De la démocratie en Amérique

boek vrijdag 30 april 2010

Alexis de Tocqueville

Wie het wezen van politiek wil vatten moet Niccolò Machiavelli lezen. Wie meer specifiek de moderne democratie wil doorgronden moet Alexis de Tocqueville (1805-1859) lezen, vooral De la démocratie en Amérique (1835/1840). In de gezaghebbende Engelse vertaling van dat werk, openen de vertalers Mansfield & Winthrop hun voorwoord als volgt: ‘Democracy in America is at once the best book ever written on democracy and the best book ever written on America’. Elke hedendaagse Franse en Amerikaanse scholier krijgt het werk voorgeschoteld en bijna alle naoorlogse Amerikaanse en Franse presidenten hebben hem geci-teerd. Nochtans werd nog geen enkel werk van hem volledig vertaald in het Nederlands en Nederlandstalige artikels over zijn werk zijn quasi onbestaande. (1) De la démocratie is een goudmijn voor alle politiek geïnteresseerden, waarvan de ontginning hier nauwelijks is begonnen.

De la démocratie is geschreven in een analytische stijl die glashelder en Angelsak-sisch aandoet, maar van een bedrieglijke eenvoud is. Het is geschreven in hoogwaardig Frans, maar gespeend van metafysica. (2) Claude Lefort noemde graaf de Tocqueville ‘de theoreti-sche grondlegger van het moderne politieke liberalisme’ (1986: 24). ‘Vrijheid is mijn grootste passie’ schreef Tocqueville ooit. Maar in diezelfde notitie schreef hij ook meer aan te leunen bij de conservatieven dan bij de revolutionairen. (3) In ieder geval werd de jonge Alexis beïn-vloed door de Doctrinairen, een groepje liberale royalisten, onder leiding van Pierre Paul Royer-Collard, die de Monarchie wilden verzoenen met de Revolutie. Tocqueville heeft geen ontegensprekelijke voorlopers (misschien Pascal, Montestquieu en Rousseau), noch opvolgers (eventueel Weber, Durkheim en Strauss). Er bestaat ook geen ‘Tocquevillianisme’, want tel-kens hij een grote gedachte had geconstrueerd, nuanceerde hij die vervolgens zelf. Zijn histo-rische verdienste is dat hij diepzinnig het ontstaan en wezen van de moderne democratie heeft geanalyseerd.

Tocqueville begreep als eerste dat democratie veeleer een maatschappijvorm is dan een poli-tiek regime en hij toonde zich wel vaker visionair. Hij voorspelde een bipolaire wereld, ge-domineerd door Rusland en Amerika en stelde dat Amerika niets te vrezen had qua revoluties, met uitzondering van de rassenstrijd tussen blank en zwart. Tocqueville voorzag de bedrei-ging van politieke ideologieën en als parlementslid hield hij op 27 januari 1848 een vurige toespraak om zijn collega’s te wijzen op de alarmerende leefomstandigheden van de arbei-dersklasse. ‘Wij slapen op een vulkaan’ (Tocqueville, 1991: 1130) riep hij wanhopig… Het assemblee protesteerde heel even en dommelde verder in tot op 24 februari 1848 de vulkaan barstte. Louis-Philippe trad af en ontvluchtte Parijs.

Naar Amerika

Alexis de Tocqueville stamde uit een eeuwenoud, adellijk traditioneel katholiek geslacht en vanuit die achtergrond stond zijn familie onder druk na het uitbreken van de Franse Revolutie. Zijn overgrootvader was advocaat van Lodewijk XVI bij diens fatale proces, waardoor hij zelf ook onder de guillotine belandde. Dat lot ondergingen nog meer familieleden van Alexis en toen ook zijn ouders in 1794 in de cel wachtten op hun executie, werd l’incorruptible Robe-spierre onverwacht zelf onthoofd, waardoor Alexis alsnog het levenslicht heeft kunnen zien.

Napoleon zou de orde herstellen, maar Tocqueville beschouwde hem als usurpator, parvenu en megalomaan. Ondanks alle ontsporingen had Alexis begrepen dat de democratie zich in zijn land had gevestigd om er te blijven en dat daaraan diverse consequenties waren verbon-den. Als hij de ontwikkelingen van de prille Franse democratie aanschouwde, vroeg hij zich af wat inherent was aan de democratie en wat slechts tijdelijke afrekeningen waren met het verleden. Om die reden wilde hij het originele model ‘vivisecteren’. Zo heeft hij een studie-reis aangevat naar de Verenigde Staten van Amerika. Deze allereerste volwaardige moderne democratie was al van bij zijn oprichting democratisch, waardoor de historische ballast – zo kenmerkend voor Frankrijk – daar minder speelde. Hij hoopte er Amerikaanse oplossingen te vinden voor Franse problemen, al stelde hij uitdrukkelijk dat het niet zijn intentie was om het Amerikaanse model klakkeloos te imiteren in Frankrijk [DAI-2, 160]. (4) Uiteindelijk heeft hij over die reis een meesterwerk in twee volumen geschreven: De la démocratie en Amé-rique.

Het was met zijn boezemvriend Gustave de Beaumont (1802-1866) dat Tocqueville de oceaan overstak. Zij wilden de woelige politieke ontwikkelingen in Frankrijk even ontvluchten. Na de Julirevolutie (1830) had Louis-Philippe de plaats ingenomen van ‘Bourbonkoning’ Charles X. Maar Tocqueville vond die liberalere ‘burgerkoning’ vis noch vlees. Van magistraten werd bovendien verwacht dat zij trouw zworen aan de koning. De dag van zijn eedaflegging noem-de Alexis één van de ongelukigsten uit zijn leven. De julimonarchie beloofde weinig goeds voor de carrière van deze jonge, tot dan toe beloftevolle magistraten. Alexis was overigens zoon van een prefect uit de Restauratieperiode en telg uit een geslacht dat verknocht was aan de oudere tak van de Bourbons. Daarom leek het raadzaam enige afstand te nemen. De kom-panen bedachten bijgevolg een plan.

Typisch aan revoluties is dat daags nadien alle hervormingsplannen worden toegejuicht. Nu werd in Frankrijk al lang nagedacht over een herziening van het gevangeniswezen en naar verluidt kon het Amerikaanse penitentiair stelsel gelden als model. Daarom deden deze heren van stand een aanbod aan de Minister van Binnenlandse Zaken om dat gevangenissysteem ter plaatse te bestuderen, áls ze daartoe een officieel mandaat kregen. Ze kregen het, weliswaar zonder budget, maar het was slechts een voorwendsel om een grondige studie aan te vatten van alle Amerikaanse instellingen en zeden.

Een reisverslag

Op 2 april 1831 staken ze van wal in Le Havre. Gedurende negen maanden toerde het tweetal heel Noord-Amerika rond en ze leken overal te zijn geweest. Ze schuimden bibliotheken en overheidsarchieven af, hadden gesprekken met hoogwaardigheidsbekleders in de chicste sa-lons, maar ook met avonturiers in boshutten, zwarte slaven en opgejaagde indianen. Verbaal stond Gustave sterker dan Alexis. Met zijn boeiende verhalen, vrolijke fluitspel en intrigeren-de tekeningen, kon hij mensen uit alle sociale klassen verleiden tot een openhartig gesprek. Ondertussen noteerde Alexis alles vlijtig in schriftjes die het kladwerk vormden van De la démocratie en Amérique. (5)

In 1833 levert het tweetal een keurig rapport af over het Amerikaanse gevangeniswezen (Du système pénitentiaire aux États-Unis). Het schrijfwerk gebeurde vooral door Gustave (die in 1840 ook een roman publiceerde over de slavernij in Amerika). Alexis tracht-te ondertussen structuur te brengen in zijn notities en in 1835 verscheen het eerste volume van De la démocratie en Amérique. In Frankrijk en de Verenigde Staten krioelde het meteen van de lovende recensies, vervolgens ook in Groot-Brittannië, waar het John Stuart Mill was die Tocqueville bekendheid gaf.

Het tweede volume verscheen in 1840. Tegenwoordig worden beide delen gangbaar als één boek beschouwd, maar oorspronkelijk werd dat tweede volume even schamper onthaald als vandaag de vervolgversie van een succesvolle Hollywoodfilm. Ten onrechte, want ondertus-sen had de auteur alles laten bezinken en doorwerken. Het eerste volume is daarom veeleer een zakelijke beschrijving van het Amerikaans maatschappelijke leven en zijn politieke instel-lingen, terwijl het tweede abstracter en filosofischer is.

Gelijkheid der bestaanscondities

De inleiding van De la démocratie opent met een sleutelzin: ‘Van alle nieuwe dingen die mijn aandacht trokken tijdens mijn verblijf in de VS, maakte niets zo’n sterke indruk op mij als de gelijkheid in bestaanscondities’. Die égalité des conditions omvatte een drieledig proces: een politieke gelijkheid die zich toont in de uitoefening van formele sociale controle, een gelijkheid van kansen die sociale mobiliteit mogelijk maakt en een gelijkheid van be-schouwingen die democratische individuen ertoe brengen elkaar als gelijken te beschouwen. De opkomst ervan was voor Tocqueville als het omverwerpen van een dominosteentje, wat een kettingreactie veroorzaakte die resulteerde in een democratische samenleving. Dat gelijk-heidsprincipe beschouwde hij als ‘het genererend feit’ (le fait générateur) waaruit elk ander democratisch feit voortvloeit.

Eeuwen heeft die val van dat eerste steentje geduurd. Vanaf de twaalfde eeuw kreeg de clerus politieke macht en iedereen kon geestelijke worden. Zo kon de lijfeigene opklimmen en ko-ketteren met koningen. Menselijke verbanden werden complexer, waardoor een burgerlijke wetgeving zich opdrong en ook juristen zich ophielden met heren getooid in harnassen en hermelijn. Vele edellieden verarmden zich door het etaleren van hun rijkdom, terwijl de bur-gerij zich verrijkte via handel. De adel leende geld bij rijke burgers, terwijl wetenschap en kunst ontwaakten. Vanaf 1270 waren adellijke titels te koop, wat een mentaliteitswijziging veroorzaakte in hogere kringen. In de rivaliteit tussen koning en adel dong iedereen naar de gunsten van de burgerij, om de eigen positie te versterken. Lodewijk XI en Lodewijk XIV waren zo paranoïde en machtsbelust, dat ze de adel alle macht wilden ontnemen. Zo werd heel Frankrijk gelijk, op één man na. Bij wijze van spreken volstond het dan de absolute vorst weg te nemen en l’égalité des conditions was een feit. Zo heeft, volgens Tocqueville, niemand in Frankrijk meer bijgedragen tot de democratie dan Lodewijk XIV.

Het vuurwapen bood adel en voetvolk vergelijkbare overlevingskansen op het slagveld. Boekdrukkunst en postwezen informeerden de hele bevolking en het protestantisme onder-wees de gelijkheid van ieder mens in Gods ogen. Vanaf de elfde eeuw zag Tocqueville elke vijftig jaar de adel een stapje dalen op de sociale ladder en de burgerij een stapje stijgen. Hier-toe heeft iedereen bijgedragen, of men zich van dat proces bewust was of niet, of men ervoor heeft gestreden of het heeft bestreden. Van koning tot lijfeigene, allen waren ze ‘blinde werk-tuigen in Gods handen’ [DAI-1, 7].

Die voortschrijdende dialectiek van de gelijkheid noemt Tocqueville ‘een feit van de Voor-zienigheid’ (un fait providentiel). Daar waar Hegel en Marx een voortschrijdende dialectische geschiedenisopvatting hadden uitgewerkt die gedetermineerd evolueerde naar de vrijheid, had Tocqueville het hier dus over een geschiedenisopvatting die gedetermineerd was richting ge-lijkheid… En toch, Tocqueville’s beschrijving van de geschiedenis van de elfde eeuw tot zijn tijd betreft nauwelijks meer dan de val van die eerste dominosteen. En eens de gelijkheid der bestaanscondities zich heeft genesteld in de samenleving, is er voor Tocqueville nog maar weinig sprake van determinatie. (6)

Doorheen het boek wordt vaak en grondig teruggekomen op de talloze gevolgen van die éga-lité des conditions; hoe de poëzie erdoor beïnvloed werd, de Engelse taal, het gezinsleven, de opvoeding, het erfrecht, de oorlogsvoering, enzovoort. Tocqueville zag slechts één kracht die de gelijkheid van bestaanscondities tegenwerkte: de industrialisatie. Wellicht was het veeleer tijdens zijn reis naar Groot-Brittannië in 1835 dat Tocqueville in fabrieken merkte dat de ar-beidsverdeling en de macht van fabrieksdirecteurs een anomalie creëerden, een ‘sociaal mon-ster’… Toch was het in De la démocratie dat Tocqueville – onthutst door uitbuiting en ar-moede – schreef: ‘Naarmate de massa van het volk zich meer richt op democratie, wordt de bijzondere klasse die zich bezighoudt met industrie meer aristocratisch […] de ongelijkheid neemt toe in die kleine samenleving, naarmate ze afneemt in de grote’ [DAII-2, 674]. Toc-queville begreep ook als één van de eersten welke proporties de ecologische problemen zou-den aannemen.

Vrijheid

De gelijkheid der bestaanscondities is voor Tocqueville een opstap naar een politiek model dat de mens toelaat volop mens te zijn. Als einddoel vindt hij vrijheid belangrijker dan gelijk-heid. Democratie – voor Tocqueville de antithese van aristocratie – komt spontaan voort uit gelijkheid van bestaanscondities, maar toch wordt deze gelijkheid nooit geheel gerealiseerd, waardoor burgers neurotisch gaan ijveren voor nog meer gelijkheid… die zichzelf in stand houdt. Tocqueville vraagt zich dan ook af of die drang naar gelijkheid, de vrijheid niet kan vernietigen. Die oeverloze passie van democratische volkeren zet de lagere klassen ertoe aan zich te verheffen tot het niveau van de hogeren. Maar als dat niet lukt, zet ze de lagere klassen ertoe aan om de hogere klasse te verlagen tot hun niveau en brengt ze mensen ertoe ‘de ge-lijkheid in de slavernij te verkiezen boven de ongelijkheid in vrijheid’ [DAI-1, 58-9]; precies wat het communisme ons heeft getoond.

Tocqueville heeft impliciet de ware betekenis uitgelegd van de dèmos krateo, de volksheer-schappij. In schril contrast tot de Fransen, zouden de Amerikanen weinig heil van de staat verwachten en veeleer zichzelf besturen. In Amerika vormde de politiek dan ook maar een klein onderdeel van de waaier aan verenigingen. Tocqueville weidt uit over de ‘duizenden andere soorten verenigingen’: Amerikanen van alle leeftijden en standen verenigen zich onophoudelijk. Ze hebben niet alleen handelsverenigingen en industriële verenigingen, maar ook religieuze, zedelijke, ernstige, oppervlakkige, gigantische en minuscule… ‘Amerikanen verenigen zich om feesten te geven, seminaries te stichten, hotelletjes en kerken te bouwen, boeken te verspreiden en zendelingen naar de andere kant van de wereld te sturen. Zo richten ze ziekenhuizen, gevangenissen en scholen op. En als het er om gaat een waarheid aan het licht te brengen of een gevoel uit te dragen met behulp van een groot voorbeeld, dan… vere-nigen ze zich. Overal waar je in Frankrijk aan het hoofd van een nieuwe onderneming de overheid ziet en in Engeland een edelman, mag je erop rekenen dat je in de VS een vereniging zult aantreffen.’ [DAII-2, 621]

In zijn Tableau des États-Unis schreef André Siegfried deze Amerikaanse ‘vereni-gingsdrift’ toe aan het ethische klimaat van het protestantisme. (7) Hij had het over een ‘mo-raliserende en reformerende passie die voorkomt uit calvinisme en Verlichting’. Wat hem betrof was heel het land ervan doordrongen, inclusief de katholieke milieus, ook al benader-den die deze neiging op hun eigen manier. ‘Vandaar die proliferatie van verenigingen die, zelfs al zijn ze niet van religieuze strekking, getekend zijn door een onuitwisbare protestantse en puriteinse signatuur.’ (Siegfried, 1954: 218). Tocqueville zelf maakte dit soort randbemer-kingen echter niet. Tussen de regels van De la démocratie lees je immers dat protes-tantisme voor Tocqueville beter te rijmen viel met democratie dan katholicisme. Maar wan-neer hij dat onderwerp expliciet maakte, werd hij terughoudend en nam de coherentie af. De gunstige invloed van de hoofdzakelijk protestantse religie die Tocqueville in Amerika ont-waarde, bood immers geen wezenlijke oplossing voor de problemen in het traditioneel katho-lieke Frankrijk. Dat is een hidden agenda die de lezer van De la démocratie nooit mag vergeten.

Volgens Tocqueville zou echter precies dat actieve burgerschap ondermijnd worden door de democratie. Democratie zou geneigd zijn zichzelf te ondergraven… Door de uitbreiding van de gelijkheid der bestaanscondities, ontstaat een brede middenklasse die hunkert naar materi-eel welzijn. De gelijkheid van bestaanscondities zou via welvaart leiden tot materialisme en individualisme, met desintegratie van het sociale weefsel tot gevolg. Tocqueville zag er zelfs een bedreiging in tot nieuwe vormen van despotisme. Dit beschreef hij in één van de laatste en bekendste hoofdstukken De la démocratie: ‘Welk soort despotisme democratische volkeren hebben te vrezen’ [DAII-4, 834-40]. ‘[…] ik zie een ontelbare menigte overeenkomstige en gelijke mensen die rusteloos benomen zijn met zichzelf en hun alledaagse pleziertjes. Terug-geplooid op zichzelf, vervreemdt iedereen van het lot van anderen […].

Boven hen verheft zich een enorme en betuttelende macht die hun genot verzekert en hun lot bewaakt. Deze macht is alomvattend, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtaardig. Ze zou op een vaderlijke macht lijken als ze mensen zou voorbereiden op volwassenheid, maar ze probeert hen integendeel kinderlijk te houden. Ze wil dat burgers zich verheugen, zolang die enkel maar aan hun vermaak denken. Ze ijvert voor hun geluk, maar wil de enige zijn die dat bewerkstelligt. Ze draagt zorg voor hun veiligheid, vervult hun behoeften, stuurt hun industrie, regelt hun opvolging, verdeelt hun erfenis […]. Zo maakt zij het gebruik van de vrije wil iedere dag nuttelozer en zeldzamer, geeft ze steeds minder ruimte om wilskrachtig te handelen […]. De gelijkheid heeft de mensen op dit alles voorbereid. Ze heeft ze zover ge-bracht dat ze dit aankunnen en dit vaak zelfs als een weldaad beschouwen. Na stap voor stap elk individu zo in zijn machtige handen te hebben genomen en ze naar believen te hebben gekneed, spreidt de heerser zijn armen uit over de hele samenleving.’

Kortom, in 1840 leek Tocqueville te vertolken wat velen vandaag beschouwen als het demo-cratisch deficit van de EU. Tocqueville maakte ook een scherp onderscheid – dat vandaag vaak over het hoofd wordt gezien – tussen democratie en ‘tirannie van de meerderheid’. En misschien horen sommigen hier dan ook de echo van Plato, die in zijn De Republiek stelde dat democratie gedoemd is te evolueren naar tirannie. Toch is Tocqueville één van de weinige moderne auteurs die uitvoerig gewezen heeft op de valkuilen van de democratie, zonder haar integraal af te wijzen (zoals Nietzsche) of uit te hollen (zoals Marx).

Democratische moraal

Het eerste volume van De la démocratie kent een verrassend plot. Tot dan toe leek het boek een lofzang op de USA, maar in het slothoofdstuk trekt Tocqueville van leer tegen de gruwelijke manier waarop de Amerikanen de indianen hebben uitgeroeid. En net als Condor-cet een halve eeuw eerder, keert hij zich ook rabiaat tegen de inwoners van de zuidelijke sta-ten die zich als pacha’s lieten dienen door zwarte slaven en zo geen enkele dynamiek of inno-vativiteit aan de dag legden. Maar ook het voorlaatste hoofdstuk was bijzonder. Tocqueville heeft er lang aan gewerkt en het was oorspronkelijk bedoeld als slothoofdstuk van zijn reis-verslag. De titel luidde: ‘Over de belangrijkste oorzaken die de republiek democratisch hou-den in de VS’. In de eerste twee zinnen stelt hij vast dat de VS nog altijd bestaan en dat het hoofddoel van zijn boek was geweest om die vaststelling te verklaren. Tocqueville stelt dus andermaal dat democratie geneigd is zichzelf te ondergraven. En daarom vroeg hij zich af hoe het mogelijk was dat de democratie in de VS niettemin duurzaam was.

Dat lange hoofdstuk – met tien subtitels – vat Tocqueville aan met enkele ‘accidentele verkla-ringen’, wat in marxistisch jargon ‘de materiële onderbouw van de samenleving’ zou ge-noemd worden. De VS hebben nauwelijks buren en veel natuurlijke grenzen. Bijgevolg blij-ven defensie-uitgaven beperkt. De VS hebben geen grote metropolen, waardoor charismati-sche heethoofden er geen verzamelplaats vinden die invloedrijk genoeg is om hun ideeën te verspreiden over heel het land. Alle inwoners van steden en gemeenten zijn participerend lid van hun gemeenschap, zij kunnen voortdurend bijsturen. In tegenstelling tot de Fransen, moesten de Amerikanen ook geen oude structuren vernietigen om de democratie in te stellen. Bovendien heeft het land onuitputtelijke bodemrijkdommen en was er voldoende vruchtbare grond. Die voorspoed verhindert dat burgers wrok koesteren ten aanzien van de overheid.

Vervolgens bespreekt Tocqueville de invloed van formele normering (wetgeving) op het be-houd van de Amerikaanse democratie. Daarvoor verwijst hij naar zijn vele uitweidingen daar-over eerder in zijn werk, maar toch herhaalt hij nog drie puntjes. Ten eerste ziet hij de federale staatsvorm die Amerika tegelijk de kracht van een grootmacht geeft en de interne rust van een klein land. Vervolgens zijn er de gemeentelijke instellingen die de smaak van vrijheid bij-brengen aan het volk, maar ook de kunst er verantwoordelijk mee om te gaan. Die eerste twee kenmerken kunnen samengevat worden als het zogenaamde subsidiariteitprincipe dat stelt dat alle politieke bevoegdheden worden uitgeoefend op het laagst mogelijke niveau. Een principe dat allerminst werd toegepast in het unitaire Frankrijk. Tot slot wijst Tocqueville op het rechtssysteem van de USA dat op efficiënte wijze de mensen zou bijsturen in hun gedrag.

Naast de accidentele elementen en de formele normering, zag Tocqueville ook een informele normering als verklaring waarom de USA zo’n stabiele democratie was. Hij had het dan over de Amerikaanse moraal. Tocqueville vond het belang van die accidentele verklaringen zeer betrekkelijk – hij was overigens eerder idealist dan materialist. De Spanjaarden in Zuid-Amerika genoten diezelfde fysische condities, maar bij gebrek aan buitenlandse vijanden zijn ze elkaar het hoofd gaan inslaan. De natuurlijke rijkdommen in Zuid-Amerika zijn nog weel-deriger dan die van Noord-Amerika, toch vertoeven de meest miserabele volkeren ter wereld precies in dat continent en dat komt volgens Tocqueville omdat ze de Noord-Amerikaanse zeden niet kennen.

Mexico zou zich wel een vergelijkbare wetgeving hebben toegeëigend als de VS en toch sla-gen de Mexicanen er op geen enkele manier in zich te schikken in een democratische levens-wijze. Dus ook het belang van formele normering was voor Tocqueville betrekkelijk. Hij stel-de niet alleen vast dat het in Mexico niet wilde vlotten met de democratie, zelfs binnen de VS ziet hij interne verschillen. Mensen met hetzelfde bloed, die dezelfde taal spreken en onder-worpen zijn aan dezelfde wetten gedragen zich kennelijk niet noodzakelijk even democra-tisch. Hoe meer hij in westelijke richting trok, hoe meer wanorde, instabiliteit en criminaliteit Tocqueville vaststelde en hoe minder scholing. Ten tijde van Tocqueville waren de Europea-nen in Amerika in hun veroveringstocht immers nog niet aan de westkust gearriveerd. India-nen werden steeds verder in westelijke richting verjaagd en daarom waren het vooral avontu-riers die zich in die contreien bevonden. Wanneer Tocqueville wijst op verschillende gradaties qua democratisering onder bevolkingsgroepen die onder een zelfde wetgeving leven, bekriti-seert één van zijn grootste intellectuele voorbeelden: Montesquieu.

De belangrijkste normativiteit die een democratie op de sporen moet houden, is voor Tocque-ville van informele aard. ‘Les mœurs’ zouden hier belangrijker zijn dan les lois (‘de wetten’). Les mœurs wordt gangbaar vertaald als ‘de zeden’, maar Tocqueville stelt dat we dat begrip bij hem breder moeten begrijpen, namelijk als de morele en intellectuele toestand van een volk. En de vraag is dus wanneer die morele en intellectuele toestand dan democratisch is. Het antwoord klinkt surrealistisch in Europese oren; voor Tocqueville heeft dat bijna alles te ma-ken met… religie! Hij was daarover zelf stomverbaasd: ‘Het eerste wat me bij mijn aankomst in Amerika trof, was het religieuze aspect van het land.’ [DAI-2, 341]. Tijdens zijn verblijf ontdekte hij daar de immense politieke consequenties van. In zijn eigen land had hij de geest van vrijheid en die van religie bijna altijd in tegengestelde richtingen weten gaan, maar in Amerika marcheerden ze hand in hand.

Opvallend is dat uit brieven, die pas decennia na zijn overlijden zijn opgedoken, gebleken is dat Tocqueville zelf ongelovig was (Renoir, 1925: 281-8). En Tocqueville realiseert zich maar al te goed hoe ongeloofwaardig die stelling klonk in continentaal Europa… Hij zei daarover zelfs niet te willen discussiëren met zijn landgenoten. Als de Fransen van leer trekken tegen het geloof, dan ging hij daar zelfs niet op in; ze verraden dan gewoon nog niet in Amerika te zijn geweest, ‘maar als ze er naar toe zouden gaan zal ik hen opwachten bij hun terugkeer’ zo zegt hij, pas dan kunnen we praten [DAI-2, 340].

Tocqueville stelt uitdrukkelijk: ‘De religie – die zich bij de Amerikanen nooit mengt met het bestuur van de samenleving – moet dus beschouwd worden als de eerste van hun politieke instellingen. Want als religie hen niet de smaak van vrijheid bijbrengt, vergemakkelijkt die dan toch het leren omgaan met vrijheid.’[DAI-2, 338] Cruciaal daarbij is die scheiding van kerk en staat. Op dat ogenblik was Amerika het enige land ter wereld dat dit principe omarm-de. Ten tijde van de Franse Revolutie had men het op het Europese continent hooguit over laïcité, dat staat voor het onzichtbaar maken van religie in de publieke sfeer. Maar ‘scheiding van kerk en staat’ betekent niet het vervagen uit de publieke sfeer van de kerk, noch van de staat. De staat had de Franse katholieke kerk eenzijdig en grondig hervormd, twee derde van de priesters werd ontslagen, de overgeblevenen moesten een eed van trouw zweren aan de staat en voortaan was er maar één bisdom per Département… Grotere schendingen van het principe van scheiding van kerk en staat zijn nauwelijks denkbaar.

Maar wat bedoelde Tocqueville dan, als hij stelde dat in Amerika religie de belangrijkste poli-tieke instelling van het land was? Volgend citaat kan helpen: ‘terwijl de wet aan het Ameri-kaanse volk toelaat om alles te doen, verhindert de religie om alles uit te denken en verbiedt het om alles te durven.’ [DAI-2, 338] In een democratie is er geen grond om mensen veel vrijheid te ontnemen. Maar als mensen ongebreideld gebruik maken van hun vrijheid zou dat ontaarden zoals in het revolutionaire Frankrijk. En religie is er om mensen te beletten te doen wat ze wettelijk gezien wel mogen, maar wat schadelijk is voor de samenleving. Moesten die religieuze geboden echter van staatswege worden opgelegd, dus als de religieuze geboden formele normen zouden zijn, dan was er uiteraard geen vrijheid en geen democratie. Maar als de modale burger in een democratie gelovig is, dan legt hij vrijelijk zijn al te gekke ideeën zelf aan banden en onderwerpt hij zichzelf aan informele normen die niet uitgaan van de staat, maar die de staat wel ten goede komen.

‘Het heel grote voordeel van religies is dat ze aanzetten tot tegenovergestelde instincten’ stelt Tocqueville [DAII-1, 533]. Iedere religie maakt onze wildste lusten ondergeschikt aan het-geen zich voorbij en boven deze wereld stelt, religie verheft de menselijke ziel, wijst de mens op zijn plichten en zet hem aan zichzelf in vraag te stellen. Zelfs de meest valse en gevaarlijke religies doen dat, aldus Tocqueville. ‘Religieuze volken zijn dus van nature sterk precies op het punt waar democratische volken zwak zijn. Daaruit blijkt hoe belangrijk het is dat mensen hun geloof behouden zodra ze gelijk worden.’ [DA II-1, 533] Als een bepaalde geloofstraditie dus ligt ingebed in een democratische samenleving, ‘behoud dat geloof dan als de kostbaarste erfenis uit de aristocratische tijden’, stelde Tocqueville nog. In een democratie vervreemdt de industriële massaconsumptie mensen van de consumptiegoederen, de hele productie en uit-eindelijk van zichzelf – zoals Marx in Das Kapital aangaf met zijn begrip ‘warenfetisjisme’. Maar integenstelling tot Marx, bood volgens Tocqueville religie een kostbare houvast in tij-den dat alles ertoe neigt zijn waarde te verliezen.

Het is natuurlijk moeilijk uit te maken wat de concrete impact is geweest van De la démo-cratie op de Franse samenleving. Het heeft hemzelf wel geholpen de plaats van de kerk in zijn land beter te begrijpen. Zijn kritiek op de Franse kerk was dat die zich teveel als politieke en te weinig als religieuze instelling had gedragen, waardoor ze haar geloofwaardigheid als kerk had verkwanseld. Tocqueville meende dat de laïcité een foute remedie was (met ernstige bijwerkingen), ten gevolge van een foute diagnose. Vele Fransen meenden immers dat de kerk (als religieuze instelling) lang een storende factor was geweest in de Franse politiek, terwijl Tocqueville benadrukte dat het probleem van de kerk was dat ze zich te weinig als religieuze en teveel als politieke instelling had gedragen. Volgens Tocqueville verhinderde de laïcité dus dat de kerk alsnog haar belangrijke rol in de democratie kon opnemen.

In het tweede volume van De la démocratie weidde Tocqueville ook uit over het wel-begrepen eigenbelang dat zijns inziens perfect te rijmen viel met die religieuze moraal. Maar het blijft onthutsend hoe weinig kritiek geformuleerd werd ten aanzien van Tocqueville’s bestseller waarin hij met zoveel nadruk wees op het belang van religie in een democratie. Eén van de belangrijkste kritieken die niettemin werden geformuleerd komt van Claude Lefort. Deze Franse liberaal bekritiseerde onder meer Tocqueville’s ‘instrumentele gebruik’ van de religie (niet ‘God omwille van God’, maar ‘God omwille van maatschappelijke cohesie’). Daar waar Tocqueville stelde: ‘Hij die in de vrijheid iets anders zoekt dan de vrijheid is ge-doemd te dienen’ (Tocqueville, 2004: 195), antwoordde Lefort: ‘Hij die in de waarheid iets anders zoekt dan de waarheid is gedoemd te geloven en dus ook te dienen’ (Lefort, 1986: 213).

Doordat Tocqueville democratie als antithese van aristocratie benaderde, meende hij dat ook alle democratische fenomenen een keerzijde hebben. De vrijheid van gelijken ziet hij afglij-den naar despotisme, de nieuwe bevestiging van het singuliere wordt teniet gedaan door de heerschappij van anonimiteit, de geest van vernieuwing wordt geneutraliseerd door massacon-sumptie… En onder meer religie moest hier soelaas brengen. Maar democratie is niet even star als aristocratie. Wat Tocqueville volgens Lefort niet zag, was ‘de keerzijde van de keer-zijde’ (la contrepartie de la contrepartie). Hij zag geen nieuwe denkvormen die de anonimiteit spontaan overwinnen of de publieke opinie en mensenrechten die nakende ontsporingen voortdurend bijsturen. In een democratie heeft niet iedereen een onveranderlijke plaats en onveranderlijke gewoonten, bovendien wordt verzet tegen de machthebbers door de rechtstaat zelf gegarandeerd. Democratie kent geen bestemming, alles blijft open en eeuwige bijsturing is haar deel. Met zijn discours over ‘de keerzijde van de keerzijde’ doet Lefort geen afbreuk aan Tocqueville’s opvatting over de kracht van religie of het bestaan van de democratische valkuilen; alleen bedacht Tocqueville medicijnen tegen kwalen die zelden of nooit doorbre-ken, aangezien het democratische lichaam niet alleen onbestemd, maar precies daardoor ook homeostatisch is: het neutraliseert haar eigen ziektekiemen.

Niettemin kan De la démocratie tot op heden inspireren in zowat alle hedendaagse debatten die raken aan de fundamenten van de democratie: kiesdrempel, hoofddoekendebat, referenda, vrijheid van meningsuiting…


Recensie door Luk Sanders



Voetnoten:

(1) Een eerste Nederlandse vertaling van ‘De la démocratie’ werd aangekondigd tegen 2011 (uitgeverij Lemniscaat).

(2) De vraag of Alexis de Tocqueville überhaupt filosoof was is controversieel. Zo beschreef Irving Kristol Tocqueville als één van de weinigen die voluit het etiket ‘politiek filosoof’ verdienen (1969), terwijl Claude Lefort in zijn essay ‘Permanence du théologico-politique ?’ (1986) diezelfde Tocqueville opvoerde om hem te contrasteren met wat van een poli-tiek filosoof verwacht mag worden (zoals i.c. Jules Michelet).

(3) Het betreft een hand geschreven notitie van Tocqueville, getiteld Mon instinct, mes opini-ons, waarvan Antoine Rédier een kopie afdrukte in zijn Comme disait M. de Tocqueville (1925: 47-8).

(4) Om te citeren uit De la démocratie en Amérique gebruikten we hier eigen vertalingen uit de reeks Tocqueville Œuvres. De notitie [DAI-2, 160] staat voor De la démocratie en Amérique, volume I, deel II, bladzijde 160.

(5) Postuum heeft uitgeverij Gallimard deze schriftjes meermaals gepubliceerd als Voyage en Amérique.

(6) Tocqueville’s ‘providentialisme’ was overigens diffuus en week af van dat van Bossuet, Bonald en Joseph de Maistre. Meermaals wees Jean-Louis Benoît erop dat Tocqueville er enkel naar greep om zo ook de contrarevolutionairen gunstig te stemmen ten aanzien van zijn werk.

(7) André Siegfried (1875-1959) was geograaf, veelschrijver en lid van de Académie Françai-se. In Frankrijk was hij vooral gezaghebbend als commentator van de Angelsaksische po-litiek. Zijn opvattingen werden dan ook regelmatig geconfronteerd met die van Tocquevil-le.



Literatuur:

Kristol, I. (1969) ‘American Historians and the Democratic Idea’ In: American Scholar 39: 89-104.

Lefort, C. (1986) Essais sur le politique XIXe-XXe siècles. Paris: Seuil.

Rédier, A. (1925) Comme disait M. de Tocqueville. Paris: Perrin & Cie.

Siegfried, A. (1954) Tableau des États-Unis, Paris: A. Colin.

Tocqueville, A. de (1991) ‘Écrits politiques’ in : Œuvres I, Paris: Gallimard.

Tocqueville, A. de (1992) ‘De la démocratie en Amérique’ in : Œuvres II, Paris: Gallimard.

Tocqueville, A. de (2004) ‘L’Ancien Régime et la Révolution’, in : Œuvres III, Paris: Galli-mard.

Tocqueville, A. de (2000) Democracy in America, vert. Mansfield, H.C. & Winthrop, D., Chicago: University of Chicago Press.

Alexis de Tocqueville, De la démocratie en Amérique (1835), Paris: Les Éditions Gallimard, 1992

Links
mailto:luk.sanders@etf.edu
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties'. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be