Over het gevaar voor etnische verzuiling

column vrijdag 11 maart 2005

Wouter Blomme

De ruzie tussen VLD en Spirit over de subsidiëring van zelforganisaties is er eentje uit de goeie oude ideologische doos. Ze raakt immers de fundamenten van twee totaal verschillende visies op het minderhedenbeleid. Academische onderzoeksresultaten over de emanciperende en integrerende kracht van zelforganisaties klinken allesbehalve unisono. En zeker buiten de academische muren is al voldoende bewezen dat een beleid gebaseerd op een groepsgerichte benadering (tot nu toe) weinig succes kent. Geef daarom de individuele aanpak het voordeel van de twijfel.

Bij gekibbel over de lijstvorming bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2000, bestempelden enkele partijgenoten van allochtone origine Fauzaya Talhaoui als een ‘intellectuele bourgeois’ die nooit te zien was in hun ‘migrantenverenigingen’. Talhaoui was op dat moment een vrij gerespecteerd Kamerlid maar kon blijkbaar op weinig appreciatie rekenen van haar etnische achterban, ook al was die van dezelfde ideologische strekking.

Op het eerste zicht wijst deze anekdote op het belang dat etnische minderheden hechten aan engagement in zelforganisaties. En er is ook wetenschappelijk onderzoek te vinden in die richting. Zo hebben Nederlandse politicologen de link gelegd tussen het etnisch verenigingsleven enerzijds en de politieke participatie van etnische minderheden anderzijds. Politieke participatie wordt daarbij gezien als een teken van integratie.

Hoe meer iemand van allochtone origine actief is in (onder meer) zelforganisaties, hoe meer vertrouwen hij krijgt in de gehele maatschappij, is de redenering. Deelname aan het verenigingsleven, ook al is dat georganiseerd op louter etnische basis, resulteert dus in meer sociaal vertrouwen. Dat vertaalt zich in meer politiek vertrouwen en mondt uiteindelijk uit in een intensere politieke participatie. Volgens dergelijk onderzoek zorgen zelforganisaties wel degelijk voor een brugfunctie tussen de allochtone gemeenschappen en de ‘ontvangende maatschappij’. Meer zelfs, de kloof tussen etnische minderheden en de politiek verkleint er aanzienlijk door.

Naar een concreet voorbeeld gevraagd, verwijzen de Nederlandse onderzoekers steevast naar de omstreden Turkse organisatie Milli Görüs die recent in Amsterdam een moskee bouwde. Omdat je voor de bouw van een moskee dermate veel vergunningen nodig hebt en overleg moet plegen met de lokale overheden, ontstond een brug naar de Nederlandse samenleving, zo luidt het. Nog volgens de onderzoekers verklaart dit het vrij gematigde karakter van Milli Görüs in Nederland. Eventjes kort door de bocht redeneren, heet dat volgens mij.

Minister Anciaux is blijkbaar aanhanger van deze aanpak. Maar de Nederlandse analyse moet genuanceerd worden. En vooraleer een beleid erop te baseren, zijn er naast academische vragen ook nog enkele normatieve en ethische kanttekeningen noodzakelijk.

Allereerst mag de invloed van omgevingsfactoren niet geminimaliseerd worden. De oorzaken die ervoor zorgen dat de ene gemeenschap beter georganiseerd is dan de andere kunnen op zich vaak het verschil in maatschappelijk en politiek vertrouwen verklaren. Zowel uit onderzoek in Amsterdam als in Brussel blijkt dat de Turkse gemeenschap een veel hechter verenigingsleven kent dan de Marokkaanse. Toch scoren mensen van Marokkaanse origine in Brussel beter als het op politiek vertrouwen en participatie aankomt. De verklaring voor deze afwijking op de Amsterdamse onderzoeksresultaten is te vinden bij de omgevingsfactoren, met als voornaamste het verschil in talenkennis tussen beide etnische minderheden in Brussel. De kennis van het Frans is in de Marokkaanse gemeenschap merkelijk beter dan in de Turkse.

Daarenboven wordt onvoldoende aandacht besteed aan de concrete invulling die verenigingen geven aan hun activiteiten. Daardoor lijkt het alsof alle zelforganisaties als het ware een gelijkwaardige bijdrage leveren aan de integratie en participatie van hun leden. Wat is de meerwaarde van zelfverenigingen die zich negatief opstellen ten aanzien van de bredere samenleving? Of een sterk sektarisch karakter vertonen? Of juist een segmentering van de maatschappij propageren? Een rapport getiteld ‘De participatie en integratie-activiteiten van stedelijke allochtone zelforganisaties in Amsterdam’ dat in juli 2003 werd opgesteld onder academische leiding concludeerde dat alle onderzochte zelforganisaties in de eerste plaats het behoud van de eigen cultuur stimuleren. Officieel en statutair zijn ze primordiaal gericht op de bevordering van integratie en participatie, een noodzakelijke voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op subsidies. Maar over de concrete uitwerking daarvan is het rapport vernietigend: “De zelforganisaties lijken nauwelijks een bijdrage te leveren aan de participatie van de achterban in de bredere samenleving. De achterban komt bovenal naar een zelforganisatie vanwege het samenzijn met landgenoten in een vertrouwde omgeving, waar de taal van het herkomstland wordt gesproken. (…) Hierbij moet worden bedacht dat voor veel leden van de achterban de sociale activiteiten zich beperken tot de eigen groep en hun deelname aan de bredere samenleving beperkt is.”

Maar zelfs als je abstractie maakt van dit alles moet de vraag gesteld worden of een institutionalisering (door middel van subsidies) van een verenigingsleven gebaseerd op zelforganisaties wel toe te juichen is. Het probleem dat op tafel ligt is immers niet of mensen zich op basis van hun etniciteit mogen verenigen maar wel of je dat als overheid (financieel) stimuleert en eventueel gebruikt als hefboom van het integratiebeleid.

De Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant gaf ons meer dan 200 jaar geleden een wijze raad: “baseer uw gedrag op principes waarvan u zou willen dat het algemeen geldende wetten zijn”. Dit ‘categorisch imperatief’ indachtig, moet minister Anciaux zich de vraag stellen of hij een overheidsbeleid zou willen dat resulteert in een maatschappij waarin elke groep zich op basis van hun etniciteit organiseert. Van een kwalitatieve, laat staan stabiele, democratie zou niet veel over blijven. Een aparte zuil in de samenleving, op welke basis dan ook, is een instrument dat gebaseerd is op exclusiviteit, ageert vanuit een bepaald groepsbelang en per definitie segmentering in de samenleving creëert. Een verzuiling op basis van etniciteit zou bovendien een nieuwe maatschappelijke breuklijn institutionaliseren.

De meeste waarnemers zijn het erover eens: het integratiebeleid in Vlaanderen (en Nederland) is niet het grootste politieke succes van de afgelopen decennia. Etnische minderheden benaderen als groep heeft nauwelijks resultaten opgeleverd. De koerswijziging die tegenwoordig vaak wordt voorgesteld is die van de individuele aanpak met de nadruk op individuele rechten en plichten. Mensen van allochtone origine niet vastpinnen op dat ene aspect van hun identiteit, is het devies. En laat dat nu net hetgeen zijn wat zelforganisaties per definitie wel doen.


De auteur is assistent vakgroep Politieke Wetenschappen UGent


Wouter Blomme

Wouter Blomme

Share |

4 Liberales-sessies over Economie

Om het economisch nieuws beter te begrijpen, organiseert Liberales in januari en februari vier sessies over Economie (te Brussel). De sessies behandelen pensioenen, strategisch gedrag, financieringswet en de financiële crisis. Toegang is 3 euro per sessie. Plaatsen zijn beperkt. Inschrijven via deze link. Meer info onder Activiteiten.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be