Karel De Gucht deed op 20 mei 2006 een uitspraak in De Morgen, waarbij hij stelde dat kiezers van het Vlaams Belang zich niet langer konden wegsteken waneer het ging over het racistische gehalte van het Vlaams Belang. Door op de partij te stemmen hebben zij bijgedragen tot het huidige klimaat van vijandschap en onverdraagzaamheid waar het Vlaams Belang mee verantwoordelijk voor is en groot mee wordt. Het Vlaams Belang brengt immers het adiagum van Carl Schmitt, befaamd huisideoloog van de Nazi-partij, in de praktijk. De essentie van politiek, zegt Schmitt, is het vijandbeeld. De tegenstelling tussen vriend en vijand. Er kan volgens Schmitt geen enkele staat bestaan zonder dat andere staten omdat de essentie van een staat juist ligt in het vriend-vijand criterium. Het is net op deze breuklijn dat het Vlaams Belang zijn ideologie baseerd. Wallonië wordt afgeschilderd als de baarlijke duivel, allochtonen worden ongenuanceerd in het verdomhoekje gestoken of onderworpen aan uitgesproken discriminatie en andere politieke partijen zijn stuk voor stuk zakkenvullers of onbekwaam (en meestal beide). De eigen natie, het eigen volk wordt tegenover de buitenwereld gezet. Het is hier dat het liberalisme zich steeds tegen verzet heeft. Het liberalisme ziet de democratie immers niet als een strijdtoneel, maar juist een ontmoetingsplaats van meningen en opinies die zich in alle openheid kunnen doen gelden. Deze botsing van gedachten wordt gezien als iets positief waar een maatschappelijk compromis wordt gezocht tussen verschillende sociale strekkingen. Daarbij is duidelijk dat de democratie wel nood heeft aan grondregels die vooralsnog het beste middel zijn gebleken om de democratische rechtsstaat te laten werken. Ik noem er enkele: persoonlijke vrijheid, gegarandeerd door de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; de vrijheid van geloof en geweten; de vrijheid van meningsuiting en drukpers; de vrijheid zich te verenigen of niet te verenigen en het recht op privaat bezit. Maar veel problematischer is de vaststelling dat het denken van het Vlaams Belang onze maatschappij heeft doordrongen. Ook in andere partijen heeft zich een verandering en verschuiving in de geesten afgespeeld. Discussies tussen politici, partijmilitanten en burgers van alle politieke strekkingen schuiven steeds meer op richting het discours van het Vlaams Belang. Er is geen openheid naar nieuwe Europese lidstaten en zijn burgers, naar een toetreding van Turkije tot de Europese Unie, naar een solidariteitssysteem dat iedere burger kansen geeft (in tegenstelling met het systeem dat we vandaag kennen dat vooral kansen ontneemt aan mensen) of naar tolerantie voor andere overtuigingen. De maatschappij spreekt meer en meer in algemeenheden. De nuance verdwijnt en men plooit zich terug op zijn conservatieve zelf. Er heeft zich dus een ‘shift’ voorgedaan in het denken bij onze burgers en democratische partijen. Het wij-zij denken is aan de orde van de dag. De tolerantie tegenover ‘anders zijn’ (anders ten opzichte van wat eigenlijk?), tegenover pluralisme en de open samenleving verdwijnt. Steeds meer doordringt dit denken onze maatschappelijke structuren, ook via de staat. Foucault heeft al terecht opgemerkt dat het terugdringen van de grootte van de staat, niet noodzakelijk gepaard gaat met een afname in macht of reikwijdte van diezelfde staat. Enkel de machtsinstrumenten verschuiven en deze machtsinstrumenten worden alsmaar subtieler. Het denken binnen het gezin, de school en de openbare ruimte is doordrongen van het politieke criterium van Schmitt en het Vlaams Belang: De ander, de vijand. Hiertegen stellen liberalen een duidelijk verhaal van individuele vrijheid, van een geloof in de mens, zijn zelfredzaamheid en zijn ontplooiïngskansen. Hierdoor wordt het vijandbeeld van tafel geveegd en komt er een open samenleving in de plaats. Onze wereld wordt immers al gekenmerkt door een feitelijk pluralisme van waardensferen, religies en wereldbeschouwingen. Enkel verdrukking en geweld kan een einde maken aan de meningsverschillen tussen burgers over zaken als het wezen van de mens en de natuur van de goede samenleving. Het liberalisme wantrouwt en verzet zich daarom tegen deze alles omvattende doctrines die op basis van hun perfectionistische filosofie, menen dat de maatschappij gebaseerd moet zijn op een welbepaalde conceptie van het goede. Het komt niet aan de overheid toe, maar aan het individu om te beslissen wat waard is gekozen te worden bij het inrichten van zijn of haar leven. Zoals Rawls al stelde moet de politieke overheid zich in de eerste plaats toeleggen op de basisstructuur van de samenleving. Ze dient ervoor te zorgen dat elk individu gelijke startkansen krijgt om zijn eigen levensplan te volgen, zonder daarbij beperkt te worden door een publiek opgelegde idee van het goede., die niet perfect zal zijn, liberalen geloven immers niet in de perfectie. Het is dus niet langer voldoende dat wij als liberalen de vrijheid en de individualitiet lippendienst bewijzen. We moeten ernaar sterven deze openheid en vrijheid ook in de praktijk sterker te verdedigen en terug te winnen als iets essentieels liberaal. Velen zijn ons voorgegaan. Denken we maar aan Raymond Aron die een fel anti-communistisch en anti-fascistisch liberalisme ontwikkelde, Friedrich Hayeck die zich verzette tegen het label conservatief en het liberalisme terug claimde als een progressieve ideologie en Karl Popper die de open samenleving verdedigde en zich afzette tegen het totalitarisme. Het is dus aan ons om het liberalisme ingang te doen vinden, de harten en geesten te veroveren en de vrijheid, openheid en pluralisme, die ons zo al eeuwen dicht aan het hart ligt, terug op het voorplan te brengen. Philippe De Backer Philippe De Backer Linksmailto:philippe.debacker@ugent.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|