Volgens de Quakers is het niet de gender of de seksuele geaardheid, maar de ernst van de gevoelens die primeren in de beoordeling van een relatie. Een decennium later, in 1975 en 1977 namen de Union of American Hebrew Congresses en de Central Conferences of American Rabbis een resolutie aan die pleitte voor burgerrechten van holebi’s. Als het christendom wortelt in het judaďsme, en de islam op beide tradities stoelt, waarom liep het dan mis met die laatste religie? In zijn boek over holebi’s in de Arabische wereld, Unspeakable Love (2006), poneert de Britse journalist Brian Whitaker dat dat komt omdat er geen progressieve richting binnen de islam is die een ernstige interne uitdaging zou kunnen vormen. Er is een revolutie nodig, zonder bloed maar van het hart. ‘De Arabo- islamitische mens’, stelt sociologie professor Abdessamad Dialmy, ‘is nog steeds van het humanisme verstoken. God is de centrale en de ultieme referentie. Politieke partijen praten over democratie en mensenrechten, maar geen enkele stelt de mens centraal, niemand strijdt voor vrijheid van levensbeschouwing of religie, atheďsme is volstrekt onaanvaardbaar. Buiten de godsdienst is er geen moraliteit.’ Voor Dialmy is de vrije mens in de moslimmaatschappij nog niet geboren. Hij is een instrument en een manifestatie, van Wie hij komt en naar Wie hij terugkeert. Wie onvrij is, kan zijn lot niet in eigen handen nemen. Catherine Vuylsteke geeft daar in haar boek Onder mannen. Het verzwegen leven van Marokkaanse homo’s verschillende intreurige voorbeelden van. Ze voerde gesprekken met achttien Marokkaanse homo’s. Het gaat om zeer empathische gesprekken van een serene en verontruste vrouw met jonge Marokkaanse, bloedmooie goden, verscheurd tussen hun liefdes, hun tradities, hun families en hun al te strenge monotheďstisch onverbiddelijke religie. Deze verscheurdheid grijpt heel ver in de intimiteit van die jonge levens in, die voorts nog gekweld worden door helse moeders en dictatoriale vaders, die er soms nog een psychoanalyst bij sleuren om de betrokkenen van hun ‘ziekte’ te genezen. Het onbegrip van zo een psychologe voor de ‘foute’ keuze van Tahi schreit ten hemel. De psychologe kon het echt garanderen, zo gaat ze te keer, dat er bij God geen plaats was voor homo’s. Het kon toch niet zijn dat een knappe, verstandige jongen als hij moedwillig voor de hel zou opteren? Wist hij dan niet welke geneugten een fatsoenlijk mens in het paradijs wachten? Elke man krijg er zeventig ‘houris’ ter beschikking, wonderlijke wezens die geeneens last hebben van maandstonden en die na elke penetratie opnieuw maagdelijk zijn. Van musk zijn ze gemaakt, van amber ook, en van kamfer, aloë en sandelhout. In het paradijs mag een man zich verheugen op een eeuwige erectie, zijn orgasmen resulteren niet in onzuiverheden zoals zaadlozingen, maar ze duren wel vierentwintig uur lang. Iedereen is eeuwig jong en impotentie bestaat niet. Het paradijs is de totale en absolute bevrediging van de begeerte. Tahi, een wondermooie homoseksuele Marokkaan, is er niet van onder de indruk. Zijn moeder heeft, in haar ijver om hem op het juiste pad te krijgen, een predikende kwezel ingehuurd, in plaats van een psychologe. Zij kwam wel al gauw met de onvermijdelijke conclusie aandraven dat ‘de patiënt’ geestesziek was. Het was ernstig, zij het niet hopeloos. Het was duidelijk dat het mens in kwestie zelf rijp was voor een zielenknijper. Een homoseksuele dokter, Jamal, is er door zijn jarenlange Marokkaanse ervaring van overtuigd dat het land rijp is voor een collectieve psychoanalyse. ‘Tot voor kort’, zo stelt hij, ‘behoorden psychologie en psychiatrie niet tot de studiemogelijkheden. Koning Hassan II hield niet van zielenknijpers. In zijn jaren van lood was er geen plaats voor waarheid en echte gevoelens. De terreur en de stilte regeerden.’ De modale Marokkaan is sinds zijn of haar kindertijd juist in dit keurslijf van conformisme gedwongen en stelt er nauwelijks vragen bij. Zoveel zwijgen en veinzen heeft een gigantische mentale impact op een rigide en alleen naar de letter handelende godsdienstige gemeenschap. Maar het zit diep, heel diep. Het betoonde begrip heeft zijn grenzen. Wanneer de auteur haar gesprekspartner wijst op de gevaren van het islamfanatisme, stokt het gesprek, ondanks alle vernederingen die de betrokken jongeman vanwege die onverbiddelijke religie heeft moeten verwerken. Marokkanen mogen in die dialogen wel kritische opmerkingen plaatsen, maar een Westerse journaliste moet heel erg opletten met haar kritiek. Wanneer de auteur er haar verwondering over uitdrukt dat de gewelddaden in de wereld, van Darfur via Sri Lanka tot Birma nooit een mensenmassa op de been hebben gebracht en zegt dat ze niet begrijpt wat een eventueel kwetsend prentje kan betekenen in vergelijking met de dood van onschuldigen, van iemands kinderen, iemands vader en moeder, iemands oom, tante, neven of nichten, iemands vrienden of geliefde, laat de anders zo gekwelde en verscheurde Saâda haar niet uitpraten. Men kan immers gewone stervelingen toch niet met de Profeet vergelijken? Hij wordt al gauw heel boos. De Islam is blijkbaar ook voor deze zwaar vervolgde en gehate ‘zondaar’ tot heel diep in zijn hart en zijn ziel verankerd. Begrip wordt niet beloond en ruimt plots plaats voor een bulderende Islamitische geloofsbelijdenis die elke nuance overstijgt. Dit is angstaanjagend. Temeer als uit wetenschappelijke onderzoeksresultaten van professor politieke wetenschap Mohammed El Ayadi en hoogleraar antropologie Hassan Rachik blijkt dat deze bange vermoedens terecht zijn. Hooguit drie jonge Marokkanen op tien zien graten in de radicale islam. Twee Marokkanen op drie voelt zich nauwer verwant met een Afghaanse moslim dan met een Palestijnse christen, evenveel ondervraagden zijn de mening toegedaan dat de islam de oplossing is voor álles en dat uit het geloof stappen voor niet minder dan driekwart van hen een volstrekte onmogelijkheid is. Mogelijk nog erger wordt het dat het niet de mannen zijn die de meest rechtlijnige visies zijn toegedaan, maar wel de vrouwen die op haast alle vragen nog rabiater antwoorden dan hun mannen, broers, zonen of vaders. Ik sluit me graag aan bij deze verschrikkelijke conclusies van Catherine Vuylsteke. Zij groeit in dit boek uit tot een grote dame, die de moed heeft het grootste taboe in de moslimwereld, de homoseksualiteit, te doorbreken. Ik hoop dat geen emmers haat, geweld en verderf over haar worden uitgekieperd. Zij verdient integendeel bewondering. Haar moed en empathie waarvan haar boek getuigt verdienen alle steun en lof. Mijn respect heeft zij allang driedubbel verdiend en zij mag er van overtuigd zijn, dat ik voortaan haar artikels in de krant met (nog meer) aandacht zal lezen.
Catherine Vuylsteke, Onder mannen. Het verzwegen leven van Marokkaanse homo’s, Meulenhoff / Manteau, Antwerpen, Amsterdam, 2008, 254 pp, ISBN 978 90 8542 136 8 Catherine Vuylsteke Linksmailto:yves.vandesteen@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|