Centraal in het liberalisme staan vrijheid en rechtvaardigheid, het recht van elke mens om zelf invulling te geven aan zijn of haar levensplan, maar ook de mogelijkheid om dat ook daadwerkelijk te kunnen doen. Het lijkt vandaag de dag evident dat we als mens zelf bepalen wat we met ons leven doen, wat we gaan studeren, welk beroep we uitoefenen, waar we wonen, of we gaan trouwen en met wie, of we kinderen krijgen of niet. Al die zaken beslissen we zelf. Dat is een verworvenheid van de Verlichting maar evident is dat niet. Wie kijkt naar de geschiedenis, zelfs de recente geschiedenis, beseft dat die keuzevrijheid in feite heel modern, kwetsbaar en beperkt is. Tot een goede 200 jaar geleden was er van keuzevrijheid geen sprake. De meeste mensen leefden toen in een of andere vorm van slavernij of lijfeigenschap. Pas sinds de Verlichting is daar stilaan maar zeker verandering in gekomen. Denk aan de uitspraak van de vader van de Verlichting ‘Sapere Aude’ of ‘durf je van je verstand te bedienen’. Het was kant die heel duidelijk stelde dat elke mens een doel op zich is en geen middel. Denk ook aan de stelling van de liberale filosoof John Stuart Mill die stelde ‘Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is ieder mens zijn eigen meester’. Het zorgde in de 19de eeuw voor een oprukkend liberalisme en de aanvaarding van liberaal geïnspireerde grondwetten waarin de rechten en vrijheden van mensen werden vastgelegd. Dat betekende evenwel niet dat de mens vanaf dan ‘bevrijd’ was. De 20ste eeuw heeft aangetoond hoezeer het liberale recht op zelfbeschikking verpletterd werd. Denk aan het extreem nationalisme waarin de vrijheid van de mens ondergeschikt werd gemaakt aan het belang van het vaderland. Het leidde tot de Eerste Wereldoorlog waarbij miljoenen mensen stierven voor een korrel grond. Denk ook aan het communisme waarin de mens behandeld werd als een ding, iets dat men inschakelen of uitschakelen. ‘Mest op de velden van de toekomst’, zo sprak Trotski over de mens. En ook in communistisch China werden mensen behandeld als dingen. In zijn biografie over Mao schrijft Jung Chang dat de Chinese leider tijdens de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ tussen 1958 en 1961 in de provincie Henan de namen van boeren liet vervangen door nummers. Denk ook aan het fascisme waarbij ganse bevolkingsgroepen als minderwaardig werden beschouwd en vernietigd zoals fysiek en mentaal gehandicapten, homoseksuelen, getuigen van Jehova, zigeuners en de joden. Denk tenslotte aan de radicale religieuze bewegingen en staten waarin miljoenen mensen, hoofdzakelijk vrouwen, in onvrijheid leven. Die vrouwen worden gedwongen uitgehuwelijkt, verplicht zich te sluieren, ze mogen niet gaan waar ze willen, ze hebben minder rechten dan mannen, ze moeten maagd blijven en wie niet luistert wordt verstoten, mishandeld of ver(ere)moord. Toch is er in onze contreien een duidelijke liberale tendens naar meer individuele vrijheid. Dat zagen we vooral in de tweede helft van de vorige eeuw en cumuleerde op het einde van de jaren zestig tot een heuse ontvoogdingsstrijd: tegen de koloniale overheersing in zowat gans de wereld, tegen de segregatie van de zwarten in Amerika, tegen de apartheid in Zuid Afrika, voor het recht op zelfbeschikking voor vrouwen, voor de rechten voor homoseksuelen, enzovoort. Maar die strijd is niet gedaan. Ook vandaag nog leven miljoenen mensen om culturele, religieuze en economische redenen in onvrijheid, niet alleen in minder ontwikkelde landen, maar ook bij ons, hier in het Westen. Het liberalisme is meer dan ooit nodig om ook die mensen de mogelijkheid te geven om zelf hun leven in handen te nemen. Dat is de reden waarom we moeten strijden tegen het cultuurrelativisme enerzijds en het monoculturalisme anderzijds. Het eerste leidt tot onverschilligheid, het tweede tot de aantasting van de eigen identiteit. Liberalen kiezen voor een derde weg: die van de universele seculiere moraal. Dit betekent dat we een aantal grenzen trekken. Zo kan er geen sprake zijn van enige aantasting van de scheiding van kerk en staat, van de vrijheid van meningsuiting, van de gelijkwaardigheid van alle mensen (en van man en vrouw in het bijzonder) en van het recht op zelfbeschikking. Binnen deze duidelijke grenzen is alle diversiteit mogelijk. Op het sociaal-economische vlak betekent het recht op zelfbeschikking niet alleen een zo groot mogelijke vrijheid om zelf initiatief te kunnen nemen, te werken en geld te verdienen, maar eveneens herverdeling via faire belastingen ten voordele van al wie dit het meest nodig heeft. Ik denk daarbij aan een goed onderwijssysteem zodat alle kinderen gelijke kansen krijgen om hun talenten te ontplooien. Ik denk aan een goede sociale zekerheid zodat werklozen, zieken, gehandicapten en senioren de nodige middelen krijgen om een menswaardig bestaan te leiden en ook op hun beurt hun levensplan in te vullen. Vrijheid kan derhalve nooit absoluut zijn; dat zou betekenen dat we iemand in de woestijn zetten zonder voedsel en kompas en zeggen ‘je bent vrij’. Dat is een valse vrijheid. We moeten mensen ook middelen geven om die vrijheid te kunnen genieten. Deze combinatie van vrijheid en rechtvaardigheid is ook de sleutel voor de oplossing van problemen die door de globalisering steeds urgenter worden. Zoals de armoede in de derde wereld, de vluchtelingenstromen uit arme landen naar het rijke noorden, de impact van de mens op het milieu en situatie van de niet-menselijke dieren. Aansluitend bij de ideeën van Amartya Sen die een boek schreef onder de titel ‘Vrijheid is vooruitgang’, denk ik dat de wereld meest gebaat is bij vrijhandel maar niet blind of absoluut toegepast. Net zoals we moeten zorgen voor onze zieken en senioren hebben we als mensen de plicht om te zorgen voor het lot van medemensen in de arme wereld. Dat betekent dat we een deel van onze rijkdom moeten besteden aan ontwikkelingshulp. Dit geld moet in de eerste plaats dienen voor scholen, ziekenhuizen, drinkbaar water en andere basisinfrastructuur. Maar dergelijke hulp is niet voldoende. Nog belangrijker is dat de rijke landen – de VS, de EU en Japan op kop – stoppen met hun protectionisme. Door steunmaatregelen, exportsubsidies en importheffingen ontnemen we immers de kans voor miljoenen boeren in het Zuiden om tot ontwikkeling te komen. In die zin ben ik dan ook verheugd dat 11.11.11 dit jaar de strijd tegen de verstikkende dumping van Europees voedsel op de markten van de arme landen als thema heeft gekozen. Ik hoor lezers al denken: wat een grote woorden, zouden we ons niet beter concentreren op de dagelijkse, concrete feiten en problemen in plaats van hier een groot ideologisch verhaal te brengen. Wel ik denk dat beide noodzakelijk zijn. Natuurlijk moeten politici dagelijkse concrete problemen oplossen. Maar ze mogen nooit het grote verhaal uit het oog verliezen. Ik verwijs graag naar de grote Britse liberale staatsman John Morley die het volgende stelde: ‘Zij die een scheiding willen maken tussen politiek en moraal, zullen nimmer een van beide begrijpen.’ We moeten in ons politiek handelen dus steeds ethisch handelen. Dat wil zeggen: ten bate van de mens en de samenleving. Opdat er meer vrijheid en meer rechtvaardigheid zou komen, voor ons en voor onze kinderen. Mathias de Clercq Mathias de Clercq LinksMathias.De.Clercq@telenet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|