Arbeidskinderen en hoger onderwijs

column vrijdag 04 november 2011

Lieven Monserez

Onderzoek wijst het keer op keer uit: kinderen die komen uit een gezin dat tot een zogezegd “lagere” sociale klasse behoort studeren veel minder aan hogescholen en universiteiten. Zo maken kinderen van laaggeschoolde ouders twee tot vier maal minder gebruik van het hoger onderwijs dan kinderen van hooggeschoolden. Nochtans blijft de democratisering van het hoger onderwijs een belangrijk aandachtspunt. Heden ten dage worden nog altijd veel inspanningen geleverd om de kosten van hoger onderwijs te drukken. Zijn die inspanningen dan nutteloos? Is het allemaal vergeefse moeite geweest?

Wat mij betreft zijn deze investeringen alvast geen parels voor de zwijnen geweest. Ik kom uit een arbeidersgezin. Mijn vader was mecanicien. Mijn moeder stopte met werken als arbeidster en werd huisvrouw toen ik geboren werd. Tijdens mijn eerste jaar rechten werd mijn vader plots ziek. Ons gezin viel toen terug op een invaliditeitsuitkering. Enkele jaren later stierf hij. Mijn moeder moest het dan rooien met een overlevingspensioen. Indien er geen verhoogde kinderbijslagen, studiebeurzen en verminderde inschrijvingsgelden zouden hebben bestaan, zou ik mijn rechtenstudie niet hebben kunnen afmaken. Ik zou evenmin een postgraduaat sociaal recht aan de ULB hebben kunnen volgen. Ook professioneel zou ik het niet zo ver hebben kunnen schoppen.

Men verliest echter vaak uit het oog dat kinderen uit arbeidersgezinnen niet alleen een financiële barrière te overwinnen hebben als ze willen studeren. Er zijn nog andere obstakels waaraan men het hoofd moet bieden. Deze drempels zijn treffend beschreven in “Doorzetters”, waarvan de ondertitel passend luidt “Een onderzoek naar de betekenis van de arbeidersafkomst voor de levensloop en loopbaan van universitair afgestudeerden”. Hiermee behaalde de Vlaming Mick Matthys in 2009 de graad van doctor aan de Universiteit van Utrecht. In het kader van zijn doctoraat voerde Mick Matthys diepgaande gesprekken met 32 Nederlanders die uit een arbeidersgezin komen, als eerste in hun familie aan de universiteit studeerden en al enkele decennia beroepservaring kunnen voorleggen. Uit eigen ervaring kan ik veel vaststellingen van Mick Matthys bevestigen. Ook in de recente roman “Vurige Tong” van Ann De Craemer, waarin ze afrekent met haar katholieke jeugd in het West-Vlaamse Tielt, zijn gelijkaardige echo’s te vinden. Is het trouwens niet opvallend dat veel zaken waarmee de gesprekspartners van Mick Matthys in Nederland werden geconfronteerd toen zij studeerden tijdens de jaren zeventig, identiek zijn aan mijn ervaringen en die van Ann De Craemer in West-Vlaanderen tijdens de jaren tachtig en negentig?

Zo zijn er in de onmiddellijke omgeving een aantal factoren die het voor een arbeiderskind moeilijker maken om hoger onderwijs te volgen. Die belemmeringen vloeien voor een groot stuk voort uit het volgende devies: “Als je voor een dubbeltje geboren bent, dan word je nooit een kwartje” (Mick Matthys) of “Doe maar gewoon, dan zijt ge al onnozel genoeg” (Ann De Craemer). Of nog: “Waarom zou je proberen om je arbeidersafkomst te overstijgen? Grote dromen koesteren, dat heeft geen zin.”

Nonnen waren heel bedreven in dergelijke boodschappen die ze zelfs nog op het einde van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig durfden te brengen. Bij Ann De Craemer was het zuster Francis die er een genoegen in schepte om kinderdromen aan diggelen te slaan (“Vurige Tong”, blz. 28): “ ‘En gelooft ge dat nu echt, dat ge later schrijfster gaat worden?’ zei zuster Francis me tweeëntwintig jaar geleden, meewarig glimlachend.” Bij mij was het een zuster van het Wit-Gele Kruis die mijn vader verzorgde toen hij plots ziek was geworden. Ik was toen al in mijn eerste jaar rechten. Niettemin zei deze vrouw tegen mijn vader: “Allez, dat kan toch niet dat uw zoon als arbeiderskind rechten studeert aan de universiteit.” Van mijn vader moest ze niet meer terugkomen.

Ook PMS-centra, nu de CLB’s (Centra voor Leerlingenbegeleiding), zijn in hetzelfde bedje ziek. Zowel aan Ann De Craemer als aan mij werd aangeraden om Moderne te volgen. Latijnse was voor arbeiderskinderen te hoog gegrepen. Natuurlijk werd de boodschap anders ingekleed (“Vurige Tong”, blz. 134): “Uw dochter zal het moeilijk hebben in de Latijnse. Het is beter voor haar algemene ontwikkeling dat ze de moderne volgt. Ze is niet goed in logisch denken, en wiskunde, dus is Latijn geen goede keuze.” Lekker sarcastisch voegt Ann De Craemer er het volgende aan toe: “De apothekersdochter van mijn klas, die nochtans altijd minder goede schoolresultaten behaalde dan ik, werd ten zeerste aangeraden om Latijn en later Latijn-wiskunde te studeren. Het PMS: Pietluttigheid, Mediocriteit, Starheid.”

En blijkbaar gaat het maar door. Krijgen vele meisjes van “allochtone” komaf nu nog altijd niet vaak te horen dat ze maar beter voor technisch of beroepssecundair onderwijs (TSO of BSO) gaan en het algemeen secundair onderwijs (ASO) beter uit hun hoofd zetten? Gelukkig zijn er vele ouders die hun voeten aan deze “goede raad” vegen, net zoals de ouders van Ann De Craemer en mijn ouders het advies van het PMS terecht in de wind sloegen.

Daarnaast moet je als arbeiderskind in zekere zin breken met het milieu waar je vandaan komt. Tegelijkertijd wacht er de moeilijke integratie in de nieuwe “hogere” sociale klasse. Zo wordt er in een arbeidersgezin niet veel gesproken. Er wordt vooral veel gezwegen. Daar loop je evident de muren van op wanneer je door je studies je mening steeds beter kunt verwoorden en steeds meer voor jezelf kunt opkomen. Ann De Craemer verwoordde het zo (“Vurige Tong”, blz. 60-61): “Mijn ouders zagen zichzelf als niets meer dan de eenvoudige fabrieksarbeider en huisvrouw die ze waren, en hadden ook bij hen thuis tot uit den treure gehoord dat het gewone volk bij die mijnheren directeuren en mevrouwen directrices toch geen gehoor krijgt. Dat waren ze gaan geloven, en ze hadden waarschijnlijk nog gelijk ook. En die passiviteit had niet in eerste instantie met angst voor het hogere gezag te maken, ook, maar vooral met hun gebrek aan mondigheid. Ook zij hadden op hun katholieke scholen geleerd dat braaf zijn iets is waarmee je je hemel koopt, en ondervonden dat het leven iets gemakkelijker liep als je je mond hield, … want je grootste ongehoorzaamheid uit zich in woorden: hoe mondiger, hoe zondiger.”

Je aanpassen aan je nieuwe “hogere” sociale omgeving loopt echter niet van een leien dakje. Het duurt een hele tijd eer je het brengen van een duidelijke boodschap onder de knie krijgt, zonder jezelf te “overschreeuwen”, maar met de juiste toon. Een persoon die door Mick Matthys werd geïnterviewd vertolkte het als volgt (“Doorzetters”, blz. 254): “Omdat je daar nu zo frequent mee in aanraking komt, ben je niet meer behept met een interne drempel, zo van: ‘Hoor ik hier wel? Doe ik het goed? Hoe moet ik me gedragen? Wat kan ik wel en wat kan ik niet zeggen?’ Ik denk dat ik daar wat langer last van heb gehad dan kinderen die uit dat milieu kwamen.”

Roddelen is al evenmin een kunst die je als arbeiderskind onder de knie hebt. Het is dan ook geen toeval dat Ann De Craemer schrijft dat ze niet graag kwam op de recepties en vernissages waar ze voor haar werk aanwezig moest zijn, omdat het er gonsde van de smalltalk waarin zij heel onbedreven was (“Vurige Tong”, blz. 164). Mick Matthys geeft er de volgende formulering aan (“Doorzetters”, blz. 355): “Een ander fenomeen … is onwennigheid op recepties en borrels en het zich niet in staat voelen tot het voeren van informele gesprekken over informele onderwerpen met meerderen, of met mensen die duidelijk tot een andere sociale klasse behoren.” Ik vrees dat ik hier in hetzelfde schuitje zit.

Is trouwens de financiële drempel wel echt weggewerkt? Voor gezinnen met een bescheiden of modaal inkomen wordt het weer minder haalbaar om een student aan een hogeschool of een universiteit te hebben. Bijna 7000 euro per jaar spenderen ouders aan een zoon of dochter op kot. Met kosten zoals voeding en kleding erbij stijgt de investering tot bijna 12.000 euro per jaar. Zo is gebleken uit recente cijfers van het Centrum voor Budgetadvies en – onderzoek (Cebud) van de Katholieke Hogeschool Kempen (De Standaard, 22 september 2011).

Het valt ook te vrezen dat de situatie in de toekomst nog zal verslechteren. Overheden zullen de komende jaren fors moeten besparen. Onderwijs zal vermoedelijk aan deze besparingen niet kunnen ontkomen. In Nederland zijn de studiebeurzen al afgeschaft en vervangen door studieleningen. In Groot-Brittannië kost een jaar aan een universiteit al 11.000 euro. Nog voordat je een professionele carrière begint uit te bouwen en aan een gezin en een huis denkt, zit je al zwaar in de schulden. Pakken de zaken, professioneel of privé, niet uit zoals verwacht, dan zit je de rest van je leven met een financiële molensteen om de nek, tenzij je rijke ouders hebt die je uit de brand kunnen slepen. In de Verenigde Staten zal het saldo van openstaande studieleningen binnenkort boven de 1000 miljard dollar liggen. Door de werkloosheid die hoog blijft zullen meer Amerikanen problemen ondervinden om hun studielening terug te betalen. Na de hypotheekleningen zullen meer studieleningen onbetaald blijven. Er is overigens nog een andere gelijkenis met hypotheekleningen. Ook studieleningen werden herverpakt in allerhande financiële instrumenten waarvan men op den duur niet meer wist wat ze inhielden en waar ze uiteindelijk terechtkwamen. Deze herverpakte financiële instrumenten hebben finaal de grote financieel-economische crisis van 2008 teweeggebracht.

Liberalen zouden eigenlijk de eersten moeten zijn om zich te kanten tegen maatregelen die van hoger onderwijs opnieuw een voorrecht voor de happy few dreigen te maken. Voor liberalen zouden gelijkheid van kansen en gelijke onderwijskansen geen loos en ijdel begrip mogen zijn. Iedere mens verdient respect juist omdat hij of zij mens is. Dit respect vertaalt zich onder meer in een recht op zelfontplooiing. Liggen je talenten bijvoorbeeld op intellectueel vlak, dan moet je die kunnen ontwikkelen. Desnoods moet de overheid een financieel zetje geven om deze droom werkelijkheid te laten worden voor zoveel mogelijk personen. Komt de overheid hierin niet meer tussenbeide of wordt hier serieus op gekort, dan zijn dit vele dromen die aan diggelen worden geslagen. En dan hebben we het niet eens gehad over de schade die de maatschappij en de economie lijden, doordat talenten verkwist worden omdat ze niet tot volledige ontbolstering zijn kunnen komen. In het licht van de vergrijzing moeten in een kennismaatschappij de capaciteiten van iedereen op de juiste plaats worden ingezet. Laat ons hier zeer goed van bewust zijn voordat we gaan pleiten voor een verhoging van inschrijvingsgelden of een afbouw van de overheidsuitgaven voor het hoger onderwijs. En geef de financiering van het hoger onderwijs zeker niet in handen van de goocheltrucs van de financiële leerling-tovenaars die al genoeg onheil over ons hebben uitgestort.



Lieven Monserez

Lieven Monserez

Links
mailto:lieven@liberales.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be