Kapitalisme zonder remmen

boek vrijdag 30 september 2011

Maarten Van Rossem

De stelling van Francis Fukuyama in zijn boek Het einde van de geschiedenis en van de laatste mens dat de liberale democratie het ideologische pleit definitief gewonnen had, is sinds 2008 van tafel geveegd. De wereldwijde financiële en bancaire crisis zorgde immers voor vlijmscherpe kritiek op het ongebreidelde marktdenken en het neoliberalisme dat de voorbije drie decennia zo dominant was, in het bijzonder in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Die neoliberale beweging begon haar opmars op het einde van de jaren ’70 toen bleek dat het Keynesiaanse denken, leidde tot onbeheersbare overheidsuitgaven, toenemende tekorten en een neergang van de economische productiviteit. Nieuwe, meer adequate oplossingen werden voorgesteld door de Nobelprijswinnaars voor Economie Friedrich von Hayek en Milton Friedman. Ze stelden voor dat regeringen de uitgaven van hun overheden drastisch zouden inperken, de belastingen gevoelig te verlagen, tal van bedrijfstakken te privatiseren en een politiek van deregulering te volgen zodat de vrije markt maximaal zou kunnen functioneren. Hun ideeën hadden een grote invloed op het doen en laten van de regeringsleiders Reagan en Tatcher in de jaren tachtig.

Over deze evolutie schreef de Nederlandse hoogleraar en publicist Maarten Van Rossem een vlijmscherp essay onder de titel Kapitalisme zonder remmen waarin hij ingaat op de opkomst en de ondergang van wat hij het ‘marktfundamentalisme’ noemt. Op een heldere manier legt hij uit hoe het neoliberale denken is kunnen ontstaan, hoe het fundamentalistische trekken kreeg en uiteindelijk in 2008 ten onderging. Toch is Van Rossem er niet van overtuigd dat men de les van de financiële en bancaire crisis begrepen heeft. Daarvoor is en blijft het ‘geloof’ in de almacht en het zelfregulerend karakter van de vrije markt te groot. ‘De semi-sacrale rol van de markt als probate oplossing voor alle maatschappelijke problemen’, werd vooral in de Verenigde Staten geloofd, gepropageerd en aangemoedigd. Ondermeer door Alan Greenspan, de voormalige voorzitter van de Fed, de Amerikaanse Centrale Bank. Die speelt ook de hoofdrol in het indrukwekkende boek De utopie van de vrije markt van de Nederlandse hoogleraar Hans Achterhuis dat heel wat discussie losweekte binnen liberale kringen. Vooral rechts-conservatieve en libertarische denkers en politici voelden zich aangesproken en verweten Achterhuis eenzijdigheid. Wie het essay van Van Rossem leest, zal echter vaststellen dat Achterhuis een correcte analyse maakte.

Al sinds de jaren dertig, en zeker na de Tweede Wereldoorlog werd een meer door de overheid gestuurde economische politiek gevoerd, ook in het Westen. Eén element daarin was een strakke regulering van de financiële sector die tijdens het Interbellum al diverse schokken had ondergaan met massale werkloosheid en waardeloosheid van nationale munteenheden tot gevolg. Zo bracht men ‘een scheiding aan tussen speculatief opererende zakenbanken en normale depositobanken’, aldus Van Rossem. Het Keynesiaanse systeem legde in elk geval binnen de Europese Economische Gemeenschap geen windeieren. De auteur wijst op het feit dat de economie er snel groeide, maar dat men tegelijk oog had voor de uitbouw van een ‘sociale wetgeving, dat zekerheid bood in het voortijlende veranderingsproces.’ Hij heeft het dan ook over de Gouden Jaren waarin overheden streefden naar volledige werkgelegenheid en een stabiele groei die zorgden voor zekerheid en optimisme in de toekomst. Tot het systeem in de jaren ’70 sputterde, de groei verminderde en vooral de inflatie aanwakkerde. Het lijkt een ode aan de planeconomie, maar Van Rossem weet beter en beseft de inefficiëntie ervan: ‘De planeconomie was in staat simpele groei te genereren, maar structurele economische veranderingen en technologische innovatie bleken niet mogelijk’, zo schrijft hij.

Het moest dus anders en de adepten van de vrije markt kregen steeds meer invloed op het beleid. Maarten Van Rossem ziet het jaar 1977 als hét cruciale keerpunt. Toen liberaliseerde de Amerikaanse president Carter de hele transportsector en bepaalde delen van de financiële sector. De overtuiging groeide tot een dogma dat de vrije markt de oplossing was ‘als een complex, zelfregulerend, informatieverwerkend systeem’. Het mondde al snel uit in een vorm van marktfundamentalisme. De kern daarvan ‘is de veronderstelling dat het individu in economisch opzicht rationeel handelt’, aldus de auteur, maar daar is geen sprake van. Zo wijst hij op irrationele handelingen die voortkomen uit bepaalde vooroordelen. Van Rossem geeft twee voorbeelden. Mensen zijn gevoelig voor de dramatisering van gebeurtenissen door de media. Zo weigerden veel mensen na 9/11 nog een vliegtuig te nemen alhoewel dat veiliger is dan autorijden. En er bestaat de menselijke neiging om te kiezen voor het ongemak van het status-quo boven de onzekerheid van de verandering. Ook heel wat (vooral Amerikaanse) politici en andere beleidsmakers waren overtuigd van de ‘wetenschappelijkheid’ van de absolute vrije markt. Denk aan de Laffercurve waarmee zou bewezen zijn dat minder belastingen steevast zou leiden tot grotere opbrengsten. Nu klopt dat soms wel, maar de enorme lastenverlagingen in de VS voor rijken hebben dat effect helemaal niet gehad.

Ingrijpender nog waren de dereguleringen eind jaren ’80 in de bankensector. Toen begonnen gewone spaarbanken met de uitgifte van Collateralized Debt Obligations en later de Credit Default Swaps waarbij de risico’s op het nemen van hypotheken werden samengevoegd en doorverkocht. Hypotheekbemiddelaars keken steeds minder na of hun cliënten wel in staat waren om hun schulden af te lossen. Zo kochten miljoenen mensen een huis op afbetaling in de veronderstelling dat de rente laag zou blijven en de waarde van de huizen zou blijven stijgen. ‘Zo ontstond een ware leenexplosie’, aldus Van Rossem, en hoe onbetrouwbaar die hypotheken ook waren, ze kregen van de kredietbeoordelingfirma’s steevast een AAA-rating. De problemen ontstonden toen in 2006 de huizenprijzen daalden en de rente steeg. Tal van hypotheekbedrijven raakten in moeilijkheden en ook de grote kredietverstrekkers kwamen in de problemen. In 2008 ging Lehman Brothers over kop en de overheid weigerde te helpen. Het was een catastrofe voor negen miljoen Amerikanen die hun huis verloren. En de crisis zette zich wereldwijd door want tal van grote banken hadden intussen rommelkredieten in hun portefeuilles. Om de gevolgen van de bancaire crisis op te vangen konden overheden maar één zaak doen: financiële steun geven aan banken in moeilijkheden.

De moraal van het verhaal was dat de uitwassen van het marktfundamentalisme moesten opgevangen worden door zuivere overheidsinterventies. Hiermee werd het funeste effect van het marktfundamentalisme duidelijk: winsten werden geprivatiseerd, en verliezen werden gesocialiseerd, zeg maar betaald door alle belastingbetalers. De hele kwestie maakt alvast duidelijk dat het neoliberale dogma van het afbouwen van de overheid in de VS geleid heeft tot een weinig rooskleurige situatie voor de lagere en middeninkomens. De modale Europese burger staat er op dat vlak beter voor. ‘Hij verdient meer, zijn arbeidszekerheid is groter, hij kan rekenen op een gegarandeerde toegang tot betere en goedkopere gezondheidszorg, hij heeft veel meer vakantie, hij werkt aanzienlijk minder uren per jaar en hij kan gebruikmaken van een veel betere infrastructuur in de ruimste zin van het woord’, aldus Van Rossem. Het is een harde maar juiste analyse. Een waarschuwing ook die beleidsmensen in de EU moet weerhouden om dezelfde fout te maken. Kapitalisme zonder remmen is een goede zaak voor een kleine elite, de Dagobert Ducks van deze wereld, maar treft de minder begoeden. Het is noodzakelijk om de pijlers van onze sociale zekerheid zoals we die in België en Nederland kennen met hand en tand te verdedigen. Uiteraard kunnen we het moderniseren en verfijnen, maar elke vorm van privatisering in deze sector moeten we met argusogen bekijken.

Maarten Van Rossem staat bekend als een sociaal democraat. Toch is dit essay geen politiek pamflet. Hij beschrijft de uit de hand gelopen situatie in de VS objectief, helder en zakelijk. Dit essay moet in brede kring gelezen worden, ook in liberale middens, opdat men zou beseffen dat dogmatisch denken altijd leidt naar de hel.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Maarten Van Rossem, Kapitalisme zonder remmen, Nieuw Amsterdam, 2011

Links
mailto:verhofstadt.dirk@telenet.be
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties'. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be