Barbara Wertheim Tuchman (1912-1989) was een Amerikaanse journaliste en historica. Ze studeerde in 1933 af aan het Radcliffe College (Iowa). Ze werkte een aantal jaren als journaliste vooraleer ze boeken begon te schrijven. Twee keer werd haar werk bekroond met de Pulitzer Prijs, één keer voor de Kanonnen van augustus (een boek over de aanloop en de eerste maand van de Eerste Wereldoorlog) en nog eens voor Stillwel en de Amerikaanse rol in China (een boek over de Amerikaans-Chinese betrekkingen in de jaren 1911-1945). Bij het grote publiek werd ze vooral bekend door haar boek De waanzinnige veertiende eeuw (A distant Mirror. The calamitous 14th Century) dat verscheen in 1980. De geschiedenis herhaalt zichzelf nooit, de mens altijd (Voltaire). Dit citaat vormt meteen de leidraad van dit boek. Het boek ontstond omdat Tuckman erachter wilde komen wat de uitwerking op de maatschappij was van de dodelijkste ramp in de geschreven geschiedenis, met name de Pest in de periode 1348-1350, die naar schatting een derde van de bevolking tussen India en IJsland het leven kostte. Het antwoord op deze vraag was moeilijk omdat de naweeën van de Zwarte dood niet aan één maar aan diverse oorzaken te wijten zijn. Om de aandacht gefocust te houden op de periode,1300- 1450, koos Tuchman als spil van het verhaal het leven van één persoon, de Franse edelman Enguerrand VII van Coucy, de laatste telg uit een grootse dynastie. Zijn leven (1340-1397) viel grotendeels samen met de te belichten periode en bovenal was hij de beschermer van een van de grootste kroniekschrijvers uit die tijd, Jean Froissart, met het gevolg dat er meer over hem bekend is dan anders het geval zou zijn geweest. Het boek behandelt een rijk gamma aan onderwerpen: De dynastie van de Coucy’s, de aanslag op Paus Bonifatius VIII door de koning van Frankrijk (1303), de verhuizing van de pauselijke residentie naar Avignon, de onderdrukking van de tempeliers, de Zwarte dood, de Honderdjarige Oorlog, het pauselijk schisma, plunderende huursoldaten en boerenopstanden, de bevrijding van Zwitserland, de Guldensporenslag en nog veel meer. Al deze thema’s beschrijft Tuchman uitputtend met veel aandacht voor het detail en in een kleurrijke stijl. Daarom is het onmogelijk om in het korte bestek van deze recensie al deze onderwerpen aan bod te laten komen. Daarom de volgende, puur persoonlijke, keuze. De dynastie van de Coucy’s. Deze grootse dynastie start heel eenvoudig in 975 als de aartsbisschop van Reims Coucy-le-Chateau als leengoed schenkt aan de graaf van Eudes, die de eerste heer van Coucy wordt. In de 14de eeuw is het domein van Coucy uitgegroeid tot een van de belangrijkste baronieën van Frankrijk. De heren van Coucy staan bekend om hun ambities, arrogantie en soms wrede optreden. Zo hebben ze koningen uitgedaagd, de kerk beroofd, zijn ze op kruistocht gegaan en hebben ze een nageslacht grootgebracht dat als motto had: ‘Geen koning of prins ben ik, geen hertog of graaf; Ik ben de heer van Coucy’. Van arrogantie gesproken! Door de gunstige ligging in het centrum van Picardië was het domein ‘een van de sleutels van het koninkrijk.’ Het was ook het belangrijkste landbouwgebied en moest voorzien in het levensonderhoud van een miljoen mensen. Het leengoed dat in de loop der jaren van de kerk was overgegaan in handen van de monarchie, werd rechtstreeks door de koning beheerd en de leenman zwoer trouw aan hem. Als de laatste telg van de Coucy’s wordt geboren (1340), is Frankrijk oppermachtig op vele gebieden: de ridderlijkheid, de christelijke devotie, de taal, de bouwkunst en last but not least haar intellectueel potentieel in de vorm van de Universiteit van Parijs waar onder andere Thomas van Aquino doceerde. De laatste telg van de Coucy’s ontpopt zich later tot ‘conseiller du roi’. Het einde van de wereld: de Zwarte Dood. Geruchten over een verschrikkelijke plaag die India, Perzië, Egypte en geheel Klein- Azië teisterde, hadden Europa al bereikt in 1346. Omdat men het begrip besmetting niet kende, was dit een ver van mijn bed show, tot de builenpest in 1347 via de haven van Messina op Sicilië, Europa binnendrong. Overgebracht door koopvaardijschepen bereikte ze Frankrijk in 1348 en via Marseille werd de rest van Europa aangetast. Hoeveel mensen stierven is niet exact te bepalen, maar de schatting van kroniekschrijver Froissart zal aardig in de buurt komen: ‘een derde van de wereld stierf’. Een derde van Europa zou betekend hebben dat er twintig miljoen doden aan de ziekte bezweken. De weerzinwekkendheid en de onvermijdelijke fatale afloop van de pest brachten de mensen niet nader tot elkaar in hun gezamenlijke ellende, maar deden hun verlangen om elkaar te ontlopen alleen maar toenemen. De vlucht was het voornaamste redmiddel van degenen die zich dit konden permitteren. Wetteloosheid en losbandigheid vergezelden de pest zoals dat ook het geval was geweest ten tijde van de pestplaag in Athene in 430 v.C. Hieruit blijkt nogmaals dat menselijk gedrag tijdloos is. Omdat men van de werkelijke overbrengers, de ratten en de vlooien, in de 14de eeuw geen vermoeden had, werden de gevoelens van angst en afschuw nog groter. De vijand had dus geen naam, men sprak van de Pest, de Grote Sterfte en later over de Zwarte dood. De feitelijke pestbacil bleef nog 500 jaar onontdekt. Artsen namen hun toevlucht tot de astrologie, voor het grote publiek was het ‘de toorn van God’. De mensen zochten in hun ellende naar een menselijke zondebok, en dat waren de joden. Als eeuwige vreemdelingen en buitenstaanders, vormden zij het meest voor de hand liggende doelwit. Vooral in grote steden zoals in Freiburg, Neurenberg, München, werden de joden afgeslacht met een grondigheid die doet denken aan de Duitse Endlösung in de 20ste eeuw. De laatste pogroms vonden plaats in Antwerpen en Brussel waar in 1349 de hele joodse gemeenschap werd uitgeroeid. De periode van de middeleeuwse bloei voor de joden was voorbij. Uitgeput door deze pestepidemie zou je verwachten dat er bij de mensen die dit overleefd hadden een fundamentele verandering zichtbaar zou zijn. Niet dus. De mensen vergaten het verleden alsof het nooit had bestaan en leefden verder. Sociale verandering zou er in de loop van de tijd, pas onzichtbaar komen. Toen de pest tegen het eind van de 14de eeuw eindelijk was uitgeraasd was de Europese bevolking gehalveerd. ‘Zo’n afschuwelijke gebeurtenis is slechts draaglijk als men kan geloven dat er een betere wereld uit voortkomt. Als dit niet het geval is, zoals ook bij de naweeën van de Eerste Wereldoorlog, is de desillusie groot en leidt ertoe dat mensen aan zichzelf gaan twijfelen en vervallen in een bodemloos pessimisme’ stelt Tuchman. Ook gaf dit bij de reeds bestaande ontevredenheid tegenover de kerk een impuls aan ketterij, afvalligheid, mystieke sekten en allerlei hervormingsbewegingen, die uiteindelijk het imperium van de katholieke eenheid zouden verbreken. Het pauselijk schisma. In de tweede helft van de 14de eeuw verlangden de mensen grondige hervormingen in de kerk. Hervorming betekende voor de meeste mensen een bevrijding van de uitbuiting door de geestelijken. Maar de kerk, die zich bewust was van haar tekortkomingen, kon geen hervormingen aan de basis aanbrengen zonder haar eigenbelang te schaden, vermits ze afhankelijk was van het financiële systeem dat was ontstaan tijdens de ballingschap in Avignon. Ondanks de druk van de Franse koning en de kardinalen keerde Paus Gregorius IX terug naar Rome in 1377 waar hij vijftien maanden later stierf. Het conclaaf dat de nieuwe Paus moest verkiezen was hopeloos verdeeld en men koos dus voor een buitenstaander, de aartsbisschop van Bari, die in 1378 de naam aannam van Urbanus VI. Door zijn langdurige dienst in Avignon werd hij door allen beschouwd als een volgzame protégé. Maar de pauselijke macht steeg Urbanus naar het hoofd. De nederige, onopvallende figuur veranderde in een potentaat die het vooral gemunt had op de privileges van de geestelijke hoogwaardigheidsbekleders. Toen hij weigerde naar Avignon terug te keren was de maat vol en besloten de kardinalen hem af te zetten. Nog in hetzelfde jaar koos het conclaaf een nieuwe Paus Clemens VII, alias Robert van Genève, ‘de slager van Cesena’, een man die in heel Italië werd gevreesd. Omdat hij nergens in Italië veilig was, keerde hij in 1379 met zijn kardinalen terug naar Avignon. Met één paus in Rome en een andere paus in Avignon, was het schisma werkelijkheid geworden. Voor de financiën van de kerk was dit een catastrofe. Om de beide pausen van het failliet te redden werden nieuwe financiële bronnen aangeboord zoals onder andere via de verkoop van aflaten. In plaats van hervormingen, werden de misbruiken verveelvoudigd, waardoor het geloof nog meer werd ondermijnd. In Engeland zou het schisma uiteindelijk leiden tot het protestantisme. In de epiloog wordt nog een overzicht gegeven van de belangrijkste gebeurtenissen die plaats hadden in de volgende vijftig jaar. Oorlog en plunderingen keerden terug; chaos heerste in de bestuursinstellingen; de openbare geldmiddelen en de rechtspraak werden misbruikt; de burgerij kwam in opstand tegen de corruptie; het tijdperk van de vuurwapens begon; de dodencultus nam ziekelijke vormen aan ‘Ars moriendi’; nieuwe ontdekkingsreizen werden op touw gezet; in 1445 slaagde Karel VII erin een staand leger op de been te brengen wat een einde betekende voor de roversbenden. De waanzinnige veertiende eeuw is een meesterlijk boek, dat boeit van de eerste tot de laatste bladzijde. Wat de auteur ons voorhoudt is een ‘verre spiegel’, waarin we de gebeurtenissen zien, vooral vanuit het standpunt van de mensen die toen leefden, maar ons voorgesteld door een moderne auteur, die zich voortdurend afvraagt hoe dit allemaal mogelijk was. Tegelijkertijd verwijst ze naar meer recente gebeurtenissen, die soms als twee druppels water lijken op de onwaarschijnlijke gruwel van de 14de eeuw. Kijk in de verre spiegel van de 14de eeuw en ontdek de mens, de eeuwige mens.
Barbara Tuchman, De waanzinnige veertiende eeuw, Arbeiderspers, 1980, 2001, 683 pp, ISBN 9029548347 Barbara Tuchman Linksmailto:sonja.de.schaepdryver@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|