Met de moeilijkheden bij Ford-Genk is tewerkstelling opnieuw hét belangrijkste thema geworden in de politiek. Het besef groeit dat de hoge loonkosten in ons land een serieuze handicap betekenen voor de creatie van meer welvaart. Paul De Grauwe stelde vroeger reeds dat de industriële tewerkstelling in ons land in de komende jaren nog verder zal afnemen. Uit studies en rapporten blijkt echter ook dat we in ons land veel te weinig ondernemen. Mensen durven blijkbaar geen risico’s meer te nemen en aan de universiteiten en hogescholen zien we een vernieuwde belangstelling voor opleidingen die een baan verzekeren bij de overheid, zoals het onderwijs. Hoe komt het toch dat zo weinig mensen beginnen met een nieuwe onderneming? Over dit prangende probleem schreef de Vlaamse ondernemer Bart Verhaeghe een opmerkelijk boekje onder de titel Zeg niet aan mijn moeder dat ik ondernemer ben. Ze denkt dat ik op zoek ben naar een job. Hierin schetst hij niet alleen het succesvolle verhaal van zijn eigen ondernemerschap, maar ook de praktische problemen die hij en zijn collega’s ondervinden bij het opstarten van een zaak en nieuwe visies op hedendaagse problemen als mobiliteit, leefmilieu, arbeid, migratie, vergrijzing en politiek.

Het verhaal van Bart Verhaeghe is als een ‘American dream’. In 1990 begon hij als bedrijfsadviseur bij KPMG Management Consulting. Drie jaar later werd hij bestuurder van Groep Verhelst en de drijvende kracht achter de vastgoedontwikkelaar Eurinpro. Als zoon van een ambtenaar en een huisvrouw bouwde hij in 10 jaar tijd een vermogen uit dat hem in de top-100 van de rijkste Belgen catapulteerde. Toch is hij nog maar 38 jaar. In zijn boek gaat hij resoluut in tegen het doemdenken en de angst die bij velen leeft om initiatief te nemen, maar ook tegen het beeld van de ondernemer als profiteur en onderdrukker. Wat we volgens de auteur nodig hebben is meer verantwoordelijkheidsgevoel en het besef dat we meer welvaart moeten scheppen. “Armoedebestrijding kan alleen door ondernemerschap”, zo schrijft hij maar toch zijn slechts 4,6 procent van de 18- tot 64-jarige Belgen bezig met het opstarten van een eigen bedrijf, terwijl dat internationaal 9,6 procent is.

Een belangrijke verantwoordelijkheid ligt volgens hem bij de politiek die niet vooruit denkt en feitelijk inspeelt op de angst voor verandering bij de mensen door steeds nieuwe regels uit te vaardigen om aldus (valse) zekerheid te creëren. Hij verwijst als projectontwikkelaar naar enorme en ingewikkelde regelgeving in de vorm van plannen van aanleg, structuurplannen, stedenbouwkundige verordeningen, procedures inzake vergunningen, controle op de commerciële inplanting, mobiliteitsplannen, allerlei reglementeringen inzake milieu, hygiëne, volksgezondheid, brandveiligheid, fiscale en sociale regels, enz… Ergerlijk is bijvoorbeeld dat ons land een tekort aan bedrijfsterreinen heeft maar dat men intussen wel uitpakt met vogelrichtlijnen, bescherming van ankerplaatsen, habitatgebieden, archeologisch patrimonium en erfgoedlandschappen. Het gaat om nobele doelen maar die onderdrukken wel economische activiteiten terwijl die doelen juist het best gebaat zijn met die economische activiteiten.

Hij wijst ook op de nefaste rol van intercommunales die industriegronden alleen verkopen aan investeerders die ook eindgebruikers zijn, maar dat gaat voorbij aan de economische nood aan outsourcing (slechts 10% van de bedrijven voorziet nog in de eigen huisvesting). In de jaren zeventig werden gronden ook toegewezen aan multinationals die het lieten liggen voor een eventuele uitbreiding. Veel van die gronden blijven nu ongebruikt, maar multinationals houden de rechten op die gronden. In het boek haalt de auteur een voorbeeld aan van gronden van een multinational langs de A12 die men niet terug als bedrijfsterrein kon gebruiken omdat er intussen populieren op geplant waren en het opeens onder het ‘bosdecreet’ vielen. De auteur stelde voor om op een ander terrein eenzelfde ‘bos’ te planten, maar de overheid kon er geen vinden. Eigenlijk gaat het hier om een ‘zonevreemd’ bos. In sommige gevallen spelen de intercommunales ook zelf ontwikkelaar, op basis van andere regels, waardoor ze de normale concurrentie vervalsen.

Bedrijven doen alleen zaken waarin ze het best zijn. Bart Verhaeghe verwacht dit ook van de overheid. Hij pleit niet zozeer voor ‘minder staat’ maar wel voor een ‘andere staat’. Slechte regelgeving leidt er immers toe dat een land economisch nadeel ondervindt. Wat bedrijven van de overheid verwachten is sociale en politieke stabiliteit, een wettelijk kader, vrije markten, een degelijke infrastructuur en goed geschoolde krachten. Wat dat laatste betreft vindt de auteur dat ons onderwijs te eng gericht is op kennisverwerving en dat creativiteit en ondernemingszin te weinig gestimuleerd worden. Hij doet het concrete voorstel om het eerste beroepsjaar van een jonge werknemer te subsidiëren want onervaren mensen opleiden is bijzonder duur. Opvallend is ook zijn pleidooi om kennis uit het buitenland te halen en dus de migratiestop op te heffen. Amerika, maar ook het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, bereiden zich voor om talent uit India en andere Aziatische landen toe te laten. Hij gelooft niet dat dit leidt tot een ‘brain drain’ maar eerder tot een ‘brain circulation’ met innovatie en groei voor het land van herkomst.

De omschakeling van de industriële economie naar de kenniseconomie behoeft een andere manier van werken waarbij tijd en ruimte minder belangrijk worden. Daarom moeten we evolueren naar een vorm van ‘smart offices’ waar werknemers kunnen inpluggen op het computernetwerk. Kantoren ook die ingebed worden in een soort ‘campus’ waar allerlei faciliteiten bestaan voor voeding, bankieren, droogkuis, ontspanning en opvang van kinderen. Over thuiswerken blijft de auteur opvallend kort, alhoewel dit een van de meest efficiente middelen is om het mobiliteitsprobleem op te lossen. Waarschijnlijk spoort dit niet met zijn core-business ‘kantoorruimtes’ te bouwen. Over het mobiliteitsprobleem blijft de ondernemer zelf ook met meer vraagtekens zitten dan oplossingen.

In 2000 werd Bart Verhaeghe ook mede-oprichter en beheerder van de Association Verelst, een non profit vennootschap die financiële steun verleent aan duurzame ontwikkelingsprojecten in de derde wereld. Hij uit daarbij felle kritiek op de niet-gouvernementele organisaties die blijkbaar weinig geloof hechten in de nobele bedoelingen van ondernemers die zich humanitair engageren. De auteur neemt het op voor mensen als Bill Gates die indrukwekkende sommen besteden aan de bestrijding van ziektes in ontwikkelingslanden.

Durf ondernemen is de centrale boodschap van de auteur. Want ondernemen zorgt voor werk en werk is essentieel voor de mens en zijn welvaart. Zijn optimistisch pleidooi voor creativiteit en doorzettingsvermogen werkt aanstekelijk en maakt van dit boekje een interessant document dat als stimulans kan dienen voor jongeren om de stap naar het ondernemerschap te zetten. Maar ook nuttig voor politici, want net zij moeten ‘ondernemen’ opnieuw aantrekkelijk en eenvoudiger maken.


Recensie Dirk Verhofstadt

Bart Verhaeghe, Zeg niet aan mijn moeder dat ik ondernemer ben, Level, 2003

Bart Verhaeghe

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be