Geen uitbreiding van het recht op wettige zelfverdediging

column vrijdag 20 juni 2003

Bart Ameye

Sinds de overvallen op de juwelierszaken in het centrum van Kortrijk en Aalst is de discussie over het recht op wettige zelfverdediging weer losgebarsten. Stefaan De Clerck (CD&V), burgemeester van Kortrijk en oud-Minister van Justitie, pleit openlijk voor de uitbreiding van het recht op wettige zelfverdediging tot het recht om je goederen met geweld te verdedigen. Ook de zelfstandigenorganisatie Unizo vraagt een uitbreiding van dit recht. De organisatie vindt dat een zelfstandige het recht moet hebben om zijn goederen en zijn kapitaal te verdedigen. Er is mijns inziens geen uitbreiding van het recht op wettige zelfverdediging nodig. De wettige zelfverdediging laat nu al toe om je goederen te verdedigen. Uitbreiding zal tot een spiraal van geweld leiden.

Ten tijde van de Franse Revolutie stelden de Fransen al in de 'Déclaration de l'homme et du citoyen' dat de staat als opdracht had om te zorgen voor o.a. vrijheid en veiligheid van de burgers. Het recht op veiligheid vinden we ook terug in het Verdrag van de Rechten van de Mens (1950). In het voorstel van EU-Conventie wordt het recht op vrijheid en veiligheid als belangrijk grondrecht geproclameerd. Vooralsnog staat dit 'recht op veiligheid' niet in de Belgische Grondwet. Ik pleit er dan ook voor om dit 'recht op veiligheid' in te schrijven in de Grondwet. Gepaste acties zijn vereist om dit grondrecht te verzekeren.

Veiligheid is een basisvoorwaarde voor het samenleven en de bescherming van lijf en goed behoort tot de primaire levensvoorwaarden. Veiligheid is een mensenrecht. De bescherming van de veiligheid van de burger is een essentiële taak van de overheid. Niet enkel de bescherming van de fysieke integriteit is belangrijk, ook de bescherming van eigendom in de brede betekenis is een taak van de overheid. Een overheid moet ernaar streven dat alle burgers zich veilig weten en voelen, evenals veilig zijn. Het veiligheidsbeleid moet een prioriteit zijn van elke overheid.

Voor mij geldt het fundamentele principe dat het monopolie van het geweld toebehoort aan de staat. Vandaar dat ik ook voorstander ben van een strengere wapenwet. Meer wapens in omloop leidt tot meer geweld, meer ongevallen, en onnodige risico's. Bij de Kortrijkse overval schampte één kogel op persoonshoogte af tegen de gevel van een koffiehuis, die op minstens honderd meter lag van de juwelierszaak. Nog een andere kogel boorde zich in de gevel en het glas op de eerste verdieping, bij de buren van het koffiehuis. Mocht er iemand op het terras van het koffiehuis gezeten hebben, dan zou dat een gemakkelijk slachtoffer geweest zijn. Een onschuldig kind had gedood kunnen worden. Zou Stefaan De Clerck dan ook gepleit hebben voor de uitbreiding van de wettige zelfverdediging? De waarde van een goed is nooit de waarde van een mensenleven waard. Mensen als Stefaan De Clerck zouden beter tweemaal nadenken alvorens burgers het recht te geven het recht in eigen handen te nemen.

Opdat iemand die een misdrijf heeft gepleegd de wettige zelfverdediging zou kunnen inroepen om zijn gedragingen te rechtvaardigen en het strafbaar karakter ervan aldus te doen wegvallen, moeten bepaalde voorwaarden vervuld zijn. De aanranding moet gericht zijn tegen personen. De bescherming van goederen valt buiten het toepassingsveld van de wettige verdediging. De aanranding is wederrechtelijk. Zo kan de aanrander die op weerstand stuit van de aangerande persoon zelf geen wettige verdediging inroepen tegen het slachtoffer dat zich verzet. De aanranding is ogenblikkelijk. Dit omvat de aanval die zich aan het voltrekken is of deze die onmiddellijk dreigend is. Er is geen wettige zelfverdediging wanneer het een toekomstig of een eventueel gevaar betreft, noch als de aanranding is afgelopen. Met andere woorden, als de aanranders vluchten mag de aangerande (bvb. een juwelier) niet in de rug schieten van de daders. Het verweer is noodzakelijk. Het is niet vereist dat de aanranding levensgevaarlijk zou zijn, toch moet zij voldoende ernstig zijn om een onmiddellijk en gewelddadig verweer als noodzakelijk te doen voorkomen. Er mogen voor de aangevallene in redelijkheid geen andere wegen openstaan dan een gewelddadige verdediging. Het afweer is proportioneel of staat in verhouding tot de aanval. De verdediging door bijvoorbeeld doding, wanneer redelijkerwijze lichte verwondingen hadden volstaan, is niet noodzakelijk. Deze verhouding niet in acht nemen komt neer op rechtsmisbruik en houdt zelf een aanval in. Die evenredigheidseis moet wel met realiteitszin beoordeeld worden.

Wettige zelfverdediging is een rechtvaardigingsgrond. Ons strafrecht is een schuldstrafrecht. Dit wil zeggen dat naast de daad (het materieel bestanddeel), ook een zeker bewustzijn in hoofde van de dader moet bestaan (het psychologisch bestanddeel). Als beide verenigd zijn, dus als iemand welbewust de strafwet overtreedt, spreken we van een misdrijf. Er zijn echter bijzondere omstandigheden welke de gepleegde feiten het karakter van misdrijf ontnemen. Die omstandigheden zijn rechtvaardigingsgronden. Deze zijn door de wet of door het recht erkende omstandigheden waardoor het wederrechtelijk karakter van de gestelde daad opgeheven wordt. Deze daad wordt dus geoorloofd geacht. Door de rechtvaardigingsgronden is het gepleegde feit geen misdrijf meer. Daardoor zullen de personen die hebben deelgenomen aan de feiten niet strafbaar zijn.

Er zijn drie rechtvaardigingsgronden. Ten eerste is er geen misdrijf wanneer het feit door de wet is voorgeschreven en door de overheid bevolen is. Zoals bijvoorbeeld de opgevorderde slotenmaker die een deur openbreekt opdat een huiszoeking zou kunnen verricht worden. Ten tweede de noodtoestand. Dit is de enige rechtvaardigingsgrond die niet bepaald is bij de wet, maar die ontstaan is in de rechtspraak. Dit is de situatie waarin een persoon verkeert die de bepalingen van de strafwet schendt ten einde rechtsbelangen of rechtsgoederen te vrijwaren die hij gerechtigd was of tot plicht had boven anderen te stellen. Ten derde de wettige zelfverdediging of de wettige verdediging. Dit is het recht tot afweer van onrecht, dit is een rechtvaardigingsgrond die als het ware een overblijfsel is uit de oertijd. Luidens artikel 416 van het Strafwetboek is er noch een misdrijf noch een wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen of de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van anderen. Artikel 417 van het Strafwetboek geeft twee gevallen aan die, op grond van een wettelijk vermoeden, moeten gerekend worden tot de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak waarover artikel 416 handelt. Ze betreffen het afweren van aanrandingen tegen eigendommen die gepaard gaan met een aanslag of alleszins ernstige bedreigingen gericht tegen personen. Met andere woorden, wanneer het feit plaats heeft bij het zich verdedigen tegen daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd.

De uitbreiding van de wettige zelfverdediging tot de verdediging van goederen is dus niet nodig want nu reeds toepasbaar als de aanranding gepaard gaat met geweld tegen personen. Daarenboven houden de rechtbanken rekening met de omstandigheden en met de onweerstaanbare drang, waarbij iemand niet meer instaat voor zijn daden als hij voor de zoveelste keer wordt overvallen. De rechter interpreteert de wet zeer ruim. Ook bijvoorbeeld in de zaak Moortgat, waarin een vader en zoon met een juwelierszaak in Lebbeke werden vrijgesproken hoewel ze hadden geschoten op de inbrekers. De rechter oordeelde dat de juweliers, die al eerder waren overvallen, gehandeld hadden onder een dwang waaraan ze niet konden weerstaan. En vorig jaar werd de Harelbeekse juwelier Wouter Tyberghien schuldig bevonden aan doodslag op een Poolse inbreker. De rechter oordeelde evenwel dat de doodslag verschoonbaar was daar de juwelier reeds meerdere malen belaagd was. Opschorting van straf werd voor een periode van drie jaar toegestaan. Het blijft mijns inziens opportuun dat de rechter in elke zaak oordeelt op basis van de specifieke feiten.

Een betere oplossing dan het uitbreiden van de wettige zelfverdediging zou o.a. kunnen zijn dat de overheid meer maatregelen neemt die de veiligheid verbeteren. Investeringen die bijdragen tot meer veiligheid (camera's, alarmsystemen, raambescherming, …) zijn een aanzienlijke investering voor elke zelfstandige. Een volledige fiscale investeringsaftrek voor veiligheidsbevorderende initiatieven is aangewezen. Vele ondernemingen uit verschillende sectoren (o.a. juweliers) hebben steeds meer moeilijkheden om zich te verzekeren tegen welbepaalde risico's zodat deze ondernemingen niet meer op alle vlakken verzekerd zijn. Ondernemers die in het verleden reeds slachtoffer werden van diefstal of inbraak kunnen bij verzekeringsmaatschappijen vaak geen verzekeringspolissen meer afsluiten. Wanneer de mogelijkheid nog wel bestaat, swingen de premies de pan uit. Om een verzekering te krijgen moeten juweliers enorm grote veiligheidsinvesteringen uitvoeren. Dit is voor hen onbetaalbaar. Onderzoek heeft aangetoond dat ongeveer 30% van de juweliers geen diefstalverzekering heeft. Dit leidt er natuurlijk toe dat juweliers zich bewapenen om zichzelf en hun goederen te beschermen. Verzekeringen moeten toegankelijk en betaalbaar worden.

De nieuwe wapenwet die gestrand is in de Senaat moet goedgekeurd worden. Wie een wapen koopt, moet in de toekomst een vergunning hebben van de overheid. Alle vuurwapens worden geregistreerd, zodat men bij een schietpartij zeker weet welk wapen de kogel afvuurde. Er moet meer geld uitgetrokken worden voor het opsporen en vervolgen van criminele bendes. Meer grensoverschrijdende samenwerking met onze buurlanden is vereist om de internationale criminele bendes op te sporen en te berechten.

Veiligheid moet integraal in het beleid naar voren komen. Een veilige samenleving is de prioriteit van een overheid. Veiligheidsproblemen hebben zowel een nationaal als internationaal karakter. Een globale aanpak is noodzakelijk. De nieuwe federale regering moet werk maken van een veilige samenleving en moet meer middelen uittrekken voor dit integraal veiligheidsbeleid.


Bart Ameye is woordvoerder van Liberales



Deze tekst verscheen als volgt in De Morgen van 23 juni 2003: klik hier.

In de Financieel Economische Tijd van 25 juni 2003 verscheen de tekst ook: klik hier.

In De Morgen van 26 juni 2003 verscheen een reactie van Unizo: klik hier.

Bart Ameye

Links
mailto:bart@liberales.be
Share |

4de Karl Popperlezing met Hans Achterhuis

Deze lezing vindt plaats op dinsdag 5 oktober om 20u in het Liberaal Archief, Kramersplein 23 te Gent. Na de lezing is er een receptie. Toegang is gratis, maar gelieve wel in te schrijven op verhofstadt.dirk@telenet.be.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be