Een 34-jarige leraar aan een gymnasium in Duitsland is een man met idealen. Liever nog dan zieken genezen, wil hij ‘gezonde mensen iets meegeven, een klein steentje voor het gebouw van een betere toekomst’. Jammer genoeg ziet die toekomst er voor zijn leerlingen in de jaren’30 van de twintigste eeuw allesbehalve rooskleurig uit. Het land is immers in de greep van het nazisme, een ideologie die het vrije denken wil vernietigen. Kan de leraar tegen de stroom oproeien? Hij wil wel, maar hij durft niet. ‘Hoe het je ook tegen de borst stuit, wat kun je als enkeling uitrichten tegen de massa? Je kunt je slechts heimelijk ergeren. En ik wil me niet ergeren!’ Maar zelfs zijn lafheid beschermt hem niet, want wanneer hij leerling N op de vingers tikt omdat die in een opstel heeft geschreven dat alle negers mogen creperen, wordt de leraar op zijn beurt door de rector op de vingers getikt omdat de vader van N een klacht heeft ingediend. Volgens die vader heeft de leraar zich aan landverraad bezondigd. ‘Ik weet maar al te goed,’ tiert hij, ‘langs welke slinkse wegen en met welke doortrapte listen men met het vergif van uw halfzachte humaniteitsdenken onschuldige kinderzielen tracht te onderwerpen.’ Wanneer de leraar samen met die kinderzielen naar een oefenkamp in de bergen vertrekt, blijkt dat de oproepen tot haat en geweld van het regime hun effect niet hebben gemist. Heeft een roman over het extremisme van het Derde Rijk nog actualiteitswaarde? Het is een overbodige vraag. De hersenspoeling van de jeugd is van alle tijden. Ook vandaag dreunen miljoenen scholieren in tientallen landen de absolute waarheid van hun politieke of religieuze meesters af. Een waarheid die uit leugens bestaat. Of die bestaat uit bij elkaar geraapte sprookjes. Of die oproept tot dodelijke vijandschap. De leraar in Jeugd zonder God beseft dat verzet tegen die dwaasheden nutteloos is. ‘Hou ze voor jezelf,’ mijmert hij, ‘je bescheiden idealen, er zullen ook na N weer mensen komen, nieuwe generaties – geloof maar niet, vriend N, dat je mijn idealen zult overleven! Hoogstens mij’. Ödön von Horváth (1901-1938) is geen ideoloog. Hij laat zich alleen geen blinddoek voor de ogen binden. Zijn speurtocht naar waarheid is de speurtocht van ieder mens die zich doodschrikt wanneer hij wordt verplicht ‘eigenliefde, huichelarij en grof geweld’ als zijn hoogste goed te aanbidden. Von Horváth schenkt klare wijn. Zijn leraar mag dan een held op sokken zijn, hij weet verduiveld goed wat Adolf Hitler, de opperplebejer, hoopt dat zijn jonge volgelingen zullen bereiken, ‘hun naam op een oorlogsmonument, dat is de droom van hun puberteit’. Zulke kernachtige uitspraken drijven het verhaal met volle kracht vooruit. Wanneer de waarheid op het spel staat, worden subtiliteit en slappe opinies naar de zijlijn verwezen, aldus de boodschap. Ook de hoofdstukken zijn kort en krachtig. Even licht de essentie verblindend op doorheen een onbetekenende gebeurtenis of gedachte. Die gebalde aanpak uit zich ten slotte in de stijl. Een alinea bestaat vaak uit één zin, soms tot twaalf keer na elkaar. Dit stijlconcept - dat in andere boeken vaak irriteert omdat het de leegte van de inhoud wil verdoezelen - past hier perfect in de opzet van de schrijver. De zin als vuistslag. De alinea als uitroepteken. Hoe kun je het de lezer anders onder zijn neus wrijven dat het hier gaat om de grimmige strijd tussen goed en kwaad? Maar waarom heet het boek Jeugd zonder God? Verwijst die titel naar de achterhaalde opvatting dat een samenleving die God van Zijn troon stoot ook alle menselijke waarden verdelgt? Niets is minder waar. De leraar van Von Horváth gelooft zelf evenmin in God. Dat geloof raakte hij als puber kwijt tijdens de Grote Oorlog omdat hij het niet kon verkroppen dat God een massaslachting toeliet. Naďef, nietwaar? Kent hij dan niets van theologie? Als de mens moordt, spreekt de stem van zijn vrije wil, niet die van God. Wanneer de leraar een diepgaand gesprek voert met de pastoor van het dorp waar de klas op kamp is, kan hij zijn oren niet geloven als de zielenherder zegt dat God het verschrikkelijkste is dat er is. ‘We mogen God niet vergeten,’ vervolgt de pastoor, ‘zelfs niet als we niet weten waarom hij ons straft. Hadden we ook maar nooit een vrije wil gehad!’ Kort daarna wordt N vermoord. Waarom voelt de leraar zich medeschuldig? En waarom maakt God zijn rentree in zijn leven? Het boek werd in 1938 door propaganda- en cultuurminister Goebbels ‘wegens de pacifistische boodschap op de lijst van schadelijke en ongewenste geschriften’ geplaatst. In datzelfde jaar stierf Von Horváth toen hij tijdens een onweer door een boom op de Champs Elysées werd geveld. Het nazisme bleef zeven jaar langer overeind. Jeugd zonder God daarentegen zal de tand des tijds moeiteloos doorstaan. In zijn voorwoord – eigenlijk een column die vroeger al was verschenen - denkt Arnon Grunberg dat geen enkele uitgever nog iets in Jeugd zonder God zal willen zien. ‘Het publiek wil meer sensatie dan de melancholische lafheid van een leraar ten tijde van de fascistische beweging,’ aldus Grunberg. Zelfs de beste schrijvers kunnen zich dus vergissen!
Ödön von Horváth, Jeugd zonder God. Oorspronkelijke titel: Jugend ohne Gott. Uit het Duits vertaald door Bram van Sonderen. Uitgeverij L.J.Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2008, 190p. Ödön von Horváth Linksmailto:joseph.pearce@telenet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|