|
U herinnert het zich wellicht nog levendig. Toen Verhofstadt I aantrad, werd onder de verfrissende noemer van de ‘actieve welvaartstaat’ gepoogd een innoverend beleid te voeren, waarbij de overheid zich niet enkel meer zou richten op passieve sociale zekerheid, met name het aanbieden van een vangnet voor de sociaal en economisch zwakkeren, maar in eerste instantie de nadruk zou leggen op actieve sociale zekerheid, in de vorm van arbeid. Het beschikken over een dienstbetrekking is immers de beste ‘sociale zekerheid’! Thans zijn we vijf jaar verder en dienen we ons af te vragen waar die actieve welvaartstaat nu toch gebleven is. Dit thema lijkt minder en minder in de speeches, teksten en opinies van beleidsdragers naar voor te komen. Is men dan vergeten wat het aanvankelijke bindmiddel was voor socialisten en liberalen om samen te werken aan een progressieve regering die van ons land een modelstaat diende te maken ? Nochtans moet toegegeven worden dat er hier en daar al een aantal stappen werden verricht ter uitvoering van die actieve welvaartstaat. Bijna symbolisch daarbij was het omvormen van het bestaansminimum in een leefloon gecombineerd met het recht op maatschappelijke integratie (en de daarbij horende zoektocht naar een dienstbetrekking). Andere belangrijke stappen waren onder meer het verhogen van het maximumbedrag dat een gepensioneerde nog mag bijverdienen eens hij een wettelijk pensioen ontvangt, de (relatieve) beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen en het afschaffen van een aantal overbodige formaliteiten voor ondernemers. Is dit echter voldoende ? Uit talrijke studies blijkt dat de werkgelegenheidsgraad in België nog steeds te laag blijft. Vanzelfsprekend is dit ook deels te wijten aan macro-economische factoren waarop een kleine overheid als de Belgische geen vat heeft. Bovendien is het creëren van werkgelegenheid in beginsel ook een zaak van ondernemingen en werkgevers. Zij creëren arbeidsplaatsen tijdens het uitoefenen van hun activiteiten. Een overheid zelf kan geen arbeid of arbeidsplaatsen ‘creëren’, doch enkel een efficiënt en stabiel kader voorzien waarin ondernemen aantrekkelijk wordt gemaakt en er bijgevolg arbeid tot stand komt. Het komt er voor de Belgische overheid op aan het imago op te bouwen van een stabiele en efficiënte overheid die ondernemen stimuleert. Op dit vlak is er zowel op het federale als op het regionale niveau nog bijzonder veel vooruitgang te boeken. Een arbeidsmarktbeleid houdt dus in eerste instantie in dat de Belgische overheid als instelling goed functioneert. Daarnaast moet België de eigen troeven accentueren. In de globaliserende wereldeconomie onderscheiden wij ons – bij gebrek aan natuurlijke rijkdommen die onze economie zouden kunnen stimuleren – vooral door onze kennis en onze inzet. Dit zijn de punten die we dan ook moeten uitbuiten én versterken. Een democratisch en degelijk onderwijs is voor ons land van levensbelang. Bovendien staat het ook vast dat onderwijs niet enkel meer een zaak zal zijn van kinderen. Wij lijken allen gedoemd permanent te moeten bijscholen om op de hoogte te blijven van ons vakgebied of – indien dit vakgebied minder interessant zou worden – over te schakelen naar een andere discipline. Naast kennis wordt de inzet van de Belgische arbeidskracht algemeen bewonderd. De hoge productiviteit van de Belgische arbeidskracht staat echter in schril contrast met de werkgelegenheidsgraad van oudere werknemers. België kent de laagste werkgelegenheidsgraad bij ouderen van de hele Europese Unie. De waarheid hierbij is wellicht dubbel. Vooreerst lijkt de hoge productiviteit van de arbeidskrachten in ons land gepaard te gaan met een ‘burn out’-syndroom op latere leeftijd. Er moeten op dit vlak meer mogelijkheden tot stand komen om de loopbaan te spreiden. Het tijdskrediet is daarbij (althans voor werknemers) een deel van de oplossing. Daarnaast dienen wij ons toch ernstig te bezinnen over het stelsel van conventioneel brugpensioen. Op dit ogenblik wordt op vraag van werkgevers én werknemers de leeftijdsvoorwaarde voor het brugpensioen dermate soepel ingevuld dat het bijna maatschappelijk niet meer aanvaard wordt dat een werknemer van 58 jaar nog aan de arbeidsmarkt deelneemt. Deze mentaliteit dient omgebogen te worden. Het brugpensioen, dat zijn oorsprong kent in het stimuleren van tewerkstelling van jongeren, is een perfide stelsel dat ertoe leidt dat ouderen gedwongen worden geen enkele activiteit meer te verrichten tot de pensioenleeftijd waarna zij (binnen bepaalde perken) weer mogen bijverdienen. Deze voortijdige uitstap uit het actieve werkleven doet de overheid echter dubbel pijn. Enerzijds worden door deze ouderen geen sociale bijdragen meer betaald omdat zij niet meer mogen werken en anderzijds genieten zij gedurende jaren een werkloosheidsuitkering die de sociale zekerheid dient op te hoesten. Het brugpensioenstelsel is voor werkgevers én werknemers ook meestal het middel bij uitstek om op een ‘menselijke’ manier afscheid te nemen van een oudere werknemer, de ontslagkost ‘te optimaliseren’, terwijl de overheid voor de gevolgen moet opdraaien. Dit kan op termijn zo niet verder ! De leeftijdsvoorwaarden voor het brugpensioen dienen in eerste instantie geleidelijk opgetrokken te worden tot de leeftijd van 60 jaar. Er dient komaf gemaakt te worden met de talrijke sectorale c.a.o.’s die afwijkingen hierop toestaan. In tweede instantie en op langere termijn dient het brugpensioenstelsel afgeschaft te worden. Er kan enkel een stelsel van vervroegd pensioen blijven bestaan voor specifieke categorieën werknemers die fysiek erg zware arbeid hebben moeten verrichten waartoe zij eenvoudigweg niet meer in staat zijn na een loopbaan van bijvoorbeeld 25 of 30 jaar. Meer mensen aan het werk houden, betekent dalende uitgaven in de sociale zekerheid. Dit laatste kan dan weer tot lastenverlaging leiden omdat er budgettaire ruimte ontstaat. Lastenverlaging leidt echter niet automatisch tot meer arbeidsplaatsen. Dit ondervindt de Belgische overheid nu aan den lijve. De doorgevoerde lastenverlagingen hebben helemaal niet tot meer arbeidsplaatsen geleid, doch zijn opgesoupeerd aan andere zaken, zoals loonsverhogingen. Lastenverlaging moet op termijn een doelstelling blijven, maar is geen magische oplossing om meer arbeid te creëren. Lastenverlagingen kunnen mijns inziens enkel gekoppeld worden aan dalende overheidsuitgaven. Deze consequentie van lastenverlaging lijkt nog niet overal te zijn doorgedrongen. De overtuiging dat men zowel de lasten kan verlagen als de uitgaven verhogen, werd deze week nog eens op pijnlijke manier doorprikt door de E.U.-Raad van Ministers (van Financiën) die er op wees dat België inspanningen zal moeten verrichten om de komende jaren het budget (vnl. van de gezondheidszorg) onder controle te houden. Laten we met zijn allen hopen dat Verhofstadt II na 13 juni 2004 weer de kracht van het vernieuwend regeren kan terugvinden en het concept van de actieve welvaartstaat kan herontdekken. De tijd dringt immers en er moeten belangrijke keuzes gemaakt worden die helaas niet meer kunnen worden uitgesteld.
Egbert Lachaert Egbert Lachaert Linksegbert.lachaert@venvlaw.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|