Pensioenen: zorgen voor later?

column vrijdag 05 juni 2009

Lieven Monserez

Iemand nog iets gehoord over de pensioenen de jongste tijd? De problematiek van de vergrijzing lijkt door de zware financieel-economische crisis helemaal ondergesneeuwd te zijn. Vergis je echter niet. Vanaf het begin van het volgende decennium zal het aantal gepensioneerden toenemen. Hoe kan de betaling van deze pensioenen gegarandeerd worden? Dan duikt al gauw de vraag naar de wijze van financiering op. Moeten we verder blijven werken met de huidige financiering die berust op repartitie? Of moeten we meer ruimte geven voor kapitalisatie? Hoewel deze vraag theoretisch interessant is, is het niet de juiste vraag. De enige correcte vraag is hoe we de economie meer kunnen doen blijven groeien. Een nieuwe vorm van arbeidsorganisatie, sociale innovatie, kan hier mede een antwoord voor zijn.

Repartitie of kapitalisatie

De Belgische wettelijke pensioenen berusten thans op een repartitiesysteem. Repartitie houdt in essentie in dat de mensen die nu werken de pensioenen bekostigen die nu worden betaald. Met andere woorden, de sociale zekerheidsbijdragen die nu worden opgehaald dienen om de huidige pensioenen te financieren. Dergelijk systeem werkt uiteraard perfect, wanneer het aantal gepensioneerden laag ligt en het aantal actieven hoog ligt. Nu het aantal gepensioneerden stijgt en het aantal actieven niet in dezelfde mate stijgt en de komende jaren zelfs begint te dalen, staat het systeem echter onder druk. Weliswaar heeft men die druk een tijdje kunnen afhouden door de pensioenuitgaven in toom te houden door te werken met maximumpensioenen: vanaf een bepaald loonniveau worden geen wettelijke pensioenrechten meer opgebouwd, terwijl toch nog sociale zekerheidsbijdragen moeten worden betaald op dit loon dat niet meer in aanmerking wordt genomen voor het wettelijk pensioen. Dit heeft er evenwel toe geleid dat de Belgische wettelijke pensioenen verworden zijn tot één van de laagste wettelijke pensioenen van West-Europa. Nu de vergrijzing echt voor de deur staat, kan men zich niet langer met dit uitstel van executie vergenoegen.

Deze vaststelling doet sommigen ervoor pleiten om over te schakelen naar een kapitalisatiesysteem. Daarbij spaart men zelf voor zijn eigen pensioen later. Met andere woorden, het geld dat men nu opzij zet dient voor het eigen toekomstig pensioen. Daarbij wordt het pensioen niet alleen gebaseerd op de betaalde bijdragen. Het pensioen wordt ook mee opgebouwd aan de hand van de opbrengsten die men kan halen uit beleggingen die met de ingezamelde bijdragen worden gedaan. Bij een kapitalisatiesysteem wordt de financiering van de pensioenen dan ook voor een groot stuk in handen gegeven van de financiële markten. Dat deze financieringsbasis niet altijd zo stabiel is, hebben de afgelopen maanden afdoende bewezen. Dit heeft het animo voor kapitalisatie zeker niet vergroot.

It’s the economy, stupid!

Hoe dan ook, of de pensioenen gefinancierd worden via repartitie, kapitalisatie of een combinatie van beide, een goed draaiende economie is de basis van alles. Enkel wanneer de economie goed draait, kunnen er meer mensen aan de slag, waardoor meer sociale zekerheidsbijdragen binnenkomen en meer geld naar de pensioenen kan gaan (repartitie). Enkel wanneer de economie goed draait, kunnen bedrijven goede zaken doen en mooie winstcijfers boeken. Daardoor worden deze bedrijven aantrekkelijk om in te investeren en kunnen deze investeringen de nodige opbrengsten genereren voor de betaling van pensioenen (kapitalisatie).

Om die reden mag het pensioendebat niet verengd worden tot louter de financiering van de pensioenen. Om de toekomstige financiering van de pensioenen veilig te stellen moet het debat over meer dan alleen de pensioenen gaan. Het moet gaan over de vraag op welke wijze de toekomstige economische groei het best kan worden verzekerd. Dat de financiering van de pensioenen een deel moet zijn van het ruimere economische debat wordt aangetoond door een Belgisch precedent uit de jaren vijftig.

Back to the future...

Midden de jaren vijftig was België gedwongen om de financiering van de wettelijke pensioenen grondig te wijzigen. Tot dan berustte de financiering van de Belgische wettelijke pensioenen op een kapitalisatiesysteem. De wettelijke pensioenen werden toen uitbetaald door pensioenfondsen. De pensioenfondsen waren echter door hun reserves heen. De decennia daarvoor waren natuurlijk niet echt bevorderlijk voor het aanleggen van reserves, met de zware economische crisis van de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog en de moeizame heropbouw daarna. Omdat op die manier de financiering van de wettelijke pensioenen niet langer kon worden gegarandeerd, moest noodgedwongen overgeschakeld worden naar een repartitiesysteem. Naar achteraf bleek, is deze omschakeling qua pensioenfinanciering zeer goed uitgevallen. Door de enorme economische expansie van de jaren zestig nam de werkgelegenheid in België substantieel toe, waardoor niet alleen de betaalbaarheid van de wettelijke pensioenen kon worden gewaarborgd, maar waardoor ook ruimte ontstond voor een verhoging van de wettelijke pensioenen.

Daarmee kwam de sociaal-economische strategie die de Belgische sociale partners in de loop van de jaren vijftig hadden uitgedokterd ten volle uit. In de jaren vijftig was de Belgische economie één van de zwakst presterende economieën van West-Europa. De economische groei lag in België stukken lager dan in andere West-Europese landen. België stond ook zwak in nieuwe sectoren zoals de chemie. Het was de hoogste tijd om het geweer van schouder te veranderen. De Belgische industrie moest anders te werk gaan. De producten moesten van betere kwaliteit worden. Tevens moest de productie goedkoper worden. Goedkopere producten waren niet alleen goed voor de concurrentiepositie van de Belgische bedrijven, maar kwamen ook de koopkracht van de werknemers ten goede. Dit alles vereiste een verhoging van de productie. Daarvoor was dan weer een verhoging van de productiviteit nodig. De arbeid moest beter worden ingezet. Dit opvoeren van de productiviteit kon vervolgens resulteren in stelselmatige productiviteitswinsten. Deze winsten konden dan voor een groot stuk terugvloeien naar de werknemers via loonsverhogingen en de uitbouw van een welvaartsstaat. Zoals André Renard, de toenmalige nationaal secretaris van het ABVV stelde: “Met opzet stellen we geen schreeuwende eisen. We willen de Belgische koek vergroten om ons er morgen een ruimer deel van toe te eigenen.” Deze sociaal-economische politiek gaven de Belgische sociale partners gestalte in bijvoorbeeld de Gemeenschappelijke Verklaring over de Productiviteit (1954) en het Productiviteitsprotocol (1959).

Het einde van het Taylorisme en het Fordisme

Deze gemeenschappelijke verklaring en dit protocol berustten allebei op een particuliere vorm van arbeidsorganisatie, namelijk het Taylorisme en het Fordisme. Daarin wordt het werk opgesplitst in heel kleine taken. Van een werknemer wordt dan verwacht dat hij niet meer dan die taak uitvoert. Juist deze doorgedreven specialisatie heeft de sterke toename van de productiviteitswinsten mogelijk gemaakt. Ter voorbereiding van de productiviteitsverklaring en het productiviteitsprotocol ondernam de Belgische Dienst voor de Opvoering van de Productiviteit (BDOP) heel wat studiereizen naar de VS om daar het Taylorisme en het Fordisme in de praktijk aan het werk te zien.

Het Taylorisme en het Fordisme hebben evenwel hun beste tijd gehad, zoals het recente bankroet van General Motors (GM) aantoont. Het Taylorisme en het Fordisme zijn het verst doorgetrokken in de autoassemblage en hebben daar de massaproductie mogelijk gemaakt. Dergelijke manier van produceren is evenwel niet meer aangewezen als er overcapaciteit is en men er niet meer van tevoren kan uitgaan dat alle geproduceerde wagens zullen worden verkocht.

Sociale innovatie

Een nieuwe manier om de arbeid te organiseren is niet alleen om die reden noodzakelijk. Een verder doorgedreven opsplitsing van de taken in een onderneming bemoeilijkt de coördinatie. Iedere medewerker weet wel perfect welke precieze taak hij moet uitvoeren, maar hij heeft geen zicht over hoe zijn taak dan inpast in het grotere geheel. Om dit overzicht te bewaren heb je een heel kader van kaderleden nodig. Dit heeft dan vaak aanleiding gegeven tot een grote bureaucratie met heel wat niveaus binnen grote ondernemingen.

Innovatie moet bijgevolg over meer gaan dan alleen technologische en economische innovatie. Ook naar sociale innovatie moet de nodige aandacht gaan. Sociale innovatie kan omschreven worden als een vernieuwing qua arbeidsorganisatie en qua arbeidsrelaties die moet toelaten de capaciteiten van de steeds schaarser wordende arbeidskrachten steeds beter te benutten. Volgens het Nederlands Centrum voor Sociale Innovatie zijn een aantal kenmerkende werkwijzen voor sociale innovatie de volgende:

1. Met betrekking tot de arbeidsorganisatie:
- De organisatie biedt ruimte om onafhankelijk van tijd en plaats (samen) te werken.
- De organisatie biedt ruimte voor het, in overleg, invullen van werktijden.
- De organisatie faciliteert flexibiliteit, onder meer gebruikmakend van ICT.
- De organisatie biedt ruimte om een deel van de werktijd aan nieuwe ideeën te werken.
- De organisatie heeft een gevarieerd (divers) personeelsbestand, en benut dit effectief.
- De (logistieke) processen worden, in overleg met medewerkers, zo effectief mogelijk ingericht.

2. Met betrekking tot de arbeidsrelaties:
- Medewerkers en management formuleren samen de ambities van de organisatie.
- Medewerkers hebben zeggenschap binnen de organisatie en beslissen mee.
- Management en medewerkers stimuleren elkaar om te (leren) vernieuwen, durf en creativiteit te tonen.
- Management en medewerkers vertrouwen elkaar.
- Medewerkers geven zelfstandig en vanuit eigen verantwoordelijkheid, sturing aan hun werkzaamheden.
- Medewerkers en management mogen fouten maken en durven hiervoor uit te komen.

3. Met betrekking tot de relatie met de omgeving:
- De organisatie werkt samen met partners (leveranciers, klanten en omwonenden) aan innovatie.
- De organisatie werkt samen met kennisorganisaties (het onderwijs, beroepsfederaties enz.).
- De organisatie is betrokken bij zijn omgeving en bij maatschappelijke vraagstukken.

Sociale innovatie is trouwens meer dan alleen een nieuwe vorm van arbeidsorganisatie die de productiviteitsgroei een nieuw elan moet geven. Sociale innovatie kan eveneens de kwaliteit van de arbeid verbeteren. Centraal in een innovatieve arbeidsorganisatie staan meer mogelijkheden om werk en privéleven met elkaar te verzoenen, meer autonomie voor de werknemer, meer werken in teams en een bredere inzetbaarheid zodat werknemers verschillende taken aankunnen. Een betere work-lifebalans, meer zeggenschap over het eigen werk, waardevolle contacten met collega’s en een steeds grotere marge van zelfontplooiing zijn nu juist factoren die het welzijn van de werknemers op hun werk verhogen.

Een nieuw bondgenootschap tussen werkgevers en werknemers waarbij via sociale innovatie tegelijkertijd de toekomstige welvaart veilig wordt gesteld en de kwaliteit van de arbeid verbetert, moet dan ook zeker mogelijk zijn.



Lieven Monserez

Lieven Monserez

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be