Het einde van de neoconservatieve agenda

column vrijdag 24 november 2006

Philip Van Der Celen

De trend was al langer zichtbaar in tal van opiniepeilingen voor de tussentijdse verkiezingen in de Verenigde Staten: een groeiend aandeel van de Amerikaanse bevolking doorziet het failliet van de ideologische koers van de Bush administratie en snakt naar verandering. Vooral het debacle in Irak en de opeenstapeling van schandalen binnen de Republikeinse partij hebben de gematigd conservatieve kiezer naar het Democratische kamp gedreven en deze voor het eerst sinds 1994 een meerderheid in zowel het Huis van Afgevaardigden als de Senaat bezorgd. Voor Europa zou het na deze enorme tegenslag voor President Bush aangewezen zijn het leedvermaak achterwege te laten en dit momentum aan te grijpen om meer dan ooit te werken aan een daadkrachtig en gelijkwaardig partnerschap met de Verenigde Staten. Een sterke transatlantische motor is immers onontbeerlijk om een reeks dwingende problemen op de huidige internationale agenda aan te pakken. Bovendien hebben Europa en de Verenigde Staten nog te veel gemeenschappelijke belangen om hun partnerschap in de huidige staat van ontbinding te laten. Of Europa klaar is voor een hernieuwd transatlantisme, is echter nog maar de vraag.

Voor Europa is het belangrijk zich te realiseren dat de neoconservatieve agenda van de Bush administratie nooit een stabiel draagvlak heeft gehad binnen de Amerikaanse samenleving. Het beeld dat in de Europese media maar al te graag wordt opgehangen van de doorsnee Amerikaan als een op hol geslagen christenfundamentalist of onwetende cultuurbarbaar, maakt uiteraard een karikatuur van de realiteit. Pat Robertson, Ronald McDonald, en Britney Spears zagen inderdaad het levenslicht op Amerikaanse bodem, maar dat geldt evenzeer voor Martin Luther King, Jr., Ernest Hemingway en Louis Armstrong. Daarenboven zijn het superioriteitscomplex van de neoconservatieve beweging en haar missionaire idealen met betrekking tot de rol van de Verenigde Staten in de wereld steeds relatief marginale fenomenen geweest doorheen de geschiedenis van het Amerikaanse buitenlandse beleid. Enkel met behulp van het trauma van de terroristische aanslagen van 11 september 2001 heeft deze groep een disproportioneel sterke greep op de buitenlandse koers van de Verenigde Staten kunnen bemachtigen. Het was de schaamteloze recuperatie van die tragische gebeurtenissen voor de eigen ideologische agenda die in de aanloop naar de invasie van Irak wereldwijd op grote weerstand en verontwaardiging stuitte. De aanhoudende chaos in Irak en het oplopende dodental onder de coalitietroepen hebben nu ook de ogen van de Amerikaanse bevolking geopend en de politieke machtsbalans in de Verenigde Staten naar een meer natuurlijk evenwicht gebracht.

Met de Democratische verkiezingsoverwinning hebben de Amerikanen duidelijk gemaakt dat zij een principieel en ideologisch getint buitenlands beleid wensen in te ruilen voor meer realisme en pragmatisme. Hoewel tijdens de komende twee jaar het Witte Huis de belangrijkste vormgever zal blijven van het Amerikaanse buitenlandse beleid, zal President Bush het tegengewicht van het Amerikaanse Congres ernstig moeten nemen en meer dan voorheen de nodige realiteitszin aan de dag moeten leggen. Dit herstel van de ‘checks and balances’ binnen de Amerikaanse instellingen zal de kwaliteit van de toekomstige beleidsbeslissingen ongetwijfeld ten goede komen. Voor Europa biedt deze gewijzigde constellatie de mogelijkheid om eindelijk een meer constructieve dialoog met de Verenigde Staten op te bouwen. Er zal nu immers meer ruimte zijn voor nuance in plaats van ideologische halsstarrigheid in de zoektocht naar werkbare oplossingen voor vraagstukken zoals het Israëlisch-Palestijns conflict, de stabilisatie van Irak, het nucleaire programma van Iran of de verdere democratisering van het Midden-Oosten. In al deze brandende kwesties vallen de doelstellingen van de Verenigde Staten en Europa samen. De kansen voor vooruitgang zijn reëel indien beide grootmachten hun invloed ten dienste zouden stellen van die gemeenschappelijke belangen.

Het is echter jammer om vast te stellen dat net nu het tij keert in de Verenigde Staten, Europa verlamd is door een heuse identiteitscrisis. De politieke toekomst van het Europese integratieproject is na de verwerping van het Constitutionele Verdrag inderdaad erg onduidelijk geworden. De huidige EU lidstaten trekken meer en meer de nationale kaart en zetten zich af tegen elke vorm van Europese voortvarendheid. Zelfs daar waar Europa ontegensprekelijke successen heeft geboekt, namelijk bij het stabiliseren van wankele buurlanden via het EU-lidmaatschap, is de weerstand groot. Deze renationalisering van Europa legt vanzelfsprekend een ernstige hypotheek op een mogelijke rapprochement tussen Europa en de Verenigde Staten. Een partnerschap kan immers maar gelijkwaardig en daadkrachtig zijn indien beide partijen in staat zijn om effectief bij te dragen tot het realiseren van de gemeenschappelijke doelstellingen. Voor Europa houdt dit bovenal in dat men de krachten verder blijft bundelen en het integratieproces zowel in de breedte als in de diepte verderzet. Hiervoor is er vandaag nauwelijks een publiek draagvlak. Ook op het Oude Continent, dat langs de andere kant van de oceaan vaak zo bewonderd wordt voor de ‘gesofisticeerdheid’ van haar burgers, dienen blijkbaar nog enkele oogkleppen afgenomen te worden.


De auteur is kernlid van Liberales en werkt aan de Wereldbank in Washington DC. Hij is actief rond beleidskwesties op het vlak van landbouw en milieubescherming.

Philip Van der Celen

Philip Van Der Celen

Links
philipvdc@hotmail.com
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be