Recht op een eerlijk proces

column

Guan Schaiko

Toen het nieuws over de Amerikaanse moordraid op Osama Bin Laden zich in de vroege ochtend van 2 mei 2011 over de wereld verspreidde, stroomden de steunbetuigingen aan het adres van president Obama binnen. Volgens de voorzitter van de Europese Raad, Herman van Rompuy, maakte de dood van Bin Laden ‘van de wereld een veiligere plek’ en was dit ‘een belangrijk resultaat in onze pogingen om de wereld te bevrijden van het terrorisme’. Parijs had het over ‘een overwinning van alle democratieën tegen het terrorisme’. President Obama zelf reageerde laconiek dat ‘het recht had gezegevierd’. Klaarblijkelijk zijn de leiders van onze democratieën ervan overtuigd dat het bewust en planmatig neerschieten van de vijand zonder enig vorm van proces gelijkstaat met gerechtigheid. Oog om oog, tand om tand.

Recenter nog, op 31 december 2011, heeft president Obama zijn handtekening gezet onder een wet die het mogelijk maakt om van terrorisme verdachte individuen voor onbepaalde tijd vast te houden zonder enige vorm van proces. Terroristen verdienen immers geen eerlijk proces, zo wordt gezegd. Nochtans is het ontzeggen van het recht op een eerlijk proces vanuit verschillende perspectieven problematisch. Ik beperk mij tot drie voor de hand liggende kritieken, die hieronder kort worden uitgewerkt.

Gelijkheid

De metafysische grondslag van het recht op een eerlijk proces, zoals trouwens van alle rechten en vrijheden, is terug te brengen tot de fundamentele gelijkheid tussen alle mensen. Het mensenrechtenconcept vertrekt immers vanuit het idee dat elk individu, door het enkele feit van het mens-zijn, de drager is van bepaalde onvervreemdbare rechten en vrijheden die voorafgaan aan elke politieke, sociale of culturele structuur in de samenleving. Iedereen bezit die rechten als mens qua mens; in het mens-zijn zijn we immers allen gelijk.

Het ontzeggen van het recht op een eerlijk proces miskent vooreerst die fundamentele gelijkheid tussen alle mensen. Immers, het ontzeggen van het effectief genot van een recht aan een bepaald individu creëert een ongelijkheid in het genot ervan en impliceert bijgevolg een miskenning van die fundamentele gelijkheid. Het voorgaande vertrekt evenwel vanuit een bepaalde ethische premisse, namelijk het geloof in de fundamentele gelijkheid tussen alle mensen. Zij die dat niet geloven zijn van het tegendeel moeilijk te overtuigen.

Contradictie

Bovendien impliceert het ontzeggen van het recht op een eerlijk proces omwille van het terrorist-zijn dat eerst moet komen vast te staan dat de persoon in kwestie inderdaad een terrorist is. Om iemand aldus het recht op een eerlijk proces te ontzeggen, moet de staat voorafgaandelijk op basis van door zichzelf gecreëerde criteria uitmaken of het individu in kwestie al dan niet als terrorist kan worden gekwalificeerd.

Met andere woorden moet een individu eerst schuldig worden bevonden aan het terrorist-zijn, alvorens hem/haar op basis daarvan het recht op een eerlijk proces kan worden ontzegd. Dit komt niet alleen neer op een kringredenering, maar vormt daarenboven een fundamentele omkering van het rechtstatelijk beginsel waarbij iemands schuld of onschuld pas komt vast te staan nadat de feiten waarvan die persoon wordt beschuldigd worden voorgelegd aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter die dan op basis van een eerlijk proces zal oordelen of iemand al dan niet een terrorist is.

Een effectieve grondrechtenbescherming staat of valt bijgevolg met het recht op een eerlijk proces en het daarbij behorende recht op toegang tot de rechter. Het is immers in laatste instantie de onafhankelijke en onpartijdige rechter die erop moet toezien dat de staat, tegen wie die fundamentele rechten en vrijheden juist de nodige bescherming moeten bieden, de hem toegewezen machten niet arbitrair uitoefent. Indien elke posterieure rechterlijke toetsing van een bepaalde overheidshandeling bij voorbaat wordt uitgesloten, valt die bescherming voor de burger weg.

Democratische rechtstaat

Het recht op een eerlijk proces is ook een principiële kwestie. Het grootste bezwaar tegen het ontzeggen van het recht op een eerlijk proces is dat de beslissing over wie dat recht wel/niet krijgt toebedeeld afhankelijk wordt gemaakt van de opvattingen van hen die het op dat moment voor het zeggen hebben. In het beste geval – in een democratie – is dit een toevallige, door de gemeenschap verkozen meerderheid.

Het gevaar hierbij is dat de meerderheid zelf op arbitraire wijze gaat uitmaken wie wel en wie niet een eerlijk proces verdient. De staat zelf bepaalt wie de ‘vijand’ is en wie dus van een eerlijk proces verstoken moet blijven, zodat zij die arbitrair als vijand worden bestempeld niet de kans krijgen om zich te verdedigen. Het genot van het recht op een eerlijk proces, en daarmee ook een effectieve grondrechtenbescherming, wordt aldus afhankelijk gemaakt van de arbitraire opvattingen van een toevallige meerderheid, tegen wie de rechten en vrijheden juist bescherming moeten bieden.

Mijn bekommernis is dus dat met het ontzeggen van het recht op een eerlijk proces aan bepaalde categorieën van mensen een bepaalde gedachtegang wordt geïntroduceerd waarbij het ethisch aanvaardbaar wordt om bepaalde individuen, om welke reden dan ook, een volwaardige grondrechtenbescherming te ontzeggen. Dit idee valt in een democratische rechtstaat niet te tolereren, want leent zich tot misbruiken. Het is immers dezelfde gedachtegang die door autoritaire regimes werd/wordt aangehouden om wat zij arbitrair bestempelen als staatsvijanden uit te schakelen.

Het komt de staat in een democratische rechtstaat niet toe om te bepalen wie wel en wie niet een volwaardige mensenrechtenbescherming verdient. Het antwoord daarop is categoriek en maakt geen voorwerp uit van een compromis.



Guan Schaiko

Guan Schaiko

Links
mailto:guan@liberales.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be