Mei 1940: België op de vlucht

boek vrijdag 14 mei 2010

Misjoe Verleyen en Marc de Meyer

Op 10 mei was het exact zeventig jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog voor België begon. In de vroege ochtend van die dag landden Duitse luchtlandingstroepen op het dak van het fort van Eben-Emael bij de samenvloeiing van het Albertkanaal met de Maas. Nog geen dag later gaf het garnizoen van de sterkste vesting ter wereld zich over. De overval was evenwel slechts een klein onderdeel van het offensief van nazi-Duitsland tegen Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk. Terwijl Britse en Franse troepen zich oostwaarts spoedden, vluchtte een aanzienlijk deel van de Belgische bevolking in paniek naar het westen, evenzeer opgejaagd door het snel oprukkende Duitse leger als door de angst om, net zoals in augustus 1914, door de vijand te worden doodgeschoten. In die eerste maand van de Grote Oorlog waren immers duizenden onschuldige burgers voor francs-tireurs aangezien en vervolgens afgeslacht.

Terwijl Misjoe Verleyen en Marc de Meyer in Mei 1940: België op de vlucht in de eerste plaats getuigen van die chaotische volksverhuizing aan het woord laten, concentreert Peter Taghon zich in Mei 1940: De 18-daagse veldtocht in woord en beeld op de krijgsontwikkelingen. Beide boeken samen geven een uniek beeld van een onvergetelijke maand in de Belgische geschiedenis van de twintigste eeuw. ‘Mijn man is aan het front. Ons zoontje is zes, ons dochtertje is geboren op 2 mei 1940. Ze weegt nog geen drie kilogram. Ik vertrek met mijn twee kinderen. De baby in de koets, mijn zoontje met zijn armpje aan de stang gebonden, een koffer en wat te eten boven op de koets. Ik kan geen borstvoeding geven, dus neem ik alle melk mee die we thuis hebben.’ Aan het woord is de 25-jarige Sibérie Buchet uit Gosselies. Verleyen en De Meyer ruimen van meet af aan een plaats in voor getuigenissen van vluchtelingen. Tien mei mag dan een zonnige dag geweest zijn (er waaide weliswaar een schrale oostenwind die het enkel aangenaam in de zon en uit de wind maakte), het was ook een dag waarop voor miljoenen landgenoten een grote tragedie begon. Hoewel de Belgische regering haar plannen voor de evacuatie van de burgerbevolking had laten vallen en iedereen had aangeraden om thuis te blijven, zitten de wegen naar het westen al snel verstopt door een stroom van kinderwagens, paarden- en hondenkarren, auto’s en fietsen. Dorpen en steden lopen leeg, gevangenissen, kloosters en ziekenhuizen worden ontruimd. Sommige steden, zoals Bouillon, worden zelfs verplicht geëvacueerd.

De auteurs beperken zich niet tot getuigenverslagen. Omdat die vaak dezelfde taferelen beschrijven, worden ze vaak pas pakkend door een saillant detail. Zo ziet iemand een stel langs de kant van de weg met niets anders bij zich dan een kanarie. Andere vluchtelingen verzamelen meikevers, die ze met trossen tegelijk uit de hagen schudden en ze vervolgens aan de boeren verkopen: die draaien de kevers immers door hun bietenmolen en geven ze vervolgens als voer aan de varkens. En mevrouw Vandandemard uit Leopoldsburg noteert: ‘De massa is stil, doodstil. Een stilte die naar de keel grijpt in die donkere nacht.’ Het boek krijgt nog meer kracht door de vermenging van de mondelinge en schriftelijke getuigenissen met een snedig verteld overzicht van de politieke en militaire ontwikkelingen. Hier zijn Verleyen en De Meyer op hun best. Ze hebben oog voor de kleinste details (met soms grote gevolgen), ze volgen de stappen van de Belgische regering, koning Leopold III en de legerleiding op de voet, en ze hebben een fijne neus voor zowel de gruwel als de absurditeit van de oorlog. Zo worden uit angst voor spionnen en saboteurs de 34.608 reclameborden van de chicoreifirma Pacha in het hele land systematisch verwijderd, omdat men denkt dat die de Duitse troepen de weg wijzen.

Het is niet onlogisch dat historici het exacte aantal geconfisqueerde Pacha-borden (Eens geschonken, altijd gedronken) kennen, maar geen uitsluitsel kunnen geven over het aantal vluchtelingen. Volgens Verleyen en De Meyer zocht de helft van de Belgen een goed heenkomen in het westen van het land en het noorden van Frankrijk. Uiteraard heeft niemand een telling gedaan. In elk geval zouden er bij de volksverhuizing 6.500 doden zijn gevallen. De meesten kwamen om door bombardementen en beschietingen of wanneer ze in de vuurlinie tussen de geallieerden en de Duitsers terechtkwamen. De telling wordt voorts bemoeilijkt door het gedrag van de vluchtelingen zelf. Gruwelverhalen over met lijken bezaaide straten, plunderingen en standrechtelijke executies zetten velen aan om op hun beurt hun heil in de vlucht te zoeken. De geruchtenmolen draait zozeer op volle toeren dat bijna een half miljoen Brusselaars tegen 14 mei de hoofdstad heeft verlaten.

Wanneer vluchtelingen door Duitse troepen worden ingehaald, merken ze snel dat de vijand geen kwade bedoelingen heeft en hen zelfs eten en drinken aanbiedt. Alleen in het Oost-Vlaamse Vinkt loopt het op een bloedbad uit. Omdat de Belgische soldaten de divisie van generaal Schaumburg op die plaats aan het Leiefront zware verliezen toedienen, hervallen de Duitsers in hun Heckenschütze-psychose van de Grote Oorlog en executeren er tientallen onschuldige mannen. De chaos op de wegen weerspiegelt zich in de chaos op bestuurlijk niveau. Eerst op 16 mei raadt premier Pierlot - op aandringen van de koning - in een radioboodschap de bevolking aan om thuis te blijven. Hoewel Verleyen en De Meyer bondig maar zorgvuldig verslag doen van elke politieke stap, delen ze geen verwijten uit. Het is een doeltreffende tactiek. De lezer kan zo zelf wel uitmaken waar de politiek en het leger blundert en zo het lot van de vluchtelingen alleen maar schrijnender maakt.

Eind september is zo goed als iedereen weer thuis. De repatriëring verloopt redelijk vlot. Zo zet het Rode Kruis 35.000 bussen en 730 treinen in om de vluchtelingen uit Frankrijk terug te halen. Alleen de Crabs vergaat het minder goed. De term is een acroniem voor Centre de Recrutement d’Armee Belge. Een deel van deze rekruteringsreserve - zo’n 300.000 mannen tussen 16 en 35 jaar die geen militaire dienst deden – is in het zuiden van Frankrijk beland, waar ze vervolgens de kerkelijke en politieke overheden grote zorgen baart door ‘rapporten over drankgebruik, prostitutie en propaganda van links gedachtegoed.’

Bij hun thuiskomst moeten velen tot hun afgrijzen constateren dat hun huis is vernield of geplunderd. In Mei 1940: de 18-daagse veldtocht in woord en beeld wordt echt duidelijk hoeveel schade de oorlog heeft veroorzaakt. Dorpen en steden zijn in puin geschoten of platgebombardeerd, en overal zijn bruggen, kerktorens en binnenschepen vernield. Peter Taghon heeft meer dan alleen een kennersblik. Het boek, aldus de auteur, is ‘de vrucht van een levenslange, niet-aflatende gepassioneerde belangstelling voor wat in mei 1940 gebeurde.’ Die belangstelling uit zich in de eerste plaats in zijn expertise van alles wat met legermaterieel te maken heeft. Wie precies wil weten welke voertuigen, uniformen en schiettuigen in die meidagen door België zijn getrokken, komt hier ongetwijfeld aan zijn trekken. Ook de beschrijving van de gevechtsacties, die uur na uur en dag per dag worden gevolgd, getuigt zowel van zijn enthousiasme als van zijn grote kennis van zaken.

Wie het gruwelijke gezicht van de oorlog wil zien, moet daarentegen geduld hebben. Zeker, de meeste foto’s zijn haarscherp en veelzeggend, maar omdat ze haast allemaal door de Duitse Propaganda Kompanien zijn geschoten, lijkt de oorlog vaak ver weg. Soldaten lachen, ze behandelen de krijgsgevangenen wellevend en ze trekken gedisciplineerd door stad en land. Gelukkig heeft Taghon bij zijn speurtocht naar pregnante foto’s in Duitse, Britse en Franse archieven of in het bezit van oud-soldaten ook beslag kunnen leggen op schokkende beelden. Zo duikt een foto op van drie gesneuvelde Duitsers en een andere van een Duits veldhospitaal vol doden en gewonden. De slachting in Vinkt ontbreekt evenmin. Hier delven mannen hun eigen graf of wachten ze met hun handen op hun rug gebonden op hun executie. Beelden die beklijven.

Het moet voor Taghon een hele heksentoer zijn geweest om de foto’s te lokaliseren. Uit zijn commentaar valt af te leiden dat hij heel België is doorgereisd om na te gaan waar de foto’s precies werden genomen. Uiteraard zal een lezer die zijn streek als zijn broekzak kent ontdekken of de auteur gelijk heeft of niet. Vergissingen zijn daarom onvermijdelijk. Zo verbroederen Britse en Belgische soldaten op bladzijde 19 aan de spoorwegbrug over de Leuvensestraat in Vilvoorde en niet aan de brug over het kanaal, zoals de auteur lijkt te denken. En op bladzijde 121 staat er geen lange Duitse file aan de pontonbrug over het kanaal in Willebroek, maar aan de schoensmeerfabriek ça-va-seul aan de Schaarbeeklei in Vilvoorde. Wie komt op het spoor van andere vergissingen? De werkelijke toedracht ontdekken is een boeiend neveneffect van het boek.

Mei 1940 was het begin van vier en een half jaar Duitse terreur en willekeur. Zowel Verleyen en De Meyer als Taghon hebben ieder op hun manier die eerste maand van de bezetting op treffende wijze uitgebeeld. Wie wil weten hoe België de schok van de Duitse inval verwerkte, kan zich geen betere gidsen wensen.


Recensie door Joseph Pearce

Deze recensie verscheen eerst in 'Uitgelezen', de boekenbijlage van De Morgen.

Misjoe Verleyen en Marc de Meyer, Mei 1940: België op de vlucht. Manteau, Antwerpen, 272p., €19,95. - Peter Taghon, Mei 1940: de 18-daagse veldtocht in woord en beeld. Lannoo, Tielt, 238p., €24,95.

Misjoe Verleyen en Marc de Meyer

Links
mailto:joseph.pearce@telenet.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be