En mijn tafelheer is Plato

boek vrijdag 19 november 2010

Rob Wijnberg

‘Een filosoof die verwonderd onderzoekt hoe de kosmos in elkaar zit, doet me altijd denken aan een lamp die zich verbaasd afvraagt hoe het komt dat de kamer zo mooi verlicht is’, zo schreef wijlen Harry Mulisch. Daarmee verwees hij naar de vermeende wereldvreemdheid die heel wat filosofen typeert. Ga maar naar de bibliotheek en blader er door de werken van de vele gekende en minder gekende filosofen. In het beste geval gaat het om ingewikkelde zinsconstructies die een onduidelijk antwoord geven op heel eenvoudige vragen. In het slechtste geval is het totaal onbegrijpelijk. En toch zijn er uitzonderingen. Zoals de Franse filosoof André Comte-Sponville, de Zwitserse filosoof Alain De Botton en de Nederlandse filosoof Rob Wijnberg. Die laatste verwerft in snel tempo faam als jongste hoofdredacteur van een landelijk dagblad in Nederland, nrc.next, en als auteur van diverse boeken en essays in dag- en weekbladen. Hij slaagt erin om actuele maatschappelijke problemen te duiden en verstaanbaar te maken aan de hand van uitspraken en denkwijzen van verschillende gerenommeerde filosofen in de wereldgeschiedenis. Met zijn boek En mijn tafelheer is Plato geeft hij een verrassende filosofische inkijk op de actualiteit waardoor je problemen zoals migratie, onderwijs en politiek op een totaal andere manier bekijkt.

Als 28-jarige kent en beheerst Rob Wijnberg de nieuwe media zoals alleen jongeren dat kennen en doen. Hij speelt en werkt met Hyves, Facebook en Twitter en haalt daar ook heel wat inspiratie uit. Toch beseft hij heel goed de impact van de meer ‘traditionele’ media zoals televisie en kranten. Die impact is uitermate belangrijk in de politiek. Burgers kiezen al lang niet meer voor de partij die hun ouders goed vonden, maar gedragen zich als consumenten die op basis van beeldvorming stemmen. Een genuanceerd standpunt kan niet gegeven worden want wie meer dan 20 seconden praat wordt onderbroken. De media leven van ‘oneliners’, ‘gevatte replieken’ en ‘stoutmoedige uitspraken’. En wie is daar het best in? Blijkbaar de populisten want die slagen erin om niet alleen veel kiezers te overtuigen, maar ook de meeste aandacht van de media naar zich toe te trekken. In Nederland is Geert Wilders daar een meester in en Wijnberg onderzoekt de redenen daartoe. Eén van zijn vaststellingen is dat uitspraken, vaak slogans, niet langer geplaatst kunnen worden in een bepaalde context. En juist daarom, zo schrijft hij, is het noodzakelijk om de waan van de dag te overstijgen, en om de filosofie als het middel bij uitstek te gebruiken om die context te verschaffen. Waarop hij als een moderne Don Quichote de windmolens van het moderne politieke bedrijf te lijf gaat. Heerlijk.

Zo fileert hij het ene actuele probleem na het andere. Zoals de kredietcrisis die door tal van politici wordt afgedaan als het failliet van het liberalisme. Wijnberg verwijst naar Adam Smith, een van de grondleggers van het moderne liberalisme, die al in de 18de eeuw wees op de noodzaak van een overheid om de vrije markt in te tomen onder meer door het bekampen van monopolies, kartels en prijsafspraken en, even belangrijk, transparantie van informatie. In elk geval heeft het neoliberalisme niet geluisterd naar Smith en moest de overheid ingrijpen om de banken in nood te redden, kwestie van erger onheil te voorkomen. Waarop de auteur provoceert met de uitspraak dat het kapitalisme iedere crisis te boven komt ‘omdat het socialisme het altijd komt redden’, maar het is wel de realiteit. Hoeveel geld van de overheid, dus van de gewone burgers, is er niet gevloeid om banken in nood te helpen? Bankdirecteurs die juist ongehoorde risico’s namen, niet ten bate van hun klanten, maar omwille van de vette premies die ze als bestuurders konden verdienen als de aandelen stegen, maar die ze ook nog uitbetaald kregen toen het helemaal misliep. Als de financiële en economische crisis één zaak goed heeft aangetoond, dan is het dat de verantwoordelijken voor de enorme financiële en economische puinhoop buiten schot zijn gebleven, op enkele politici na.

Het liberalisme staat sinds de financiële en economische crisis onder druk, en dat is ook logisch, aldus Wijnberg. ‘Het egoïstische mensbeeld gekoppeld aan een vrije markt zorgde er namelijk voor dat onmiddellijke behoeftebevrediging en winstbejag op korte termijn een onbetwistbare status kregen.’ Er is dus nood aan een langetermijnvisie, een engagement en een project van politici en filosofen dat verder gaat dan de waan van de dag. In die zin is het noodzakelijk dat liberalen, vooral liberalen, aan zelfkritiek doen. Ze hebben in het verleden perfect kunnen aantonen dat andere ideologieën waarin een groep, partij of volk centraal stond, geleid hebben tot onderdrukking en onvrijheid. Maar dat mag hen niet blind maken voor de onvolkomenheden van de vrije markt op zich. Ware liberalen, de klassiekers zoals Adam Smith en John Stuart Mill op kop, beseften immers hoezeer een overheid noodzakelijk is om een vrije markt ook eerlijk en correct te laten verlopen. Ze beseften dat een absolute vrije markt kon leiden tot de meest onvoorstelbare onrechtvaardigheid. In die zin moeten liberalen vandaag, meer dan ooit, beducht zijn voor de uitwassen van een ongecontroleerde vrije markt, van het geloof in een absolute vrijheid en van het dogma van het marktfundamentalisme dat in de voorbije decennia geleid heeft tot tal van drama’s. Juist zelfkritiek kan er immers voor zorgen dat het liberalisme uit de slipstream van het utopisme en het populisme blijft.

Maar Wijnbergs blik gaat veel ruimer dan de loutere partijpolitiek. Zo onderzoekt hij de welwillende houding van de toenmalige Nederlandse regering ten aanzien van de oorlog in Afghanistan. Daar verloopt de strijd helemaal niet volgens de plannen en beloftes die gemaakt werden. Momenteel is 80% van het grondgebied opnieuw in handen van de Taliban. De illusie van de Amerikanen om er met geweld een democratie te vestigen, liep er uit op een catastrofe. Mocht het land een democratie worden, quod non, dan voorspelt de auteur er een verval van het land in een ‘zelfgekozen islamitische theocratie’. Hiermee plant Wijnberg een pijnlijke vinger in de aanname dat een democratie van bovenhand kan worden opgelegd. Dat klopt niet. Essentieel, aldus Wijnberg, is dat de Afghaanse economie nog steeds gesloten is en dat er zich geen middenklasse heeft kunnen vormen die belang heeft aan een democratische buffer. Waarna hij controversieel stelt dat niet zozeer de islam een belemmering vormt voor de democratisering van het land, maar het gebrek aan materiële welstand. In die zin plaatst hij ook vraagtekens bij de economische sancties die het westen oplegt aan het land.

Even interessant is zijn visie tegenover veiligheid. Telkens als er iets ergs gebeurt, nemen regeringen draconische maatregelen om de veiligheid van de burgers te vergroten. Maar Wijnberg wijst terecht op het feit dat dergelijke maatregelen altijd gepaard gaan met onbekende risico’s en derhalve nooit volledig kunnen zijn. Daardoor ontstaat een verschil tussen de reële veiligheid en de gevoelde veiligheid. In die zin moeten we opletten dat we met het oog op een ‘gevoelde veiligheid’ maatregelen nemen die de vrijheid en de privacy van de burgers dermate inperken dat ze hun doel voorbij schieten. Hiermee spoort Wijnberg met de Canadese filosoof en liberale politicus Michael Ignatieff die in tal van zijn boeken heeft aangetoond dat een ‘volkomen veiligheid’ een illusie is, en dat we steeds zullen moeten leren leven met een vorm van risico. Wie de perfecte veiligheid wenst, zal al snel terechtkomen in totalitarisme waarin elk vertrouwen tussen mensen plaats maakt voor een vorm van berekening. Ignatieff stelt voor om elke maatregel ter bevordering van meer veiligheid op zijn minst tijdelijk te maken, om de getroffen maatregelen dus na een bepaalde periode te evalueren op hun deugdzaamheid. Dat lijkt me ook de enige manier om zowel veiligheid, efficiëntie als vertrouwen ten aanzien van anderen met elkaar te verzoenen.

Centraal in het boek van Wijnberg staat evenwel het succes van het populisme dat hij deels omschrijft als een gevoel van slachtofferschap van een vijand van buiten en zich kenmerkt ‘door nationalistische sentimenten en sterke nadruk op de homogene culturele identiteit’. Maar belangrijker is volgens de auteur het retorische talent van Geert Wilders waarbij hij de vergelijking maakt met het boek Ars Rhetotica van Aristoteles. Volgens Aristoteles waren er immers drie voorwaarden om retorisch succes te kennen. Ten eerste moet iemand ‘ethos’ of geloofwaardigheid uitstralen, hij moet daadkrachtige oplossingen voorstaan, en hij moet ‘logisch redeneren’. Wijnberg toont feilloos aan de Wilders die drie technieken perfect in de hand heeft en er zelfs in geslaagd is om tal van begrippen die tot het linkse en liberale kamp behoren, zich eigen te maken, zoals de vrijheid van meningsuiting, steun aan de onderdrukten, enzovoort. De opmars van het hedendaagse populisme wijdt Wijnberg aan het feit dat liberale individualisten groepsdenkers werden die het burgerschap en de natiestaat centraal begonnen te plaatsen. Dat kan juist zijn voor wat Nederland betreft, maar klopt niet binnen de Europese liberale traditie, die zich steeds verzet heeft tegen groepsrechten omdat daardoor de rechten van het individu geschonden werden, en dit ongeacht de groep of natie waartoe ze behoorden.

Als er al een discussie binnen de liberale beweging nodig en bezig was, dan ging het niet om de waarde van het individu. Daarover zijn alle liberalen het eens. Maar wel over de status van de overheid, haar macht en efficiëntie. Sommige zogenaamde neoliberalen of libertariërs vinden dat de overheid zich zo weinig mogelijk moet moeien met het leven en denken van de burgers, maar dat klopt niet met het klassieke liberalisme dat juist vindt dat de overheid een cruciale taak te vervullen heeft, namelijk zorgen voor neutraliteit binnen het publieke domein. Zo vinden ware liberalen het noodzakelijk dat de overheid tussenbeide komt als groepsrechten de vrijheid van één enkele mens aantasten. Zo kan het niet dat mensen moeten geloven en doen wat hun familie voorstaat. Zo is het ondenkbaar dat men de democratie opzij wil schuiven, zoals sommige libertariërs willen, om sneller bepaalde ‘edele’ doeleinden te bereiken. En zo kan het niet dat mensen omwille van hun seksuele geaardheid gediscrimineerd worden, zoals werd voorgesteld door de libertarische presidentskandidaat Bob Barr. Liberalen hebben steeds afstand genomen van de dogmatische principes van andere ideologieën, maar ook van diegenen die in naam van het liberalisme hun dogmatische agenda wilden doorvoeren.

Onderwijs is alvast een van de cruciale middelen voor beschaafde samenlevingen. Maar wat is het doel van onderwijs, vraagt Wijnberg zich af? Betekent het een socialisering van onze kinderen of eerder een individualisering? Moeten we onze kinderen klaarmaken om zich te conformeren in onze samenleving, of voeden we ze op als kritische burgers die elke bestaande gezagsstructuur in vraag stellen? Wijnberg meent dat beide taken noodzakelijk zijn, en dat is natuurlijk een pragmatisch antwoord, alsof hij de kool en de geit wil sparen. De Spaanse filosoof Fernando Savater is op dat vlak veel duidelijker. We moeten onze kinderen opvoeden tot kritische burgers die bestaande werkelijkheden in vraag durven te stellen. Dat betekent niet dat jongeren geen respect moeten betonen voor tradities, maar dat ze in staat zijn om tradities op hun mérites te beoordelen. En zo is het leven nu eenmaal. Wie denkt dat hij zijn denkbeelden kan blijven opdringen aan zijn nageslacht dwaalt. Maar evenzo kunnen jongeren niet voorbij aan datgene wat onze voorouders hebben opgebouwd. Hiermee toont de (jonge) filosoof zich een realist en geen dromer. We kunnen het beter hebben, maar vergeet dan niet de fouten die we vroeger gemaakt hebben.

Dat realisme betoont Wijnberg ook in de discussie over de multiculturele samenleving. Zo keert hij zich radicaal tegen de homogene natiestaat die extreemrechtse en populistische politici ons voorhouden. Maar ook het zogenaamd progressieve principe ‘integratie met behoud van eigen cultuur’ is volgens hem te vrijblijvend. In die zin beklemtoont hij het belang van de individualisering, de ontideologisering, de economisering van het publieke bestuur, de globalisering en de mediatisering. Hier blijft de auteur al te zeer op de vlakte. We weten intussen dat de multiculturele samenleving voor problemen zorgt die we niet kunnen uitwissen met slogans of abstracte beleidsdaden. Hier moeten grenzen worden getrokken. Grenzen die steeds ten voordele zijn van het belang en de vrijheid van het individu, desnoods ten nadele van groepsrechten en tradities. Misschien is dit wel de belangrijkste les uit onze huidige manier van samenleven. Namelijk respect betonen voor individuele keuzes van volwassen mensen. En dat levert vaak verrassende resultaten op. Zoals jonge moslimmannen die zich blijven wentelen in een soort slachtoffersyndroom, terwijl tal van moslimmeisjes en vrouwen verder studeren en goed bezig zijn om zich te emanciperen. Het is opvallend dat het de moslimmeisjes zijn, meer dan de jongens, die het goed doen in het onderwijs.

Wijnbergs boek gaat over nog veel meer actuele thema’s. Hij schuwt geen enkel onderwerp en heeft het ook over de biotechnologie en de mogelijkheid om de mens ‘genetisch’ te verbeteren. Wijnberg staat hier terecht sceptisch tegenover, denk aan de enorme commerciële belangen waarover Francis Fukuyama al gezegd heeft dat het bevrijden van de mens van zijn biologische beperkingen ‘het gevaarlijkste idee ter wereld is’. Daarbij is onmogelijk te voorspellen wat alle gevolgen zijn van het technologisch ingrijpen in de menselijke natuur. Maar Wijnberg is geen pessimist en wijst ook op de positieve mogelijkheden van een soort transhumanisme en hierbij verwijst hij naar Ronald Bailey die stelt dat er juist niets menselijkers is dan het streven naar bevrijding van onze biologische beperkingen: vroeger moesten mensen lopen, nu hebben we de auto en het vliegtuig; vroeger moesten mensen jagen, nu hebben we de landbouw en de veeteelt; vroeger konden we elkaar alleen van dichtbij verstaan, nu hebben we de telefoon en de televisie; vroeger moesten mensen alles onthouden, nu hebben we boeken, foto’s en video’s; vroeger gingen mensen dood aan ziektes, nu hebben we medicijnen. In die zin mag er ook geen algemeen verbod komen op bijvoorbeeld stamcelonderzoek en de vermijding van bijzonder zware ziekten.

Veel van deze vraagstukken zullen voer blijven voor politici en vooral van ethici die erover moeten waken dat alles wat gebeurt en wordt toegepast overeenstemt met de menselijke waardigheid en zijn autonome wil, zonder dat dit leidt tot een tweedeling in de samenleving waarbij alleen de ‘happy few’ toegang zou krijgen tot technieken die ons leven ten goede komen. In dat verband verwijst hij ook naar het nieuwe zorgverzekeringsstelsel dat Obama heeft ingevoerd in de VS en dat omschreven wordt als een historische omslag in de richting van het Europese model. De auteur relativeert dit want ook in het nieuwe systeem blijven de zorgverzekeraars commerciële ondernemingen die uit zijn op winst. Maar de verplichting om iedereen toegang te verschaffen tot een verzekering is wel een grote stap vooruit. Wijnberg beschrijft heel goed de botsing tussen het Republikeinse denken dat zich in navolging van de filosoof John Milton keert tegen de dwang die alle burgers wordt opgelegd zich te verzekeren (en te vermijden dat verzekeraars armen weigeren), en het Democratische denken dat overeenkomstig de ideeën van Isaiah Berlin en John Rawls vindt dat ‘de autonomie van de mens juist toeneemt als de overheid hen aan een verzekering helpt’. De auteur wijst ook op de paradoxale houding van de Republikeinen die zich fel keren tegen teveel overheidsbeslag, maar aan de andere kant wel massaal belastingsgeld willen besteden aan het leger.

Het is maar een greep uit de brede waaier aan onderwerpen die de jonge auteur aan bod laat komen. Zo heeft hij het ook over dierenrechten, Europa, het scepticisme, het darwinisme, de media en het pessimisme van koningin Beatrix. Wijnberg beschrijft al die thema’s met verve, met de nodige diepgang en nuance, en met veel empathie. Het levert hem nu reeds de titel van ‘de jonge god van de Nederlandse filosofie’ op.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Rob Wijnberg, En mijn tafelheer is Plato, De Bezige Bij, 2010

Rob Wijnberg

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be