Net zoals de islam vandaag vaak vormen aanneemt die moreel verwerpelijk zijn en die, hoe men het ook draait of keert, tot de essentie van die religie behoren, zo was ook in de loop van de geschiedenis het katholicisme geïnfecteerd met allerlei antihumane karakteristieken. Het is een fenomeen dat eigen is aan elke godsdienst. Dat het katholicisme en het protestantisme vandaag ook door niet-gelovigen aanvaard worden, is gewoon te danken aan de laïcisering, de liberalisering en de modernisering ervan. Het katholicisme, het protestantisme en het jodendom leveren hier en daar nog wel achterhoedegevechten maar in zijn algemeenheid kan men toch stellen dat er niet onmiddellijk een gevaar van uitgaat, ook niet in zijn christelijk- of joods-fundamentalistische vormen, hoe stuitend die ook zijn. De seculariseringspotentie van die religies is immers enorm veel groter dan die van de islam. Nog niet zo lang geleden echter was dat wel even anders. Eén van de afgrijselijkste historische vormen die het christendom ooit aannam was het anti-judaïsme (strikt genomen is de term ‘antisemitisme’ niet helemaal correct), een abjecte instelling die door de geschiedenis heen honderdduizenden joden het leven kostte. Het is een bekend verhaal maar in Rome wordt men niet graag herinnerd aan de meest recente uitgave van dat anti-judaïsme, namelijk de judeocide voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog waarvan het bedje gedurende bijna tweeduizend jaar gespreid was door het theologisch goorste anti-judaïsme denkbaar. Dat de moord op miljoenen joden gefaciliteerd werd door dat christelijke anti-judaïsme, de opportunistische houding van het Vaticaan en het overdonderende stilzwijgen van Pius XII, is de klemmende these van Dirk Verhofstadts 512 bladzijden tellende boek Pius XII en de vernietiging van de Joden (Houtekiet/Atlas). Het werk kan als een tribunaal worden opgevat dat een coherent, systematisch en wetenschappelijk licht werpt op een periode die al wel detailsgewijs en in zijn algemeenheid gethematiseerd werd maar die nooit een dergelijke exhaustieve aandacht kreeg. Dirk Verhofstadt toont zich in dezen een rasecht historicus voor wie de bronnen heilig zijn en die slechts conclusies trekt bij een overvloed aan evidentie, maar tegelijk zindert door het hele werk heen zijn verontwaardiging en zijn verbijstering. Het sterke aan deze bittere aanklacht is dan ook dat deze twee attitudes, de wetenschappelijke van de historicus en de verontwaardiging van de humanist, elkaar nergens voor de voeten lopen. Niet alleen behandelt de auteur de primaire en secundaire bronnen over de judeocide (deze term is, zoals bekend, neutraler dan het religieus geïnspireerde Holocaust), maar hij put voor een zeer groot deel uit de Actes et Documents du Saint Siège relatifs à la Seconde Guerre Mondiale, de volledigste collectie documenten van het Vaticaan die tot op heden werd verzameld, ook al is die nog steeds niet volledig. Dat helse karwei op zich alleen al rechtvaardigt dit boek: nergens immers zal men vandaag een compendium over deze materie vinden dat vollediger en sluitender is dan dit intellectuele huzarenstukje van Dirk Verhofstadt. En het komt op tijd: de meest besproken paus uit de wereldgeschiedenis dreigt binnen afzienbare tijd immers zalig en heilig verklaard te worden. Wie het boek van Dirk Verhofstadt met rode oortjes heeft gelezen zal absoluut de motivatie niet begrijpen van historici en theologen als Michael Burleigh, Hans Jansen, Patrick Gallo, Pinchas Lapide e.t.q. die nog altijd blijven volhouden dat de zwijgende paus en toenmalig hoogste morele leider van de wereld een grote bekommernis tentoonspreidde ten opzichte van de joden. In de mildste interpretatie kan men gewagen van opportunisme van de kant van het Vaticaan, maar Verhofstadts boek maakt ten overvloede duidelijk dat naast opportunisme eerder onverschilligheid, machtsbehoud en afkeer van de joden een rol speelden in de houding van Pius XII en zijn voorgangers. Daarvan zijn de voorbeelden die hij aangeeft overweldigend en onbetwijfelbaar. Toen hij in 1939 tot paus verkozen werd, schortte de vroegere Pacelli de publicatie op van een brief tegen racisme en judeofobie die zijn voorganger had voorbereid, en in december 1942 tekende hij de geallieerde verklaring niet die de uitroeiing van de joden veroordeelde. Nooit gaf deze paus aan zijn bisschoppen en kardinalen richtlijnen hoe ze zich moesten gedragen ten opzichte van de uitroeiing van de joden en andere gestigmatiseerde groepen. De moordzucht van het naziregime was nochtans een gegeven dat al vlug bekend was, zeker omdat over de vervolging, de gewelddadige behandeling en zelfs de afslachting van andersdenkenden, van mentaal en fysiek gehandicapten, van krijgsgevangenen, van homoseksuelen, van getuigen van Jehova, van zigeuners en vooral van joden, vrij en open werd geschreven in de toenmalige pers. Maar zoals bekend, was een en ander ook erg zichtbaar op straat. Ook over het bestaan van de concentratiekampen werd niet geheimzinnig gedaan. Wie het niet wist, wilde het niet weten: Dachau (1933), Oranienburg (1933), Papenburg (1933), Sachsenhausen (1936), Buchenwald (1937), Flossenburg (1938) en Ravensbrück waren stuk voor stuk concentratiekampen die al voor de oorlog in bedrijf waren. In 1940 schreef de Duitse journalist en meest lucide historicus over Hitler, Sebastian Haffner: “In feite weet elke Duitser - en daar gedraagt hij zich naar – dat er concentratiekampen bestaan waar mensen worden mishandeld”. Ian Kershaw bewees dat er onbetwistbaar bewijs voorhanden was van de gruweldaden en de massa-executies waaraan men zich in het Oosten tegen de joden schuldig maakte en dat het ruim verspreid was. Vanaf het begin van de oorlog strooiden de geallieerden ook miljoenen pamfletten over Duitse steden met gedetailleerde informatie over de uitroeiingspolitiek van de nazi’s tegen onder meer de Polen en de joden. Wat elke omstander wist, namelijk dat tegenstanders van welke signatuur ook werden uitgeroeid, zou de paus via zijn vele bronnen en via zijn uitgebreide netwerk van kardinalen, nuntiussen, apostolische vertegenwoordigers en bisschoppen (en daarvan worden er in Verhofstadts boek heel wat opgevoerd) niet geweten hebben! Sterker: het Vaticaan was waarschijnlijk dé plaats waar de meest precieuze informatie naartoe vloeide (p.64). Het is dan ook een gotspe dat er nog steeds historici zijn die de paus als vermoorde onschuld opvoeren en die volhouden dat deze opperste herder heel wat joodse mensenlevens redde. Het extreem gedocumenteerde boek over Pius XII van Dirk Verhofstadt laat van die stelling niets heel en toont aan de hand van tientallen bronnen aan dat het Pius XII aan moreel leiderschap ontbrak, dat hij met enkele interventies vele levens had kunnen redden maar dat hij verkoos de eigen macht te beschermen. Pius XII had nu eenmaal een ergere vijand: het bolsjewisme - en dat spoorde perfect met de nazistische ideologie. Het is zonder meer duidelijk dat zonder de actieve samenwerking van de bevolking het voor de Gestapo vrijwel onmogelijk geweest zou zijn haar rassenpolitiek uit te voeren (Robert Gellately). In het beste geval bleef het volk gewoon onverschillig, maar gezien de complexiteit van de uitroeiingsmachinerie kan men geredelijk stellen dat vele tienduizenden mensen op de hoogte waren van de gruwel. Samen met de passieve medewerking van Pius XII, zijn inerte houding, zijn struisvogelpolitiek en het eeuwenoude anti-judaïsme (Judaeum esse est delictum), was het geïnformeerde omstandersgedrag debet aan de catastrofe. Hoe katholieker ook het land, des te wreder de vervolgingen. Kroatië, Polen, Hongarije en Litouwen zijn hiervan de trieste voorbeelden, al liet ook de evangelische kerk zich niet onbetuigd. Maar dat kan ook niet anders: zesennegentig concilies en honderd veertien pausen hebben in de loop der eeuwen wetten geformuleerd om het joodse volk bespottelijk en belachelijk te maken, om hen te martelen en te verbannen, om hun goederen te onteigenen en hen als paria’s van de samenleving te beschouwen (p.59). De vele, soms extreem wanhopige verzoeken aan de paus om interventie werden haast nooit gehonoreerd en de ontgoochelingen die daarop volgden waren legio: Verhofstadt geeft er in zijn boek tientallen schrijnende voorbeelden van. Hij documenteert ook uitvoerig dat de paus zeer goed wist welke barbaarse gruwelen zich in die landen afspeelden. Wanneer de paus zich een enkele keer toch uitspreekt tegen de vervolgingen is dat op zo’n wollige, vage en terughoudende manier dat men al een kerkelijk exegeet moet zijn om er toch iets positiefs in te willen ontwaren. Maar hoe kan dat ook anders als men met een vorser als Karlheinz Deschner moet vaststellen dat het Vaticaan met zijn politieke katholicisme een doorslaggevende medewerking verleende aan alle fascistische regimes van de jaren twintig, dertig en veertig, waarbij de houding van Pacelli vanaf 1917 – toen hij nog geen paus was – één flirt was met het autoritaire. De enige partij die weerwerk had kunnen bieden aan de waanzin van Hitler en zijn mythisch-religieuze wereldvisie, de katholieke Zentrumspartei (105 zetels in maart 1933!), waarvan de kiezers niet naar Hitler waren overgelopen, werd door Kerk en Vaticaan opgeofferd voor een reeks voordelen voor de katholieke kerk. Op 5 juli 1933 hief de partij zich formeel op en enkele dagen later werd het beruchte concordaat getekend, waardoor talloze Duitse katholieken gerustgesteld werden over het gevoerde nazi-beleid. De ratificatie van het concordaat werd op 10 september gevierd met een dankdienst. Dompredikant pater Marianus Vetter dankte nadrukkelijk voor de overeenkomst tussen de heilige Vader en de Führer ‘die alom bekend was om zijn toewijding aan God en zijn zorg voor het Duitse volk’. Het begon op een traditie te lijken: in 1923 had Pius XI Mussolini al een man genoemd ‘die door de Voorzienigheid is gestuurd’. Tijdens de veelvuldige schendingen van het concordaat kwam vanwege de paus nooit een publieke veroordeling. Heel wat leiders en leden van de Zentrumspartei stapten over naar de NSDAP, slechts een kleine minderheid protesteerde. De Kerk en Hitler waren het ten gronde eens over een sobere en excessieve staatsdiscipline en over zijn onbeperkte macht via het befaamde Ermächtigungsgesetz dat de pathologische dictator in staat stelde het parlement buitenspel te zetten en de rechtsorde af te schaffen. Het was een machtigingswet die overtuigde gelovigen alle wapens uit handen nam: de drieëntwintig miljoen katholieken in het Derde Rijk waren als politieke macht geknipt en geschoren, aldus Christopher Hitchens (p.104). Naar aanleiding van de viering van Hitlers 44ste verjaardag op 20 april 1933 hieven de kerken hun vlaggen, terwijl op 1 april 1933 de joden het slachtoffer werden van de eerste grote boycot. Verklaarden in 1931 een aantal bisschoppen nog dat nationaal-socialisme en katholicisme onverzoenbaar waren, dan tapte men in 1933 uit een heel ander vaatje en werden alle bezwaren tegen de nazi’s opgeheven. De kerk steunde nu het regime en beoefende de aloude hypocriete deugd van de zwijgzaamheid: de volgzaamheid en het schuldig verzuim van de kerk lopen als een rode draad door het twaalfjarig schrikbewind van de nazi’s (p.110). De geloofwaardigheid van het nieuwe regime werd door de kerk en het Vaticaan op alle mogelijke manieren versterkt: op 10 april 1933 ontving Pius XI (de voorloper van Pius XII) nazi-minister Hermann Göring en Von Papen in het Vaticaan, in aanwezigheid van staatssecretaris Pacelli, de latere zwijgpaus. Kardinaal Faulhaber bracht de volgende, wel erg decisieve boodschap, aan de Führer: “Als hoofd van het Duitse Rijk bent u voor ons het door God gevestigd gezag, de rechtmatige overheid, aan wie wij in geweten eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd zijn” (p.121). Van dit soort exercities staan er talloze in Verhofstadts boek. Er staat gewoon wat er staat en slechts een ivoren toren-exegeet of een theologisch bevlogen dichter zal er iets anders in lezen dan wat er werkelijk staat. De kerk werkte ondertussen ook gretig mee aan de toepassing van de rassenwetten van Neurenberg, het identificeren en classificeren van mensen op basis van geloof en ras en aan de schifting van zuiver, minder zuiver en onzuiver bloed. Het Duitse episcopaat vond nu eenmaal dat ras, grond en bloed kostbare natuurlijke waarden zijn die door God de Heer geschapen zijn en ‘waarvoor Hij de zorg aan ons, Duitse mensen, toevertrouwd heeft’ (p.147). Dat gold dan wel niet mentaal en fysiek gehandicapte kinderen die ook door de kerk in de steek werden gelaten. Franz Stangl, hoofdinspecteur van politie, verbaasde zich over de instemming van geestelijken met het ter dood brengen van gehandicapten (p.188-189). Pas in 1941 protesteerde de kerk tegen deze onmenselijke uitwassen en pas in 1943 veroordeelde de paus de euthanasiemoorden. Dirk Verhofstadt analyseert op een verstandig en bezadigd hermeneutische wijze de pauselijke encycliek Mit brennender Sorge uit 1937 (in het Duits gepubliceerd, terwijl alle encyclieken in het Latijn werden gesteld), een dubbelzinnig document dat vaak verkocht wordt als een kritiek van de voorloper van Pius XII op het nationaal-socialisme. Nergens echter wordt in de tekst verwezen naar gebeurtenissen in Duitsland of naar de nazi’s; de woorden jood en jodendom worden geen enkele keer vernoemd en wanneer indirect naar de joden verwezen wordt, gebeurt dat met een volstrekt negatieve connotatie, terwijl in de encycliek Divini Redemptoris, die enkele dagen later verscheen en die gericht was tegen het godloze communisme, wél uitdrukkelijk verwezen werd naar landen als Rusland, Mexico en Spanje waar ‘onmenselijke misdaden’ plaatsgrepen. Zo soft en stroperig als men was ten opzichte van het nazisme zo genadeloos en duidelijk was men in verband met het communisme. Het ligt in de lijn van wat voorafging dat ook tijdens wereldoorlog twee het Vaticaan zijn volslagen onverschilligheid voor het joodse lijden genadeloos voortzette. De Duitse kerkleiders keurden de eenzijdige en onaangekondigde aanval op het katholieke Polen goed, ondanks het feit dat tienduizenden katholieke Polen, onder wie honderden priesters, werden gedood (bijna een vijfde van de Poolse clerus werd vermoord); op 30 september 1939 lieten de Duitse en Oostenrijkse bisschoppen alle kerkklokken luiden om de overwinning van het Duitse Rijk op de Polen te vieren; in het ‘onafhankelijke’ Slowakije, het enige land dat zelf de deportaties organiseerde en Duitsland voor elke afgevoerde jood 500 rijksmark wilde betalen voor onkosten, steunde men voluit de katholieke priester Tiso, die in 1941 hoogstpersoonlijk aan het Oostfront werd verwelkomd (Tiso werd in 1947 opgehangen) en in Kroatië namen tal van katholieke priesters en franciscaner monniken deel aan razzia’s, deportaties en massale moordpartijen met gewone messen, bijlen en vleeshaken. Zelfs de Duitse SS was geschokt door de wreedheid van het katholieke ultranationalistische en antisemitische Ustaša-regime onder leiding van Ante Pavelic (die in 1934 medeplichtig was geweest aan de moord op de Joegoslavische koning Alexander en die de enige leider was die als staatshoofd tijdens de Tweede Wereldoorlog officieel werd ontvangen door zowel Hitler als de paus). In 1941 liet aartsbisschop Stepinac, die door het Vaticaan in 1942 tot vicaris-generaal van het Kroatische leger werd benoemd, op alle kansels een brief voorlezen waarin de katholieke bevolking werd opgeroepen om samen te werken met het regime. In 1953 bevorderde Pius XII aartsbisschop Stepinac, die na een gevangenisstraf van vijf jaar wegens collaboratie weer actief werd als priester, tot kardinaal, en zijn latere opvolger Johannes Paulus II verklaarde de zeer omstreden Stepinac in 1998 zelfs zalig! Het wreedaardige Ustaša-regime mocht ook een speciale gezant afvaardigen bij het Vaticaan waardoor het een respectabel aanzien verwierf. De deportaties van de Hongaarse joden en de Hongaarse Holocaust (judeocide), die zich aan het eind van de oorlog voor het oog van de hele wereld afspeelden, werden na lang aandringen en met veel vertraging aangeklaagd, al was het ook hier: gedoopte joden eerst, en kwam de aarzelende kritiek op een moment dat de meeste joden al lang vermoord waren! De angst voor het communisme zat zo diep dat men altijd de nazi’s verkoos. Na de Tweede Wereldoorlog hielpen heel wat katholieke gezagsdragers de beulen ontsnappen. Zo prees bisschop Hudal zich gelukkig met het feit dat hij in staat was geweest om na 1945 oorlogsmisdadigers te helpen ontsnappen en in oktober 1948 stuurde Pius XII nog een brief aan president Harry Truman waarin hij in navolging van de Duitse bisschoppen genade vroeg voor de overblijvende oorlogsmisdadigers. Kardinaal Von Galen keerde zich tegen de processen van Neurenberg omdat ze in zijn ogen gericht waren op de ondermijning van het Duitse volk. De voorbeelden zijn legio: de strenge opsomming ervan in Verhofstadts boek maakt soms opstandig maar meestal is men zo verbijsterd dat men met een gevoel van niet-begrijpen achterblijft. Wat te denken bijvoorbeeld van de verklaring van de Poolse kardinaal Hlond dat de pogroms tot op zekere hoogte veroorzaakt werden door de joden zélf, een statement waarachter Pius XII zich schaarde! We hadden het al over de angst voor het communisme. Zo werden de misdaden in het door de sovjets bezette deel van Polen door Radio Vaticana uitdrukkelijk aangeklaagd, maar zelden of nooit sprak men over het horrorkabinet en de gruwelpraktijken van de nazi’s. Pius XII bleef zijn diepe genegenheid voor Duitsland uitdrukken en in bepaalde herderlijke brieven werd opgeroepen om te bidden voor ‘onze dappere soldaten’ en voor hun behouden terugkeer ‘na een eervolle overwinning’, en dit terwijl men zeer goed op de hoogte was van wat de nazi’s aanrichtten ten opzichte van de Poolse en joodse Untermenschen. In het Vaticaan echter zweeg Gods plaatsbekleder. En net zoals de kerk tijdens de oorlog wél protesteerde tegen het bolsjewisme en nauwelijks tegen het nazisme, zo was een gelijkaardige houding te constateren in België, waar kardinaal Van Roey de aanslagen van het verzet tegen collaborateurs veroordeelde en zich scherp uitsprak tegen de bombardementen van de geallieerden, maar niet thuis gaf wanneer joden werden gedeporteerd. Met zijn lakse houding, die erop neerkwam nooit openlijk de jodenvervolgingen aan te klagen, sloot de Belgische kardinaal zich in feite aan bij de Vaticaanse ‘politiek van het minste kwaad’ (p.233), maar hij werd op een bepaald moment wel heel even wakker en drukte zijn verontwaardiging uit over de eis van de Duitse bezetter om de kerkklokken in te leveren. Men hield zich, kortom, zowat de hele tijd bezig met de verkeerde dingen. Zo herriep in 1939 Pius XII de veroordeling van de Franse ‘antisemitische’ beweging Action Française door zijn voorganger Pius XI in 1926 en werd de rénovation nationale van maarschalk Pétain toegejuicht. Slechte timing en een kleffe houding ten opzichte van de jodenwetten werden zowat het handelskenmerk van kerk en Vaticaan gedurende meer dan tien jaar, de operatie Barbarossa tegen de Russen werd hartelijk verwelkomd en als een Europese kruistocht tegen het bolsjewistische Untermenschentum geduid, de meeste aalmoezeniers waren loyaal aan Hitler en het enige waaraan de paus kon denken en wat hem alert hield was het afwenden van een mogelijk bombardement op het Vaticaan en het pervers vasthouden aan een inhumane neutraliteit. Ook toen de joden als het ware onder de ramen van het Vaticaan werden weggesleept, kwam er geen woord van medeleven of protest, en na de oorlog werden heel wat joodse kinderen zelfs niet teruggeven aan hun rechtmatige ouders. Eigenlijk kan men stellen dat het Vaticaan vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog geen enkele daad van grootmoedigheid heeft gesteld ten opzichte van de slachtoffers van de nazi-wreedheden maar dat het steeds getracht heeft het eigen hachje te redden en dat het, om het met een understatement uit te drukken, een lichte voorkeur had voor de nazi’s, ook al traden die alle wetten en afspraken, ook die met de kerken, met voeten. Toen Edoardo Senatro, een correspondent van L’Osservatore Romano, aan de paus vroeg waarom hij niet had geprotesteerd tegen de vernietiging van de joden, antwoordde Pius XII: ‘Lieve vriend, vergeet niet, dat er in het Duitse leger miljoenen katholieken zijn. Moet ik hen in een gewetensconflict brengen?’ (p.312). Der Stellvertreter was gewoon een reactionaire lafaard die zelfs na de bevrijding van Rome in juni 1944 niet protesteerde tegen de deportatie van de Romeinse joden. Wie na het lezen van dit boek nog verzachtende omstandigheden tracht aan te brengen, is gewoon te kwader trouw, is een aanhanger van de grote onbeslistheid in het licht van de eeuwigheid of is gewoon betrokken partij. Dirk Verhofstadt laat er echter geen enkele twijfel over bestaan dat individuele katholieken en protestanten – de ‘Kring van Kreisau’ bijvoorbeeld – vele joden hebben gered. Hun handelingen waren nooit gebaseerd op documenten of preken van de officiële kerken want die zwegen in alle talen en met hun omzwachteld en duister theologisch taalgebruik spuiden zij mist naar alle kanten. Pius XII heeft in de dertien jaar van zijn leven na de oorlog de Holocaust nooit expliciet veroordeeld, dit in tegenstelling tot de protestantse kerken die in 1948 hun spijt betoogden en het ‘antisemitisme’ tot een zonde verklaarden. Pius XII veroordeelde door zijn stilte de joden ter dood (Bruno Bettelheim). Ook als zijn protest niets zou hebben uitgehaald, dan had die houding een hoge morele waarde gehad. De kerk sprak echter alleen wanneer haar eigen belangen op het spel stonden, en daarin is zij dus niet anders dan elk machtsinstituut. Ook de huidige paus is in hetzelfde bedje ziek: tot nog toe erkende Benedictus XVI geen enkele algemene christelijke of Duitse medeplichtigheid aan de Holocaust. Het is eigenlijk gewoon een voortzetting van de politiek van zijn voorgangers want die waren haast allen judeofoob. Wie het omvangrijke boek van 512 bladzijden van Dirk Verhofstadt heeft gelezen, blijft zeker niet met vragen zitten wat de verantwoordelijkheid van de kerk en het Vaticaan betreft (dat zouden bepaalde godgeleerden en katholieke historici anders wel graag hebben). De lectuur ervan leidt ertoe dat men zich erg goed realiseert hoe anti-judaïsch en judeofoob de katholieke kerk en haar leider wel waren, hoe reactionair het instituut en hoe laf het dienstpersoneel van het christendom, loffelijke uitzonderingen niet te na gesproken. Het instituut kerk zoals het zich vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog gedroeg, was een incarnatie van de duivel – om het met katholiek-theologisch gezwets te verwoorden, maar zo zal men het hopelijk wel begrijpen in die kringen. Ik mag hopen dat veler ogen worden geopend en dat het vragen van vergiffenis (nog één van die facetten van de kerkelijke ‘core business’) nu eindelijk op de agenda staat en dat men die heiligverklaring laat varen. Het zou een daad zijn van méér dan eenvoudige rechtvaardigheid.
Dirk Verhofstadt, Pius XII en de vernietiging van de Joden, Houtekiet/Atlas, 2008, 512 p. Dirk Verhofstadt Linksmailto:egbert@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|