Niemandsland. Biografie van een ideaal

boek vrijdag 29 januari 2010

Marcel van Dam

Al wie vijftig jaar of ouder is, weet dat de politieke ideeën in de loop van de voorbije decennia grondig veranderd zijn. Tot diep in de jaren zeventig heerste het geloof dat de overheid een belangrijke rol te spelen had in de samenleving. Het was de periode van de uitbouw van de sociale welvaartstaat die steeds grotere vormen aannam. Maar ook op andere terreinen zag de politiek een belangrijke rol weggelegd voor de overheid. Die moest niet alleen zorgen voor scholen en ziekenhuizen, maar ook voor treinvervoer, luchtvaart, sociale woningbouw, radio en televisie, telecommunicatie. Tal van staalfabrieken en textielbedrijven werden toen direct en indirect gefinancierd met overheidsgeld, kwestie van de tewerkstelling op peil te houden. Het waren de hoogdagen van de keynesiaanse economie die voorschreef dat de overheid moet investeren in de economie om het herstel te stimuleren. Als de overheid bijvoorbeeld een groot infrastructureel project opstart, zal dit leiden tot meer banen en een hogere consumptie, en daardoor weer tot een hogere productiviteit. Door de investeringen van de overheid kan de vraagkant van de economie worden gestimuleerd, wat dan weer positieve gevolgen heeft voor de economie. Het is een theorie die tot het begin van de jaren tachtig in tal van Europese landen min of meer met succes werd toegepast.

De omslag gebeurde onder Margaret Tatcher vanaf 1979 in Groot-Brittannië en onder Ronald Reagan in de Verenigde Staten vanaf 1981. Zij pasten de neoliberale ideeën toe van de beruchte Austrian School & Chicago School die opkwamen voor een minimale overheid, forse belastingsverlagingen, deregulering en een zo absoluut mogelijke vrije markt. Deze ideeën sijpelden vanaf de jaren ’80 ook binnen in het continentale Europa, in het bijzonder in België en Nederland. Het betekende de omslag van de sociale welvaartstaat naar een staat waarbij de nadruk lag op meer eigen verantwoordelijkheid. Over die omslag en de gevolgen daarvan schreef de gewezen Nederlandse socialistische politicus en opiniemaker Marcel Van Dam zijn autobiografische verhaal Niemandsland. Zo beschrijft hij hoe het socialistische kabinet van Joop den Uyl sterk geloofde in de maakbaarheid van de samenleving door de overheid en er zelf mee gestalte aan gaf. Het is een leerrijk boek over een man die samen met heel wat andere linkse idealisten en intellectuelen de wereld bestormden en poogden te veranderen. De legendarische periode rond mei ’68 stond daarin centraal. Het was een tijd waarin alles mocht en kon, dat dacht men althans. Maar na de val van Den Uyl brak ook in Nederland een nieuw tijdperk aan, door de auteur steevast het neoliberalisme genoemd.

‘Ik ben een kind van de jaren zestig’, schrijft Van Dam. Het was de periode van de ontzuiling, de secularisering en de individualisering. Een periode ook van grote opwaartse sociale mobiliteit waarbij het voor brede massa’s mogelijk werd om te studeren en zich op te werken. Zelf heeft de auteur het geluk gehad om van de ene job op te klimmen naar een volgende uitdaging. Als ombudsman voor de televisie werd hij ook snel geconfronteerd met nieuwe problemen, zoals de toename van het aantal ‘gebroken gezinnen, woningnood, sociale verzekeringen en bijstand, het vreemdelingenbeleid, arbeidsvraagstukken, enzovoort’. Die ervaringen zouden hem van pas komen als politicus en die politiek veranderde even snel. Ze werd informeler en toegankelijker voor een breed publiek, er kwam meer inspraak en vrouwen kregen een steeds grotere stem. Maar ondanks al die positieve evoluties zag hij hoe onverschillig men werd tegenover ‘de teloorgang van de sociale controle’ ingevolge de ontzuiling, tegenover de toenemende misbruiken in de sociale zekerheid en de toenemende kleine criminaliteit. Hier is Van Dam niet altijd consistent. Aan de ene kant juicht hij de verworvenheden van het recht op zelfbeschikking toe, maar tegelijk klaagt hij over de afbouw van de vroegere zekerheden. ‘Mensen waren mondiger en assertiever geworden en namen vaker deel aan allerlei acties om eigen belangen te verdedigen’, schrijft hij. Het lijkt wel of hij dit betreurt.

In elk geval bleef (en blijft) Marcel van Dam geloven in de weldaden van de overheid. Zo verzet hij zich tegen een aantal schijnbare evidenties en stelt hij dat het niet waar is dat de overheid niet meer geld mag uitgeven dan er binnenkomt. Een wat bizarre redenering die in het verleden juist geleid heeft tot een oplopend overheidstekort dat we nu, na drie decennia, nog steeds aan het afbetalen zijn. Maar Van Dam draaft door en verkettert de genomen maatregelen zoals het verminderen van de collectieve lastendruk, de budgettering van overheidsbestedingen, deregulering, privatisering van overheidsdiensten, fraudebestrijding in de sociale zekerheid, inperking van de loonkosten, enzovoort. Hij noemt het ‘de Nederlandse variant van het neoliberalisme’. Volgens hem leidde dit alles tot ‘verwoestende gevolgen’ zoals de explosie van de kleine criminaliteit. En nog veel meer, namelijk de aantasting van de normen en waarden die vroeger binnen de zuilen praktisch door iedereen werden gedeeld en nageleefd. Opnieuw is hij inconsistent. Eerst bejubelt hij de ontzuiling waardoor mensen niet langer aan het handje werden gehouden, en nu is het weer een slechte zaak. En zo gaat het bladzijden door. Wat fout is gelopen is steevast de schuld van een zich terugtrekkende overheid, dus moet de overheid opnieuw in het getouw komen. Dat betekent niet dat hij de lijn van de PVDA volgt. In zijn analyse is de PVDA zowat even liberaal als de VVD, heeft ze haar idealen verloochend omwille van de macht en is ze mee verantwoordelijk voor de afbouw van de verzorgingsstaat. Dat komt omdat de PVDA volgens hem geleidelijk aansluiting verloor met de laaggeschoolde achterban en de mensen met de laagste inkomens op materieel gebied schandelijk in de steek heeft gelaten. Erger nog, onder Wouter Bos hebben de socialisten volgens de auteur aansluiting gezocht bij het populisme.

Heel wat sterker zijn de sociologische analyses van Marcel van Dam. Zo wijst hij erop dat ondanks de democratisering van ons onderwijs en andere vormingsmogelijkheden, de sociaal-economische verschillen in de jeugd grote gevolgen hebben. Kinderen uit arme gezinnen raken maar zelden uit de vicieuze cirkel. ‘Een lage opleiding en een laag inkomen van de ouders zijn belangrijke indicatoren voor een lage opleiding en een laag inkomen voor de kinderen en voor een slechte gezondheid, criminaliteit, verslavingen en werkloosheid’, schrijft de auteur. In onze huidige prestatiemaatschappij wordt het steeds moeilijker voor een groep mensen die gewoon niet beschikken over de gepaste vaardigheden. Het zorgt voor een nieuw soort kaste die hij treffend omschrijft als ‘de onrendabelen’ of ‘mensen die niet, of niet helemaal, kunnen voldoen aan eisen welke door de overheid en werkgevers wordt gesteld’. Van Dam schat het aantal ‘onrendabelen’ (geheel of gedeeltelijk) op 15 à 20 procent van de bevolking, een aantal dat volgens hem nog toeneemt. En de problemen zijn het grootst voor kinderen van allochtone ouders met lage inkomens die leven in verloederde wijken en doorgaans niet stemmen zodat ze niet echt vertegenwoordigd zijn in de politiek. Het probleem van de ‘onrendabelen’ is dé sociale kwestie van onze tijd, aldus de auteur.

De analyse van Marcel van Dam van wat er in het verleden allemaal fout is gegaan, is hard en vaak terecht. Minder duidelijk en overtuigend is hij over de toekomst. Moeten we terugkeren naar de situatie van voor de jaren tachtig? Zelf doet de auteur een aantal voorstellen, al zijn die helemaal niet zo nieuw. Hij heeft het over een kilometerheffing als middel om werknemers niet te ver van huis te laten werken, het vergroten van de arbeidsparticipatie en het creëren van werk, in het bijzonder banen die geschikt zijn voor mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Om de achterstand van mensen te bekampen wil hij de achterstandswijken opknappen en een spreidingsbeleid voeren. En er is volgens hem vooral nood aan ‘een collectieve toekomstdroom’ waarbij gestreefd wordt naar een rechtvaardige samenleving. Daardoor eindigt deze ‘biografie van een ideaal’ een beetje in mineur. Marcel van Dam kan goed en scherp analyseren, maar net als bij heel wat andere sociaal-democraten blijft zijn alternatief bijzonder vaag.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Marcel van Dam, Niemandsland. Biografie van een ideaal, De Bezige Bij, 2009

Marcel van Dam

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be