De voortrekkers van toen als pioniers van morgen?

column vrijdag 23 maart 2007

Egbert Lachaert

Dit jaar vieren wij de 50ste verjaardag van het Verdrag van Rome, waarin de Europese Economische Gemeenschap werd opgericht. Dit verdrag werd voorafgegaan door het verdrag van 18 april 1951 tot oprichting van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. In dit laatste verdrag besloten de zes oorspronkelijke lidstaten van de Unie (België, Nederland, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg en Italië) hun belangrijkste industrieën binnen een gemeenschappelijk kader te organiseren en te beheren. Dit alles in de optiek om een herhaling van de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog te vermijden.

Het enthousiasme om economische en later ook een politieke samenwerking op Europees vlak tot stand te brengen, was decennia lang groot. De generatie politici en burgers die de horror van de Tweede Wereldoorlog gekend hebben, begrepen maar al te goed dat samenwerking en overleg binnen Europa hoe dan ook noodzakelijk was om de instellingen en industrieën van weleer te heropbouwen en te voorkomen dat de verliezers van het militair conflict opnieuw zouden afglijden in totalitaire regimes, wat dan op termijn opnieuw tot een militair conflict zou kunnen leiden.

Europa is dan ook hét liberaal project bij uitstek. Met respect voor de rechten van iedere mens werd een grensoverschrijdende samenwerking op gang gezet tussen staten waarvan sommige zich in het eerste gedeelte van de 20ste eeuw totalitair of ondemocratisch hadden gedragen tegenover hun burgers. Dit gaf uiteindelijk het startschot tot een Europa dat niet alleen uit nationale staten bestond, maar ook een Europa van burgers, waarin democratie, mensenrechten alsook economische en sociale vooruitgang gemeengoed werden.

De oprichting van een Gemeenschappelijke markt in 1957 was – in vergelijking met de eeuwenlange conflicten tussen sommige van die lidstaten – een revolutionaire gebeurtenis. Economische samenwerking tussen lidstaten en het afbouwen van de nationale grenzen en belemmeringen voor vrijhandel tussen de lidstaten was een mijlpaal naar meer stabiliteit, welvaart en vrede binnen het oude continent. Onder impuls van een laatste generatie voortrekkers, waaronder François Mitterand, Jacques Delors en Helmut Kohl werd ook een monetaire en politieke unie in de steigers gezet. Sinds het begin van de jaren ’90 stagneerde het proces van Europese integratie evenwel.

Een gebrek aan politieke moed, het gebrek aan consensus over verdere hervormingen van de Europese instellingen (die sinds 1957 nauwelijks aangepast waren) en een opkomend nationalisme, leidde het afgelopen decennium tot een groot immobilisme. Om nog niet te spreken van de houding van bepaalde lidstaten die met plezier het immobilisme aanzien en voeden. Niet alleen het Verenigd Koninkrijk wordt hierbij geviseerd, maar ook sommige nieuwe lidstaten in het Oosten van de Unie die helaas meer bekommerd lijken om de financiële hulp die zij ontvangen dan dat zij werkelijk geïnteresseerd zijn in de Europese gedachte.

Met dit laatste punt komen wij dan ook bij de uitdagingen van de Unie vandaag. Het democratisch deficit van de werking van de instellingen is schrijnend. De burger voelt zich niet betrokken bij de werking van een bestuursniveau dat nochtans de krijtlijnen trekt van het concreet politiek beleid op nationaal niveau. De hervorming van de instellingen en de verhoging van het democratisch karakter van de instellingen verdienen absolute prioriteit. Daarbij kan gedacht worden aan de rechtstreekse verkiezing van een voorzitter van de Europese Commissie, alsook aan het hervormen van het kiesstelsel voor het Europees Parlement. Wordt het niet hoog tijd dat men komaf maakt met nationale verkiezingslijsten indien men van Europese mandatarissen verwacht dat zij de belangen van alle Europeanen verdedigen?

Het gebrek aan politieke wil tot het hervormen van de instellingen mag evenwel geen excuus zijn om op andere punten geen verdere vooruitgang te boeken met een coalitie van lidstaten die bereid zijn om verder te werken aan de Europese integratie. Een sociaal Europa blijft vooralsnog uit. Een militaire samenwerking (zodat Europa eindelijk een rol van betekenis zou kunnen spelen op het internationale toneel) en een gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid zullen op korte termijn niet realiseerbaar zijn indien men op de consensus van de huidige lidstaten moet wachten. Wat houdt de oude lidstaten van de Unie, zoals België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Italië en Frankrijk, tegen om een stap verder te zetten in het Europees integratieproject? Het voorbeeld van het Schengen-verdrag, dat ook maar werd ondertekend en toegepast door een groep koplopers binnen de Unie, is het perfecte voorbeeld dat dit soort integratie met een beperkt aantal lidstaten mogelijk is.

De pioniers van de Europese Unie, diegenen die er al waren in 1957, zullen vandaag opnieuw de pioniers van morgen moeten worden. De houding van Angela Merkel op de laatste Europese top in Brussel is op dit vlak hoopgevend. Het is voor de Europese gedachte hoopvol dat de regeringsleider van één van de voortrekkers van de oude Unie opnieuw initiatief neemt. Zo worden de voortrekkers van vroeger misschien dan toch opnieuw de pioniers van morgen.



Egbert Lachaert

Egbert Lachaert

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be