Europa heeft zich een weg gebaand naar een nieuwe mijlpaal, dit keer met het Hervormingsverdrag, en het minste dat men kan zeggen is dat dit een werk van lange adem is geweest. Voornamelijk in Europa kan het pad naar een mijlpaal omschreven worden als een checkpoint dat als het ware een spiegel voorhoudt om de staat waarin de Europese Unie en haar instellingen zich in bevinden te laten weerspiegelen. Dit pad bleek eens te meer geduld en engagement op proef te stellen. Dit hoeft ons ook niet verbazen wanneer we nagaan wat er precies allemaal op het spel stond. Nooit in de post-WOII geschiedenis van Europese integratie heeft het Europese continent zich gewaagd aan een dergelijk fundamenteel debat over haar aard, en op zo’n schaal en met zo’n graad van publiek engagement. Het is niet de bedoeling van dit artikel om de vruchten van dit quasi-constitutioneel proces op de korrel te nemen. Eerder zullen we nagaan hoe de Europese federalisten zich hebben opgesteld en welke houding Europese federalistische organisaties dienen aan te nemen in een gewijzigde politieke context. We vermelden overigens in het bijzonder de Unie van Europese Federalisten en hun jongerenafdeling, de Jong Europese Federalisten, die reeds lang actief zijn geweest en campagne hebben gevoerd zowel voor als tijdens het constitutioneel debat. Onvermijdelijk is een campagne opzetten en strategieën en standpunten formuleren voor eender welke organisatie een confronterend proces dat een reflectie over de eigen aard en doelstellingen afdwingt. In die zin ligt het zelfs in de lijn met het ruimere Europese proces dat het tracht te beïnvloeden. Een wijzigende politieke context stelt een organisatie dan ook voor fundamentele uitdagingen. Dit is het geval geweest tijdens het constitutionele debat helemaal tot de mijlpaal waar we ons nu bevinden. Federalistische organisaties streven in principe naar een specifieke module van regeren waarbij een bottom-up benadering, of het principe van subsidiariteit dat stelt dat beslissingen zo dicht mogelijk bij de doelgroep van die beslissingen dienen genomen te worden, centraal staat. Democratie, transparantie en een multi-level systeem van regeren zijn ijkpunten voor federalisten. Vertaald naar het Europese niveau wil dit zeggen dat federalistische organisaties streven naar een uitvoerend bestuur, i.e. de Commissie, en een bicameraal parlementair systeem waarbij de huidige Raad van Ministers enkel in wetgevende hoedanigheid in een tweede kamer zou zetelen. Een Europese Grondwet zou dan deze principes en dit institutioneel kader betonneren als de ware bekrachtiging van een Europese Federatie. Het spreekt voor zich dat het constitutioneel debat dat werd gelanceerd door de Verklaring van Laken in 2001 aan Europese federalisten een unieke gelegenheid bood om hun doelstellingen te helpen verwezenlijken. Zelfs al hadden federalisten reeds lang ervoor campagne gevoerd voor een Europese Federale Grondwet, nu was het politieke momentum gekomen om dit onderwerp met de wind langs vanachter aan te pakken. Een Europese Grondwet stond in het centrum van het debat en een campagne ten voordele ervan had nu dus naast ideologische ook politieke legitimiteit gewonnen. Europese federalisten kregen vleugels. Bovendien, een paar stappen tekort voor een Constituante Vergadering, vertegenwoordigde de Europese Conventie die werd gelanceerd door de Verklaring van Laken en die een brede waaier van belangengroepen huisvestte op zich reeds een mijlpaal in de manier waarop over de toekomst van Europa wordt gedebatteerd. Aan de rand van dit proces werd trouwens een veelheid aan campagnes gevoerd door meerdere belangengroepen. Eens het Grondwettelijk Verdrag werd afgesloten in juli 2003 en symbolisch gedoopt werd door de ondertekening door de regeringsleiders in Rome op 29 oktober 2004 begon er een tweede fase, namelijk dat van de bekrachtiging. Deze fase plaatste de federalisten opnieuw voor een uitdaging en opportuniteit om een meer controversieel principe, ook voor federalisten, namelijk dat van directe democratie, in de praktijk omgezet te zien. Enorme debatten werden gevoerd over hoe het Grondwettelijk Verdrag diende te worden bekrachtigd, zij het via de respectievelijke nationale parlementen, zij het via nationale referenda of zelfs een pan-Europees referendum. Zoals echter zo vaak gebeurt werden we ingehaald door de politieke realiteit en voor we het wisten was een bekrachtiging aan de gang door een mengeling van parlementaire debatten en nationale referenda. Federalistische organisaties hebben zich dan gewoon gevoegd bij dit proces en de Jong Europese Federalisten bijvoorbeeld hebben vervolgens de Ja-campagne opgezet om de bekrachtiging van het Grondwettelijk Verdrag te bevorderen ongeacht de manier van bekrachtiging. Er dient echter nauwelijks aan herinnerd te worden dat het proces van Europese integratie werd gekaapt na de dubbele negatieve uitslag van de referenda in Frankrijk en Nederland, met een algemene verlamming op het politieke toneel als gevolg. Tot hier toe hadden de Unie van Europese Federalisten en de Jong Europese Federalisten een zinnig en bemoedigend pad bewandeld, ongeacht het feit dat we er eigenlijk niet in geslaagd waren om onze initiële doelstellingen van een Europese Grondwet en een pan-Europees referendum te verwezenlijken. De periode van reflectie die ons allen werd opgedrongen deed echter weinig om de catharsis die het diende teweeg te brengen te provoceren. Ondanks enkele moedige pogingen van verschillende europarlementsleden en premier Verhofstadt werd er bitter weinig visie tentoon gespreid over hoe er kan worden verdergegaan. Weinig insiders gaven echter het Grondwettelijk Verdrag nog een kans op overleven. Het is in deze context dat de Unie van Europese Federalisten en de Jong Europese Federalisten, ietwat minder begrijpelijk, besloten om een campagne op te zetten die één miljoen handtekeningen diende op te brengen ter ondersteuning van een pan-Europees referendum over het Grondwettelijk Verdrag. De ‘one-seat’ campagne die door de Zweedse liberalen in het Europees Parlement werd gevoerd en er ook in is geslaagd daadwerkelijk één miljoen handtekeningen te verzamelen diende daarbij als voorbeeld. De campagne voor een pan-Europees referendum bleek echter geen succes en vandaag bevinden we ons opnieuw voor een andere realiteit. Met het aannemen van het Hervormingsverdrag, vermoedelijk op het einde van het Portugees EU Voorzitterschap, is er een zekere onwennigheid vast te stellen bij Europese federalisten over de manier waarop we deze afwikkeling van het constitutionele debat moeten verwelkomen. Moeten we de versterking van de Europese integratie toejuichen wanneer de voormelde mijlpaal bereikt wordt of moeten we het belang van deze vooruitgang stilzwijgen omdat we het gevoel hebben dat het resultaat tekortschiet? Als een pro-Europese organisatie, maar één met een specifieke politieke doelstelling, is het gemakkelijk om zich geconfronteerd te zien met dit dilemma. Niettemin, met de Europese parlementaire verkiezingen van 2009 reeds in het vooruitzicht beschikken we over maar weinig tijd om onze plaats in te nemen in het gewijzigde landschap. Hier volgen enkele suggesties over hoe we te werk kunnen gaan. Er kan geen sprake van zijn dat Europese federalistische organisaties zouden pleiten voor het openlijk verder zetten van het constitutioneel debat. Zoals we reeds vermeldden hebben Europese federalisten sinds de Verklaring van Laken de unieke gelegenheid gekregen om het debat over een Grondwet op het politieke toneel te voeren. Het politieke momentum is nu echter gepasseerd en het besteden van reeds schaarse middelen en mankracht aan een campagne rond ofwel een nieuwe Grondwet, een eigenlijke Constituante Vergadering ditmaal of zelfs een pan-Europees referendum (maar waarover?) zou ons gewoonweg leiden naar de verre rand van de politieke scène. Kan je je voorstellen om opnieuw de straat op te trekken en de Europese burgers hun steun voor een nieuwe Europese Grondwet te vragen wanneer ze nog altijd het constitutionele debat van de voorbije zes jaar aan het verteren zijn? En wat met de nodige politieke steun om een dergelijke verzuchting op de Europese agenda te kunnen plaatsen. Het Europees Parlement zal in theorie misschien het debat levendig proberen te houden maar europarlementsleden, commissarissen en nationale regeringen zullen algauw overgaan tot de orde van de dag eens het Hervormingsverdrag wordt aangenomen, en die orde van de dag zou moeten zijn om Europa te doen functioneren met de nieuwe kansen en innovaties die ons worden aangeboden. Wil dit zeggen dat een Europese Grondwet een verloren zaak is geworden? Moeten we niet verder streven naar een federaal Europa? Neen, op geen enkele manier kunnen of moeten we verzaken aan onze visie voor een federaal Europa maar het zou verstandig zijn om onze strategie aan te passen aan de wijzigende politieke context. Het Hervormingsverdrag, als alles goed gaat, zal een feit zijn. Dit verdrag staat op het punt om enkele wezenlijke vernieuwingen of wijzigingen over te nemen die reeds door het Grondwettelijk Verdrag werden voorzien. Een enkele juridische persoonlijkheid voor de Europese Unie, uitbreiding van stemming met gekwalificeerde meerderheid voor cruciale wetgevingsdomeinen, een slankere Europese Commissie, de burgerpetitie en een juridisch bindend Handvest voor de Grondrechten (behalve voor Groot-Brittannië zo blijkt) zijn sommige innovaties die de goedkeuring van Europese federalisten wegdragen. Of deze nu worden vastgelegd in een ware Grondwet of in een gewoon verdrag, we kunnen het belang van hun bijdrage niet ontkennen om een steeds groter wordend Europa in de mogelijkheid te stellen haar uitdagingen beter bemiddeld aan te gaan. We kunnen er toch niet omheen dat goed bestuur een overkoepelende federalistische doelstelling is, zij het nu door een gepast institutioneel kader te bieden dan wel door degelijke federalistische beleidsopties die zich opdringen in domeinen zoals milieu, energie, politiële en judiciële samenwerking. Het Hervormingsverdrag biedt een nieuw kader dat, correct toegepast, een nieuwe impuls zou moeten geven aan de ontwikkeling van een meer ambitieus Europa op het politieke en mondiale toneel. Het is niet omdat we er niet in geslaagd zijn een ware Grondwet te bekomen en omdat we de niet-transparante sherpa methode waarmee het Hervormingsverdrag tot stand is gekomen afkeuren dat we de vooruitgang die wel degelijk werd geboekstaafd moeten negeren. Jazeker het Hervormingsverdrag schiet tekort en is niet voldoende vanuit een federalistisch standpunt, maar vanuit een pro-Europees integratie standpunt is het een substantiële stap voorwaarts en dus moeten we het aannemen en bekrachtigen ervan steunen. We kunnen het ons gewoonweg niet veroorloven om langs te kant te gaan staan en te pruilen terwijl Europese geschiedenis geschreven wordt. We moeten ons bewust zijn van de nieuwe politieke realiteit, we moeten ons herpositioneren en we moeten vlot de leiding nemen in het bepalen van het nieuwe politieke debat. We zullen het alleen niet kunnen doen onder de expliciete noemer van een toekomstige Grondwet of een nieuw institutioneel kader, tijdelijk dan toch tenminste, maar eerder door onze blik te richten op goed bestuur door degelijke beleidsopties. Dit is wat de Europese burger verwacht van Europa vandaag na een periode van interne onrust en dit is waar Europese federalisten een duidelijke rol hebben. Tenslotte, wat kan dit meer bepaald betekenen in termen van een concreet aandachtspunt of een campagne voor de komende jaren? Zoals eerder vermeld zijn de Europese parlementaire verkiezingen van 2009 cruciaal omdat ze kunnen dienen als katalysator voor het nieuwe politieke debat. Tezelfdertijd wordt immers verwacht dat het Hervormingsverdrag in werking zal gaan treden na de verkiezingen. Deze beide elementen kunnen gecombineerd het kader vormen voor een campagne die goed bestuur door degelijke beleidsopties centraal zou moeten stellen. Europarlementsleden moeten worden aangedrongen om een duidelijk Europees beleidsprogramma voor te stellen dat ze in de komende legislatuur willen verwezenlijkt zien worden. De kiezers kunnen zich dan duidelijk identificeren met een toekomstig Europa naar hun zin, met een mogelijke bonus dat de verkiezingscampagne weg van het toneel van de exclusieve nationaalpolitieke debatten zou worden geleid. Meer nog, het Hervormingsverdrag geldt als perfecte alibi om zo’n campagne te voeren omdat het de noodzakelijke hefbomen biedt om de Europese Unie van nieuwe zuurstof te voorzien. Of anders gesteld, we zouden tegelijk europarlementsleden moeten oproepen om aan hun kiezers te tonen hoe zij van plan zijn om de innovaties en kansen die het Hervormingsverdrag biedt te gebruiken om hun beleidsprogramma te helpen verwezenlijken. En daar waar de Europese instellingen er niet in zullen slagen om een beleid te voeren dat in het belang is van Europa zullen de tekortkomingen van het Hervormingsverdrag wel gauw naar boven komen. En Europese federalisten zullen goed geplaatst zijn om te wijzen op de nood aan een immer hechter federaal Europa.
Alexander Hoefmans Alexander Hoefmans Linksmailto:ahoefmans@yahoo.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|