden en bovendien het eerste bewijs dat het socialisme, naast een rechtvaardige herverdeling van de rijkdom en de invoering van een humaan sociaal systeem, verenigbaar kan zijn met de vrijheid’. De pijnlijke waarheid werd hem echter nadien duidelijk. De socialistische heilstaat was net als het fascisme een aberratie, een waanzinnige vergissing, een valkuil voor alle mooie menselijke principes, het tegendeel van vrijheid en rechtvaardigheid. Het siert Vargas Llosa dat hij zijn fout uit het verleden heeft toegegeven, dit in tegenstelling tot salonsocialisten zoals Harry Mulisch en Steve Stevaert die tot op de dag van vandaag weigeren in te zien dat Castro van Cuba een dictatuur maakte waarin vrijheid en mensenrechten van geen tel zijn. En alhoewel hij een merkwaardig eerbetoon schrijft voor Che Guevara lees je door de zinnen heen dat diens heldhaftigheid alleen maar tragisch is. Che inspireert niet meer, zo schrijft Vargas Llosa, en het socialisme heeft het intussen moeten afleggen voor de liberale democratie. De ‘oude’ socialisten in Latijns Amerika blijven intussen verweesd achter en blijven minachtend tegenover de democratie, vrije verkiezingen en de mensenrechten. ‘Dat heeft de politieke modernisering van Latijns Amerika met minstens twintig jaar vertraagd.’

Intussen heeft het liberalisme de wereld veroverd. Francis Fukuyama beweerde zelfs dat de liberale democratie het ideologische pleit gewonnen had. Maar Vargas Llosa schreef in 1992 al dat er geen reden was voor zelfgenoegzaamheid. Want een democratie leidt bij heel wat burgers tot een evidentie, tot berusting en tot onverschilligheid. De teleurstelling over het messianisme en het collectivisme hebben bij heel wat jongeren geleid tot ‘de verdwijning van het idealisme en zelfs van iedere politieke belangstelling’. Sterker nog, hoe succesvoller democratieën zijn, hoe kwetsbaarder ze zijn ‘voor confrontaties met nieuwe en gevaarlijker uitdagingen’, zo schrijft Vargas Llosa die het in andere essays heeft over het gevaar van het populisme en het islamitisch fundamentalisme. In vele Latijns Amerikaanse landen zijn tal van populisten aan de macht gekomen die vrijheid en rechtvaardigheid beloofden maar finaal alles om zeep hielden. Daar weet de auteur, die in 1990 zelf presidentskandidaat was, alles van. Hij werd verslagen door Alberto Fujimori die het land in een chaos achterliet en omwille van corruptie het land moest ontvluchten. En van religieus fanatisme moet hij al evenmin weten want die zadelt mensen vanaf hun jongste jaren op met stompzinnige angsten.

De reden waarom Latijns Amerika nog zoveel armoede kent, is volgens Vargas Llosa te wijten aan een gebrek aan liberale hervormingen, aan de geldverslindende publieke sector (die slecht werkt), aan het voortduren van monopolieposities en andere belemmeringen van de vrije markt, en vooral aan het ontbreken van programma’s die gericht zijn op bezitsvorming onder armen. Decennialang hebben corrupte leiders voorgehouden dat nationaliseringen en collectief bezit zouden leiden tot meer welvaart – iets wat Chavez in Venezuela opnieuw beweert – maar dat klopte nooit. Hij verwijst naar Haïti, ‘het meest onderontwikkelde land op het westelijke halfrond’. Net het omgekeerde moet gebeuren, namelijk het toekennen van eigendomsrechten aan armen en het wegnemen van belemmeringen voor privaat initiatief (zoals voorgesteld door zijn landgenoot en econoom Hernando de Soto). In zijn essay over Kola Real, een lokale frisdrankproducent die de Amerikaanse Coca-Cola reus succesvol naar de kroon steekt, toont aan dat privaat initiatief en het openstellen van markten succesvol kunnen zijn, en dat het dus een flagrante leugen is dat grote internationale ondernemingen kleine bedrijven onmogelijk maken, tenzij corrupte of onbekwame regeringen dat toelaten. ‘Een land dat zich in zichzelf keert, in plaats van zich open te stellen voor de rest van de wereld, veroordeelt zichzelf tot stagnatie en onderontwikkeling’, schrijft hij. Nochtans is het dat, in naam van de vermeende ‘nationale soevereiniteit’ wat populisten van links en van rechts voortdurend bepleiten.

Vargas Llosa brengt een opvallend eerbetoon aan Jorge Luis Borges die niet ‘achter de tralies van een nationale traditie gevangenzat’, aan de schilder Fernando Botera die stierengevechten uitbeeldde en daarmee de laagste instincten van de mens ‘die alleen door vernietiging en bloedvergieten te bedaren zijn’, aan Gabriel Garcia Marquez (hoewel hij die ooit met zijn zuiders temperament een blauw oog sloeg) voor zijn ‘weergaloos heldere en rake voorstelling van de morele hulpeloosheid van de Latijns-Amerikaanse mens’ in zijn indrukwekkende boek Honderd jaar eenzaamheid, aan de artieste Frida Kahlo die ondanks de vele tegenslagen in haar leven een indrukwekkend oeuvre schilderde vanuit de wil om te overleven, aan Pablo Neruda wiens werk ‘eeuwigheidswaarde heeft en de lezers van toekomstige generaties net zo (zal) betoveren als die van onze generatie’, aan Cabrera Infante die als een van de weinigen nooit gezwegen heeft over ‘de substantiële leugen waarop het regime van Fidel Castro is gebaseerd’, aan Octavio Paz die nooit bezweken is ‘voor de sirenenzang van het marxisme’. En zo gaat het honderden bladzijden door en groeit het besef bij de lezer dat dit roerige continent inderdaad krachtige persoonlijkheden heeft afgeleverd. Vargas Llosa bewondert hun non-conformisme en oprechtheid. Het is de reden waarom hij zich ook afzet tegen de idolatrie voor het verleden, de hunker naar de vermeende zuiverheid van een volk, en de rehabilitatie van de oude lokale gebruiken zoals die van de Inca’s. Daarvoor heeft hij nooit sympathie gehad. Het Incarijk was immers ‘een gereglementeerde, bureaucratische samenleving van mierenmensen, waarin elke individuele persoonlijkheid werd vermorzeld’.

Vandaar zijn ambivalentie tegenover de kritiek op de viering in 1992 van de vijfhonderdste verjaardag van de ontdekking van Amerika door Columbus. Uiteraard leidde dit tot niet goed te praten moord en geweld, maar er bestaat ook een keerzijde. Vanaf dan begon de moderne tijd, schrijft Vargas Llosa, want de geschiedenissen van de volkeren die tot dan toe geen contact hadden met elkaar vloeiden samen in één geschiedenis wat uitmondde in ‘de mars van de mensheid naar een universele beschaving’. En daar is hij zelf een product van, kijk naar zijn twee achternamen. Hier ligt de reden van zijn grote afkeer voor het nationalisme, het provincialisme en het racisme dat hij omschrijft als ‘een stompzinnig menselijk verzinsel’. Vandaar ook zijn bewondering voor het Europese project, de Europese Unie die erin slaagde om de oude nationale tegenstellingen te overbruggen. Alhoewel hij niet blind is voor de heropleving van populistische en particularistische tendensen die de ‘terugkeer naar het eigen volk’ prediken, vreemdelingenhaat aanwakkeren en van hun land ‘een voor immigranten hermetisch gesloten fort willen maken’. Het is goed dat een buitenstaander ons nog eens uitlegt waarom Europa belangrijk is, en waarom we geen nieuwe grenzen moeten bouwen, maar nog steeds bestaande (mentale) grenzen moeten doorbreken.

Dit boek is niet alleen een ode aan Latijns Amerika waar de auteur zo van houdt, maar tegelijk een ode aan de vrijheid en de democratie. In een bijzonder heldere taal maakt hij ons duidelijk dat we alert moeten blijven en de Verlichtingswaarden moeten blijven nastreven. ‘Het leven in een vrije maatschappij, geregeerd door rechtvaardige wetten, (is) geen vertrekpunt maar een eindpunt, een doel dat wordt bereikt door tolerantie te betrachten en in harmonie samen te leven, kritiek te ontvangen en te geven, en vooral door als burger niet in te gaan op de lokroep van het onmogelijke.’ Vargas Llosa heeft het over de superioriteit van de vrijheidscultuur, waarmee hij ingaat tegen het normen en waarden verhaal van religieuze obscurantisten die de mens opnieuw willen knechten, tegen het antiglobalisme van neo-marxisten, en tegen het monoculturalisme van populisten. Iedere schrijver is een opstandige mens, aldus Vargas Llosa, iemand die niet tevreden is met de wereld waarin hij leeft. Dit boek is er het sprekende voorbeeld van.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Mario Vargas Llosa, Mijn Latijns Amerika, Atlas, 2009

Mario Vargas Llosa

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

4de Karl Popperlezing met Hans Achterhuis

Deze lezing vindt plaats op dinsdag 5 oktober om 20u in het Liberaal Archief, Kramersplein 23 te Gent. Na de lezing is er een receptie. Toegang is gratis, maar gelieve wel in te schrijven op verhofstadt.dirk@telenet.be.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be