Dat de federale overheid beslist om de kerncentrales langer open te houden stond in de sterren geschreven. Er waren immers onvoldoende alternatieven voor handen om op korte termijn het wegvallen van de energieproductie door de kerncentrales op te vangen en het zou vanuit rationeel oogpunt ook gewoon onverstandig geweest zijn de kerncentrales niet iets langer open te houden. Wat echter voor de borst stoot, is dat de klungelige aanpak van de federale regering er enkel toe geleid heeft dat Electrabel als grote winnaar uit het debat komt. De quasi monopolist ziet haar positie op de Belgische markt nog versterkt worden! De federale regering heeft hier dan ook een grote kans laten liggen om tot een eerlijke energiemarkt te komen. De jaarlijkse bijdrage van Electrabel aan de begroting is bovendien ook maar een peuleschil, een armzalig doekje voor het bloeden. Het Europees energiebeleid heeft drie brede pijlers: duurzaamheid, bevoorradingszekerheid en competitiviteit. Duurzaamheid impliceert vooral een drastische vermindering van de schadelijke CO2-uitstoot. Bevoorradingszekerheid houdt vooral een beheersbare afhankelijkheid van gas in. De toevoer daarvan is om geopolitieke redenen niet altijd evident. Competitiviteit moet leiden naar zo laag mogelijke prijzen via een efficiënt productie-, transport- en consumptiesysteem, waarbij meer concurrentie voor meer prijsefficiëntie zou moeten zorgen. Elk beslissing inzake energiebeleid moet aan de hand van élk van deze drie criteria beoordeeld worden. De beslissing van de federale regering om de (oudere) kernreactoren langer open te houden kan men beoordelen op basis van elk van deze drie criteria. Op het vlak van bevoorradingszekerheid scoort de maatregel alvast goed. Het sluiten van kerncentrales zou ongetwijfeld betekenen dat er meer gas aangedreven centrales zouden moeten gebouwd worden, wat de afhankelijkheid van gas zou verhogen. Het is immers duidelijk dat het sluiten van kerncentrales op korte en zelfs middellange termijn niet zal opgevangen worden door windmolens en zonnepanelen, maar door stoom- en gascentrales (STEG’s). Ook wat CO2-uitstoot betreft is het langer openhouden van kerncentrales verantwoord, aangezien gas aangedreven centrales veel meer CO2 uitstoten dan kerncentrales. Bij de factor duurzaamheid komt natuurlijk wel het probleem van het kernafval aan de oppervlakte. Het langer openhouden van kerncentrales heeft echter op dat vlak geen significante impact. Immers, het grootste probleem van kernafval is dat het én gevaarlijk is én zeer lang moet bewaard worden (ongeveer 100.000 jaar). Het bewaarde volume is daarbij echter niet het grote punt. We hebben al gedurende 35 jaar kernafval gecreëerd en er zal in ieder geval nog dergelijk afval bijkomen door de onvermijdelijke ontmanteling van de bestaande centrales, nu of binnen 20 jaar. Dat betekent dat we nu al met een groot probleem opgescheept zitten dat niet significant groter zal worden door de centrales nog tien of twintig jaar langer open te houden. Dit lijkt misschien cynisch, maar het is helaas de realiteit. Met andere woorden, of we drie of vier voetbalvelden kernafval moeten beheren, zal op zich wellicht geen groter of minder groot afvalprobleem opleveren. Indien we de maatregel op het vlak van competitiviteit moeten beoordelen, wordt het oordeel echter minder duidelijk. Het klopt dat het sluiten van de kerncentrales de vrije concurrentie op de energiemarkt in België zou verhogen, omdat het quasi-monopolie van Electrabel wordt verminderd. Bovendien zou de sluiting een impuls kunnen geven bij de zoektocht naar nieuwe energiebronnen. We mogen echter het achterliggende doel van competitiviteit of ‘vrije concurrentie’ niet uit het oog verliezen, namelijk dat dit moet leiden tot lagere prijzen voor de consument. Als we de kerncentrales sluiten, moeten we goed weten dat we het belangrijkste instrument weggooien om op korte en middellange termijn goedkoop elektriciteit te produceren. Eén en ander doet echter niets af aan het feit dat de regering wel duidelijk moet blijven communiceren dat kernenergie een eindig verhaal is, zodat de stimulans om te zoeken naar alternatieve energiebronnen blijft bestaan. Tot zover de steun voor de beslissing van de federale regering, want de andere zijde van de genomen maatregel is heel wat minder aanvaardbaar. Het is zo dat door het langer openhouden van de kerncentrales het quasi-monopolie van Electrabel bestendigd wordt. Door Electrabel het cadeau van de langere levensduur van de kerncentrales aan te bieden, is deze onderneming gegarandeerd van het feit dat geen enkele concurrent aan dezelfde prijs stroom zal kunnen aanbieden in België. Meer nog, volgens het huidige akkoord tussen de regering en Electrabel spoort de regering Electrabel aan om haar klanten lagere prijzen aan te bieden dan de marktprijs. Op deze manier wordt de intrede van concurrenten voor Electrabel zo goed als onmogelijk. De beslissing zal op korte termijn misschien zoden aan de dijk zetten, maar op lange termijn de overdreven marktmacht van Electrabel enkel verder bestendigen. Tegen de overdreven marktmacht van Electrabel kon eigenlijk op twee manieren opgetreden worden. Ofwel konden mededingingsautoriteiten in ons land (of in Europa) voldoende slagkracht hebben/krijgen om op te treden tegen dit quasi monopolie, ofwel worden belastingen geïnd op het monopolie dat de overheid zelf aan Electrabel heeft aangeboden. Vanuit liberaal oogpunt zou men er de voorkeur aan geven dat mededingingsautoriteiten zorgen voor een correcte marktwerking en vrijwaren dat op de energiemarkt niet slechts één producent van energie een overdreven dominante positie inneemt en alle andere concurrenten van de markt houdt. Helaas is het tot op heden niet mogelijk gebleken voor de autoriteiten, Belgisch of Europees, om hier op een efficiënte wijze op te treden (wat betreurenswaardig is). De federale overheid koos dan maar voor de gemakkelijkere weg, met name de introductie van een belasting op ‘superwinsten’. Die belasting heeft twee effecten. Enerzijds levert het monopolie dan toch enig financieel gewin op voor de consument/belastingbetaler. Anderzijds wordt op die manier paradoxaal de concurrentie aangezwengeld, omdat Electrabel door deze belasting nog slechts een ‘gewone winst’ zou kunnen maken die vergelijkbaar zouden moeten zijn aan die van andere producenten. De overheid compenseert haar eigen falen om een vrije markt te creëren op deze manier dus door een andere maatregel, met name de introductie van een specifieke belasting. Vooreerst moet daarbij vermeld worden dat nog steeds zal moeten blijken of dit soort belastingen de toets der wettigheid doorstaan, aangezien men blijkbaar maar één onderneming met de belasting viseert en de maatregel om die reden minstens al op gespannen voet komt te staan met enkele juridische grondrechten, zoals het gelijkheidsbeginsel. Last but not least moet echter ook vastgesteld worden dat de belasting die de federale overheid nu oplegt aan Electrabel niet veel meer is dan een belachelijk doekje voor het bloeden. De stijging van de jaarlijkse winst van Electrabel, dat overigens in België amper belastingen betaalt, omwille van het langer openhouden van de centrales wordt door specialisten begroot op 1,8 à 2 miljard euro. Onze federale overheid vraagt nu een jaarlijkse bijdrage van Electrabel van nog geen 250 miljoen euro. In Parijs lacht men wellicht eens heel hartelijk om de kleine Belgen…
Egbert Lachaert Egbert Lachaert Linksmailto:egbert@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|