|
Na de Tweede Wereldoorlog kende de landbouw in Europa ernstige structurele problemen en de lag de productiviteit er laag. Europa was in ruime mate van andere landen afhankelijk voor zijn bevoorrading met de meeste basisvoedselproducten. Om een oplossing te bieden heeft Europa toen vijf grote doelstellingen voorop gezet om een gemeenschappelijk landbouwbeleid op te starten nl., de productiviteit verhogen, een billijke levensstandaard verzekeren voor de landbouwbevolking, de markten stabiliseren, de veiligheid van de toeleveringen verzekeren en redelijke prijzen verzekeren voor de consumenten. Dit zijn nobele doelstellingen als je het mij vraagt. Maar aan nobele doelstellingen hangt dikwijls een belangrijk prijskaartje. De kost voor het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid is enorm. De EU besteedde in 2000 40,5 miljard euro aan landbouw, of 45 % van het totale budget. Met de uitbreiding van de EU met 12 of 13 landen, sommige landen hebben nog een grote landbouwbevolking, dreigen onze nobele doelstellingen onfinancierbaar te worden. Op de laatste Europese Raad te Brussel lijkt men geen vooruitgang geboekt te hebben in de noodzakelijke hervorming. Dit legt een hypotheek op de toekomstige financiering van de EU. Wat de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, zijn er onmiskenbaar successen, zoals bvb. het bereiken en verbeteren van de voedselzekerheid ingevolge een forse stijging van de productie en vooral de productiviteit in de landbouw. De consument krijgt thans een ruime en nog steeds toenemende keuze aangeboden van voedselproducten van goede kwaliteit en tegen vaste en redelijke prijzen. Daarenboven is het aandeel van het gezinsbudget dat in de Europese Unie aan voedsel wordt besteed in 20 jaar tijd gedaald van 28% tot 20%, ondanks de prijsverhogingen. Toen in Europa de landbouwproductie goed op gang was gekomen en de gemeenschappelijke markt een feit was geworden, heeft vooral één belang de discussies over het landbouwbeleid gedomineerd: de inkomenspositie van de producenten. Bijna alle beleidsmaatregelen zijn genomen met het oog op deze inkomensdoelstelling. De rechtvaardiging werd gevonden in het feit dat zonder landbouwbeleid de inkomenspositie van landbouwers onaanvaardbaar achterbleef bij andere groepen in de samenleving. Er zijn grofweg twee manieren om het inkomen te ondersteunen. De eerste is het direct betalen van een inkomenstoeslag. De tweede is het via allerlei maatregelen beïnvloeden van het prijspeil van landbouwproducten. Aangezien deze producten veelal internationaal verhandelbaar zijn, is het noodzakelijk dat dit beleid mede via handelspolitieke instrumenten wordt mogelijk gemaakt. Deze instrumenten, zoals bijvoorbeeld invoerheffingen, bepalen de maximale afwijking van de prijs op de interne markt ten opzichte van het internationale prijsniveau. Dit belemmert de vrije marktwerking. De Europese Commissie werkt al een tijdje aan de hervorming van het landbouwbeleid en heeft al verscheidene voorstellen op tafel gelegd. Maar indien het Europese landbouwbeleid niet dringend hervormd wordt, kan de toetreding van Polen en andere Oost-Europese landen met een grote boerenbevolking de kosten drastisch doen stijgen. Nog steeds kampt de EU met een subsidiestelsel dat overproductie in de hand werkt. Zoals vermeld besteedde de EU in 2000 40,5 miljard euro aan landbouw. Daarvan werd 10,6 miljard gebruikt voor prijsinterventies, de opslag van overschotten en exportsubsidies voor onder andere suiker en melkproducten. 25,6 miljard ging naar directe subsidies per hectare graan of per dier. De rest diende voor plattelandsontwikkeling. Het landbouwbeleid is mijns inziens pervers. Boeren ontvangen subsidies van de EU die de productie aanmoedigen en de producten duurder maken dan de wereldmarktprijs. Daarbovenop keert men exportsubsidies uit om onze overgesubsidieerde landbouwproducten te kunnen dumpen op de wereldmarkt, vnl. ontwikkelingslanden. Deze subsidies zijn marktverstorend en beletten de totstandkoming van werkelijke marktprijzen die concurrentieel zijn. Enkele jaren terug is men begonnen met een traject om het GLB aan te passen. Dat is een positieve evolutie maar is bijlange niet genoeg. Europees commissaris voor de landbouw, Franz Fishler, heeft als voorstel gelanceerd om de subsidies los te koppelen van de productie. Dit zou de kosten al enigszins kunnen drukken. De Europese staats- en regeringsleiders kwamen tijdens hun top in Brussel van oktober 2002 overeen om de stijging van de landbouwuitgaven vanaf 2007 te beperken. Die beperking moet dienen om de kosten van de EU-uitbreiding niet te laten ontsporen. De hervorming is ook nodig in het kader van de gemaakte WTO-afspraken over de afschaffing van de landbouwsubsidies. De voorstellen van de Europese Commissie voor een herziening van het Europese landbouwbeleid gaan uit van een geleidelijke vermindering van de directe inkomenssubsidies voor de boeren. Voedselveiligheid en milieuvriendelijke landbouw worden een doorslaggevend element bij het toekennen van steun. Maar na de EU-top kunnen we besluiten dat van modernisering niet veel in huis zal komen. Men legde het landbouwbudget vast tot 2013. Het plafond voor landbouwuitgaven voorzien voor 2006 voor zowel de EU als de nieuwe lidstaten (meer dan 40 miljard euro) wordt tot 2013 jaarlijks met 1 procent geïndexeerd. De boeren uit de toetredende landen krijgen in 2004 (bij de toetreding van 10 nieuwe lidstaten) 25 procent van de directe inkomenssteun die de Europese landbouwers genieten. Tegen 2013 krijgen zij recht op de volle pot van die inkomenssubsidies. Vanaf 2007 blijft de Europese landbouwkoek even groot maar moet wel door 25 lidstaten worden gedeeld. Voor Frankrijk, dat de grootste ontvanger is van het Europees landbouwgeld, kwam het erop aan de landbouwuitgaven voor de volgende jaren te garanderen. De Franse president zei zelfs dat er nu geen reden meer bestaat om het landbouwbeleid te hervormen voor 2007. Ik begrijp de bekommernis dat we de vele landbouwersgezinnen niet zomaar aan hun lot kunnen overlaten. Daarom pleit ik er dan ook voor om een sociaal plan op te stellen voor de landbouwers. Het is mijns inziens perfect mogelijk om een omschakeling van productie te bewerkstelligen. Meer plattelandsontwikkeling kan daar een onderdeel van zijn. De staats- en regeringsleiders geven weinig blijk van verantwoordelijkheidszin. De grote Europese landen, vooral de netto-ontvangers, houden de noodzakelijke hervormingen tegen omwille van hun eigen politieke agenda. We moeten volgens mij alle vormen van directe inkomenssteun afschaffen. In de landbouwsector gelden evenzeer de wetten van de vrije markt. Indien het niet rendabel is om te produceren, is het beter om ermee te stoppen. Doemdenkers stellen dan dat onze Europese landbouw zal verdwijnen. Niets is minder waar, we moeten ons misschien toeleggen op de teelten waar we een comparatief voordeel hebben. In Nieuw-Zeeland heeft men in 1984 alle overheidssubsidies voor de landbouw afgeschaft. Dit heeft niet geleid tot sociale bloedbaden onder de landbouwers. Alle vormen van landbouwsubsidies moeten verdwijnen. Alle invoerheffingen, importquota en exportsubsidies moeten afgeschaft worden. Deze vormen van protectionisme belonen overschotproductie en verstoren de landbouwmarkten buiten de EU. Alle vormen van marktinterventie moeten verboden worden. Indien de EU nog lang talmt met de noodzakelijke stappen te zetten naar een landbouwbeleid die aansluit bij de economische realiteit dreigt een onoverkomelijk deficit. Bart Ameye Linksmailto: bart@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|