Dit weekend organiseert Liberales te Gent in samenwerking met het Liberaal Vlaams Verbond een studiedag omtrent ‘Internationale (on)veiligheid, oorzaken en remedies’. De titel is mogelijks enigszins misleidend omdat internationale veiligheid in de Westerse publieke opinie snel gelinkt wordt aan de strijd tegen het terrorisme, religieus fundamentalisme, de dreiging van Al Qaeda, enz. De strijd tegen onveiligheid op internationaal niveau behelst echter heel wat meer dan dat. De oorzaken van onveiligheid bestrijden, begint in de eerste plaats bij de strijd tegen armoede, ziekte, ecologische uitdagingen en criminaliteit. Burgers in nood die te kampen hebben met extreme armoede en ziekte en die niet kunnen genieten van minimale levensnoodzakelijke zaken, zoals proper water, bevinden zich per definitie in een onveilige situatie. Uit een rapport van vorig jaar van een aantal experts aangesteld door de Secretaris-Generaal van de VN (Report of the Secretary-General’s High Level Panel on Threats, Challenges and Change) blijkt dat de kans op het ontstaan van een burgeroorlog ook exponentieel hoger ligt naarmate het gemiddeld BNP per capita in een land lager is. Armoede, ziekte, ecologische problemen, criminaliteit en oorlogen zijn elkaar voedende factoren. Een veilige wereldorde impliceert bijgevolg hoe dan ook het verhogen van de welvaart van burgers in armere landen. Thomas Hobbes had het in zijn werk ‘Leviathan’ over de natuurlijke staat van de mens, wat een strijd impliceerde van allen tegen allen (‘homo homini lupus’). Pas op het ogenblik dat burgers merken dat zij een belang hebben bij het verlaten van deze natuurlijke toestand zouden zij in staat zijn om zich te onderwerpen aan een hoger gezag van een soeverein. Deze theorie van Hobbes werd meermaals bekritiseerd, omdat burgers zich niet steeds vrijwillig onderwerpen aan een hoger gezag, doch soms onderdrukt worden door een hoger gezag en zich gedwongen onderwerpen. De these van Hobbes is dan ook geen vrijgeleide om individuen te onderwerpen aan staten. Hoe dan ook, statistisch lijkt het wel vast te staan dat mensen meer geneigd zijn de fysieke integriteit en de belangrijkste individuele rechten van anderen te respecteren indien zij het belang daarvan inzien doordat een maatschappij-orde die gegrond is op deze beginselen voor alle burgers voorspoed met zich mee brengt. Economische samenwerking is steeds een belangrijk middel geweest om de staat van permanente oorlog te verlaten. De Europese Unie is daarvan het beste voorbeeld. Gedurende meer dan zestig jaar vond in West-Europa geen enkel ernstig militair conflict plaats en dit ondanks het feit dat landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland er een eeuwenlange oorlogscultuur op na hielden. De Europese Unie als concept moet gekoesterd worden en is het levend voorbeeld van hoe economische samenwerking tot vrede en veiligheid heeft geleid. De Europese Unie is echter zelf ook gegroeid uit een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (de E.G.K.S.), waarbij een aantal landen omtrent het gebruik en het produceren van grondstoffen een samenwerkingsakkoord sloten. De strijd om grondstoffen dreigt mondiaal ook één van de grote uitdagingen te blijven de komende tijd. Indien men op dit ogenblik de discussies binnen de Verenigde Naties analyseert omtrent de eventuele sancties en interventies ten aanzien van Iran kan men zich niet van de indruk ontdoen dat bepaalde permanente leden van de Veiligheidsraad omwille van belangen die verband houden met grondstoffen standpunten innemen voor of tegen maatregelen tegen Iran. Het (mijns inziens gegrond) vermoeden bestaat dat dit ten tijde van de Irak-crisis ook zo was. Grondstoffen lijken soms zelfs nog een belangrijkere oorzaak te vormen van conflicten dan de dieper liggende oorzaken armoede, ziekte en ecologische problemen (alhoewel dit laatste nauw samenhangt met de strijd om grondstoffen). Een werkende internationale unie waarin landen samenwerken om de grondstoffen op deze planeet eerlijk en duurzaam te ontginnen, zou een eerste stap kunnen vormen naar een Europese Unie op mondiaal niveau. Eens de strijd om de grondstoffen gestreden is, ligt de weg immers open voor stabielere internationale samenwerking en vooral vrijhandel. Vrijhandel lijkt de tweede hefboom naar een veiligere wereldorde. Staten die economisch samenwerken en van elkaar afhankelijk worden omdat zij elkaars producten afnemen, worden onderling verbonden en zullen logischerwijs minder geneigd zijn conflicten uit de hand te laten lopen. Voorwaarde daarbij is wel dat er instellingen bestaan op mondiaal niveau die de wereldhandel bijsturen indien er sprake is van een overdreven machtspositie van bepaalde producenten en de eerlijke mededinging in het gedrang komt. Eén of een handvol producenten die een deelmarkt volledig beheersen, schakelen per definitie de vrije markt uit op hun deelmarkt. Daarom dient het discours van het “laisser faire, laisser passer” op internationaal niveau weerlegd te worden. Het doel van vrijhandel kan nooit een oligopolie-situatie zijn, doch moet als bedoeling hebben dat meerdere (kleinere, middelgrote en grotere) producenten ontstaan die samen concurreren om het beste product aan de beste prijs aan te bieden. Vrijhandel zonder sociale en ecologische stabiliteit is evenwel evenmin duurzaam. Een vrije markt introduceren zonder de nodige instellingen te voorzien die ervoor zorgen dat ook de zieken, gehandicapten, werklozen en ouderen een waardig leven kunnen leiden, is vooreerst in strijd met elk ethisch besef en vormt bovendien een schending van de mensenrechten én de liberale principes. Over welke vrijheid beschikt immers de zieke die geen uitkering krijgt of de oudere die van een aalmoes die hem toegegooid wordt, te leven? Indien opnieuw een verwijzing naar Hobbes gemaakt mag worden, zou overigens ook de wil bij de sterkere in een maatschappij moeten bestaan de zwakkeren in de samenleving een menswaardig leven te laten leiden aangezien die zwakkeren in het andere geval de bestaande maatschappelijke orde dreigen om te keren op andere manieren (criminaliteit en revolutie). Tot slot kan ook niet onderschat worden wat de toekomstige ecologische uitdagingen zijn. In liberale milieus wordt doorgaans aangenomen dat ecologische normen voor producenten van goederen en diensten niet kunnen afgedwongen worden, maar dat zij op termijn hoe dan ook zullen moeten in aanmerking genomen worden door producenten als een maatschappelijke productiekost. Het opnemen van de toekomstige maatschappelijke kost van de huidige productie van goederen en diensten kan niet meer uitblijven. In een globaliserende wereldeconomie dienen deze uitdagingen bovendien op internationaal niveau spoedig aangepakt te worden. Het valt op dit vlak te betreuren dat het Kyoto-protocol nog steeds niet door een aantal belangrijke landen werd aangenomen en dat het diplomatiek overleg hierover stilgevallen is. Liberales hoopt op de studiedag van 13 mei aanstaande een boeiende discussie te ontlokken over de uitdagingen die ons te wachten staan en die de internationale veiligheid bedreigen. Terroristische acties en nucleaire wapens vormen vanzelfsprekend een imminente dreiging van de wereldvrede, maar een echt stabiele wereldorde kent nog een pak grotere uitdagingen dan die twee thema’s. Vooral dat is één van de drijfveren om deze studiedag te organiseren. Egbert Lachaert Egbert Lachaert Linksmailto:egbert@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|