Verder dan morgen

boek vrijdag 16 januari 2009

Kathleen Van Brempt

De regionale verkiezingen zijn in zicht en dus verschijnen er opnieuw tal van boeken van politici die zichzelf in de kijker willen werken. Boeken van politici zijn zelden interessant. Ze houden doorgaans het midden tussen hagiografie en banaliteit. Denk aan de zogenaamde autobiografische ontboezemingen van Bert Anciaux in De verrijkte samenleving, Yves Leterme in Vergrijzing en verkleuring en Jurgen Verstrepen in Zwart op wit. Soms gaat het trouwens niet over politiek maar over triviale onderwerpen, zoals Steve Stevaert presteerde met zijn kookboek Koken met Steve. De voorkaft bevat steevast een foto van de betrokken politicus en een verantwoording door de auteur over zijn of haar grote maatschappelijke engagement. Maar buiten een enkele obligate vermelding in de pers, hoort men er later weinig of niets meer over. De reden is ook eenvoudig. De betrokken politici hebben het niet zozeer over hun ideologische visie, maar over zichzelf. Ze menen dat ze in het centrum van het heelal staan en proberen zich met hun al dan niet zelf geschreven boekje een aureool van intelligentie en authenticiteit te geven. De inhoud is voorspelbaar en zelden baanbrekend.

Onlangs verscheen het boekje Verder dan morgen. Gesprekken met uitzicht op de toekomst van Vlaams minister van Mobiliteit, Gelijke Kansen en Sociale Economie van Kathleen Van Brempt met op de voorkaft een afbeelding van de fotogenieke minister. Ik begon het met de nodige tegenzin te lezen maar raakte al lezende geboeid door de inhoud. Dit is geen zoveelste hagiografie of banale verkiezingsstunt, maar een goed doordachte (positieve) kritiek op de sociaal democratie waarbij Van Brempt geen blad voor de mond neemt met betrekking tot de politieke koers van haar eigen partij. Meer nog, via enkele intelligent uitgewerkte interviews legt ze tal van zwakheden in het huidige sociaal-democratische discours bloot en poneert ze enkele alternatieven, alhoewel ze op sommige terreinen niet echt durft in te gaan tegen het politiek correcte denken. Het resultaat is wel een forse analyse van de huidige sociaal democratie in ons land waarbij ze diverse standpunten van haar partij op de rooster legt en confronteert met reële situaties. Meer nog, ze geeft hier en daar aan hoe en op welke thema’s de sociaal-democraten uit het ideologische moeras kunnen geraken. Dat doet Van Brempt niet altijd met zin voor realiteit maar des te meer vanuit een aanstekelijk voluntarisme.

In vier aparte delen gaat Van Brempt in op de tekortkomingen in het huidige sociaal democratische discours. Zo erkent ze dat de socialisten de impact van de milieucrisis hebben onderschat en te lang hebben gewacht om duurzaamheid op de socialistische agenda te plaatsen. Daarbij wil ze niet teruggrijpen naar ‘een onvruchtbaar antikapitalistisch, kleinlinks discours’, zoals ze zelf schrijft, maar richt ze zich naast een slagvaardige overheid juist op ‘de markt en een duurzame markteconomie’. Dus geen pleidooi voor ‘consuminderen’ of ‘een moraliserend bestoog’ maar inzetten op creativiteit en innovatie. Daarbij komt ze terecht bij de Cradle to Cradle theorie van Michael Braungart die uitgaat van de visie dat afval als voedsel moet worden gezien; gemaakt uit grondstof, gebruikt en verterend tot dezelfde grondstof. Zo zullen gebruiksvoorwerpen volledig gerecycleerd kunnen worden. Het gaat hem dus niet om het terugdringen van de afvalberg of het doen dalen van de parameters inzake vervuiling, maar om het volledig verantwoordelijk maken van bedrijven voor de recyclage van hun eigen producten. Het systeem zou zo de brug kunnen slaan tussen economie en ecologie al blijven er ook vraagtekens. Zo zijn er in het huidige economische systeem maar weinig prikkels die C2C-ontwerpen aantrekkelijk maken, omdat recycling meestal te duur is. De aanzet zal dus moeten komen van de overheid. Nederland is van plan om in 2010 duurzaam in te kopen (jaarlijks zo'n 40 miljard euro). Door gebruik te maken van deze inkoopmacht wordt de markt voor duurzame producten gestimuleerd en wordt een prikkel gegeven aan innovatie en duurzaamheid in het bedrijfsleven.

Van Brempts heeft ook interesse in het systeem van complementaire muntsystemen zoals beschreven in Het Geld van de Toekomst van de Belgische gelddeskundige Bernard Lietaer. ‘Complementaire munteenheden maken transacties en ruilhandelingen mogelijk die anders niet zouden hebben plaatsgevonden. In de praktijk betekent dit dat er meer economische activiteit – en dus meer werk en welvaart – wordt geschapen dan anders het geval zou zijn (…) ze komen tot stand waar ze het meeste nodig zijn, zonder de noodzaak van een overheidsbureaucratie en zonder tot het risico van inflatie in de gewone economie te leiden (…) Het gebruik van complementaire munteenheden is voor iedereen vrijwillig’, aldus Lietaer. In feite pleit hij ervoor om naast de gewone economie de gemeenschapszin op te bouwen via een ‘geschenkeneconomie’. Een commerciële transactie is een gesloten systeem, men betaalt voor iets en daarmee gedaan. Het proces van schenken schept iets dat de geldruil niet doet, nl. een versterking van de gemeenschap. Het eenvoudigste voorbeeld is dat van de Tijddollars dat op verschillende plaatsen in de Verenigde Staten met succes wordt toegepast. Als persoon A gedurende één uur iets doet voor persoon B dan ontvangt hij een tegoed van één uur, terwijl B een schuld heeft van een uur. B kan dan het gras afrijden bij C en zo zijn schuld afbouwen. Daarop kan C een babysit houden voor A en staat iedereen weer op nul. Dit systeem kost geen enkele persoon écht geld. Het idee is echter niet nieuw. Lietaer schreef zijn boek al in 1999 en echt doorgedrongen is het systeem van complementaire muntsystemen nog niet, maar theoretisch lijkt het een interessant idee, zeker in de wetenschap dat we ingevolge de vergrijzing meer handen zullen nodig hebben, en er niet veel meer geld voorhanden is.

In een tweede deel staat Van Brempt stil bij de problematiek van de multiculturele samenleving. Ook hier doet ze aan zelfkritiek: ‘We hebben al te lang, maar vooral te ongenuanceerd verteld dat migratie een aanwinst was voor de samenleving.’ Daarbij bleef ‘links’ al te vaak blind voor de problemen die de migratie veroorzaakte onder autochtonen. Daarbij komt ze terecht bij het gedachtegoed van professor Rik Pinxten en zijn pleidooi voor een actief pluralisme. Ik vrees dat dit een slag in het water wordt. Van Brempt blijft nog te veel vasthaken aan het cultuurrelativisme en de waarde van religie als bindmiddel in de samenleving, zoals ook Steve Stevaert ons voorhoudt. Dat klopt echter niet. Religie is vaker een splijtzwam dan een bindmiddel. Progressieven moeten resoluut kiezen voor een ‘universele seculiere moraal’ en pal achter de Verlichtingswaarden staan. Dat deden ze bijvoorbeeld in de jaren 60 en 70 van de 20ste eeuw in de succesvolle strijd tegen de segregatie van de zwarten in de VS, tegen de Apartheid in Zuid Afrika en voor de gelijke rechten van vrouwen. Die emancipatiestrijd moet verder gevoerd worden. Ondermeer tegen orthodoxe religieuze stromingen die ervoor zorgen dat mensen, vooral vrouwen, onderdrukt worden. Religies mogen niet langer publiek gefinancierd worden (laat dat over aan private initiatieven) en een neutrale overheid moet waken over een consequente scheiding van kerk en staat. Het wordt ook tijd om deze problematiek los te zien van het racisme en de discriminatie – die weliswaar in grote mate aanwezig zijn in onze samenleving – maar niet langer een excuus mogen vormen om niet in te gaan tegen praktijken en tradities die haaks staan op rechten en vrijheden van het individu waarvoor onze voorgangers gestreden hebben.

Van Brempt blijft ook onduidelijk over migratie. We kunnen niet alle asielzoekers in ons land toelaten en ze staat kritisch tegenover legale arbeidsmigratie. Waarna ze naar de kern van het probleem gaat. ‘Zolang de illegaliteit in Europa aantrekkelijker is dan de miserie in eigen land, is bestrijding van de ellende in ontwikkelingslanden de belangrijkste oplossing voor de migratiepolitiek’, zo schrijft ze, waarbij ze haar geloof uitspreekt in solidariteit en vormen van herverdeling. Dat klinkt mooi, maar ze vergeet wel dat de grootste oorzaak voor de armoede in het Zuiden, het protectionisme van de rijke landen is. Juist door allerlei importheffingen, productiesteun en exportsubsidies in de landbouw bijvoorbeeld, zorgen we ervoor dat arme landen geen kansen krijgen. Het zijn allerlei belangengroepen, zowel in de landbouw, maar ook in de textiel- en staalindustrie in de VS, Europa en Japan, die maken dat lokale producenten in het Zuiden geen enkel perspectief meer hebben. Wat we nodig hebben is meer vrije handel en minder protectionisme. Haar gesprekspartner Rik Pinxten erkent dit laatste en wijst naar het protectionisme als oorzaak van de duale samenleving: ‘Dat hebben wij mee gecreëerd door goedkope landbouwproducten te dumpen en de lokale landbouw kapot te maken.’ Ook Job Cohen, de socialistische burgemeester van Amsterdam, sluit zich hierbij aan: ‘In termen van handelsakkoorden bijvoorbeeld zullen we minder zelfzuchtig moeten worden’. Inzake migratie wijst hij erop dat de geldoverdrachten die gebeuren door mensen die hier komen werken, veel groter en efficiënter is dan ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast zou het toekennen van eigendomsrechten aan de talloze armen in de sloppenwijken rond grote steden in het Zuiden, een liberaal principe zoals voorgesteld door ontwikkelingseconoom Hernando de Soto, vele miljoenen mensen uit het slop kunnen halen, en niet, zoals Pinxten bepleit, via het instellen van coöperatieve tuintjes langs spoorwegbermen, een systeem dat in het verleden zijn ondeugdelijkheid meer dan eens bewezen heeft.

Het is opvallend dat gezinsbeleid niet langer alleen een topic is voor christen-democraten. Sinds de ethische realisaties onder de paarsgroene regering met het homohuwelijk als belangrijkste symbool hebben ook andere ideologieën dit thema opgepikt. Van Brempt schrijft terecht dat ‘maatregelen die enkel gezinsvriendelijk zijn voor één gezinstype, in werkelijkheid niet gezinsvriendelijk (zijn), maar discriminerend.’ Daarbij pleit ze voor een evenredig kraamverlof voor mannen en vrouwen, alhoewel ze beseft dat dit handenvol geld kost. Ze stelt ook voor om het kindergeld op te trekken en het voor zelfstandigen en werknemers gelijk te trekken, wat de logica zelf is, maar zowel om budgettaire als partijpolitieke redenen blijkbaar nog steeds onhaalbaar blijft. We moeten beseffen dat de middelen van de overheid beperkt zijn en dat een grotere belastingsdruk onmogelijk is en zelfs een gevaar voor de werkgelegenheid en derhalve voor de sociale zekerheid. Hier zou het systeem van de complementaire munteenheden inderdaad soelaas kunnen bieden. In haar interview met de Noorse staatssecretaris voor Gelijke Kansen heeft Van Brempt het ook over verplichte quota voor vrouwen in overheidsbedrijven, bedrijven waarin de overheid participeert en beursgenoteerde bedrijven, het recht op kinderdagverblijven en het belang van kinderen in geval van een echtscheiding. Allemaal zaken die een ernstig maatschappelijk debat verdienen omdat ze ten gronde gaan over belangrijke principes als vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.

Het laatste deel van dit boek is het meest ideologische en derhalve ook het meest interessante. Van Brempt stelt terecht dat socialisten het altijd moeilijk gehad hebben met individualisme of het al te gemakkelijk gelijkstelden met egoïsme. Dat zijn inderdaad twee verschillende begrippen. Individualisme is een bijzonder positieve kracht. Het betekent het recht op zelfbeschikking voor elke mens, de mogelijkheid van mensen om zelf hun levensplan in te vullen. Of ze geloven of niet, of ze trouwen of niet, en zo ja, met wie ze trouwen, welk beroep ze gaan uitoefenen, waar ze gaan wonen, met wie ze vriendschapsbanden willen aangaan, enzovoort. Het recht op zelfbeschikking is de meest progressieve strijd die er bestaat en ware progressieven moeten er verder voor strijden, want voor de meerderheid van de bevolking, vooral voor vrouwen, is het nog steeds een onbereikbaar doel. Zelf pleit de auteur voor ‘een nieuw compromis tussen individualisme en solidariteit’ waarbij ze het heeft over ‘een modernisering van de overheid, zodat die tegemoet kan komen aan het verlangen naar autonomie van individuele burgers’ als een uitdaging om het solidariteitsmechanisme in stand te houden. In die zin streeft Van Brempt naar een ‘kansrijke overheid die haar burgers mogelijkheden biedt, mogelijkheden tot zelfontwikkeling, tot autonomie, tot echte keuzes.’

Ook over het in linkse kringen vermaledijde ‘consumentisme’ neemt Van Brempt een meer genuanceerde stelling in en vermijdt ze het al te moraliserende discours. Die omslag gebeurde reeds onder Freya Van den Bossche die ‘consumentenzaken’ op de politieke agenda plaatste, namelijk het beschermen van consumenten tegen malafide praktijken van producenten en dienstverleners. Hiermee sporen ze met het idee van de liberale filosofe Martha Nussbaum die opkomt voor ‘empowerment’ van mensen, zodat ze als burger en consument beter geïnformeerd worden en beter kunnen opkomen voor zichzelf en voor anderen. Het begrip ‘empowerment’ is in essentie een liberaal strijdpunt. Liberalen willen niet dat anderen keuzes voor ons maken, maar wel dat mensen goed geïnformeerd worden om zelf keuzes te kunnen maken. Ook op het vlak van de partijwerking wil Van Brempt afstappen van de traditionele werkwijze en niet-leden een grotere adviserende rol geven en meer interne kritiek toe te staan. ‘Het lijkt me absoluut noodzakelijk dat de brede partijtop aangejaagd wordt door een of meerdere kritische denktanks’, aldus Van Brempt, waarbij ze verwijst naar The Fabian Society die New Labour voedt en bekritiseert. Het is een rol die in Nederland gespeeld wordt door Waterland, een progressieve denktank die de linkse leegte te lijf gaat en in Vlaanderen door Liberales, een denktank die het liberalisme ziet als een progressieve beweging en zich afzet tegen het conservatisme op sociaal-economisch, ecologisch en ethisch vlak van de verzuilde partijen en structuren. ‘We lijken het vertrouwen te zijn kwijt geraakt in onze boodschap’, aldus Van Brempt. Dat is een harde maar wel juiste analyse.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Kathleen Van Brempt, Verder dan morgen. Gesprekken met uitzicht op de toekomst, Houtekiet, 2008, 287 blz.

Kathleen Van Brempt

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be