|
Toen Montesquieu in l'Esprit des Lois stelde « il faut que par la disposition des choses que le pouvoir arrête le pouvoir» had hij een politiek systeem voor ogen gebaseerd op een scheiding der machten, ten einde de burger te beschermen tegen de excessen van de overheid en tegen de bestuurlijke willekeur, een systeem van checks en balances waarbij de verschillende machten van elkaar gescheiden zijn, maar elkaar toch wederzijds controleren. Artikel 6 van het Verdrag van de Europese Unie stelt: "De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben". Werkt de Unie evenwel zelf op democratische wijze? Wordt het systeem dat Montesquieu voor ogen had op Europees niveau geïmplementeerd? Het antwoord is even eenvoudig als de vraag: neen, de Unie werkt niet (langer) democratisch. De Europese Unie is er na een bestaan van bijna vijftig jaar nog steeds niet in geslaagd op supranationaal niveau structuren uit te bouwen die zelfs maar een begin vormen van de invoering van systemen van overheidscontrole, van parlementaire verantwoordelijkheid en van overheidsaansprakelijkheid, zoals die in de diverse lidstaten op verschillende wijzen van toepassing zijn. De Europese Unie pretendeert evenwel op democratische leest te zijn geschoeid. Zij is tot dusver succesvol geweest in het bereiken van enkele specifieke doelstellingen, zoals de realisatie van een interne markt en een economische en monetaire unie. Dit (economisch) succes is evenwel verraderlijk, omwille van het feit dat het steeds een legitimerend effect heeft. The best way to legitimate the war, is to win it. In die context staan vragen over het democratisch gehalte van structuren en van instellingen niet op de politieke agenda. De markante vaststelling dat de Unie niet op democratische leest is geschoeid, zou essentieel moeten zijn in het debat over de nakende uitbreiding van de Europese Unie naar Centraal- en Oost-Europa, Cyprus, Malta en Turkije toe, omdat zij een conditio sine qua non zou moeten vormen voor de uitbreiding. Naar ons oordeel ontbreekt het de Europese beleidsmakers echter aan moed om de structuur en de werking van de Europese instellingen in vraag te stellen. De Europese Conventie zal daaraan niets wijzigen. De politieke wil bestaat eenvoudigweg niet om een aantal knopen door te hakken of om een aantal hete hangijzers aan te pakken. De mensen die voorheen de drijvende kracht achter de Unie vormden, zoals Helmut Kohl, Francois Mitterand en Jacques Delors, hebben allen het politieke forum verlaten en werden opgevolgd door politici die vooral de nationale belangen van de respectievelijke landen voor ogen hebben. Een Unie die niet in staat is democratisch te werken met 15 lidstaten kan echter nooit op een democratisch verantwoorde manier functioneren met 28 lidstaten. Deepening, not widening zou dé Europese prioriteit van dit ogenblik moeten zijn. De economische belangen van de Europese Unie bij de geplande uitbreiding zijn evenwel dermate groot dat deze optie zelfs niet meer in overweging wordt genomen. De handelsbalans voor de Europese Unie is immers positief. Op dit ogenblik worden meer goederen uitgevoerd naar de Centraal- en Oost Europese landen dan er import plaatsvindt vanuit die landen naar de EU. De toetreding van de voormalige Communistische landen betekent ook het aanboren van een enorme afzetmarkt voor de Westerse producten. De economische belangen zijn groot, te groot, dat is de "bottomline". Het beginsel dat de toepassing van de principes van de vrije markt meer welvaart zal brengen in de desbetreffende landen lijkt daarbij onaantastbaar . Dit gaat echter naar mijn oordeel niet op wanneer de lokale industrieën gedurende een overgangsfase niet voldoende beschermd worden. Hoewel in de desbetreffende Centraal- en Oost-Europese landen in de voorbije tien jaar ieder aspect van het economisch leven aan ingrijpende wijzigingen onderhevig is geweest en reeds enorme vooruitgang werd geboekt, dient vastgesteld te worden dat de daar gevestigde handelsactiviteiten op dit ogenblik onvoldoende ontwikkeld zijn om blootgesteld te worden aan de concurrentie met Westerse ondernemingen die al meer dan vijftig jaar op basis van de principes van de vrije markt functioneren en zich in die periode herhaaldelijk hebben kunnen herstructureren en aanpassen aan de wijzigende economische behoeften. Er dient bovendien te worden gewezen op het feit dat het introduceren van een vrije markt, zoals in de voormalige Oostbloklanden, gepaard dient te gaan met ingrijpende institutionele hervormingen. Een economie gebaseerd op de beginselen van de vrije markt kan enkel meer welvaart creëren in die kandidaat-lidstaten indien de open concurrentie gepaard gaat met de uitbouw van een democratisch en goed functionerend overheidsapparaat, dat in staat is de spelregels van de concurrentie vast te leggen, en een rechterlijke macht die in staat is de geldende regelgeving af te dwingen. De vraag is maar zeer in hoeverre al de kandidaat-lidstaten in de relatief korte periode sinds de val van de Berlijnse muur erin geslaagd zijn deze institutionele hervormingen succesvol door te voeren. De invoering van de vrije markt in de voormalige communistische staten lijkt in ieder geval af en toe meer weg te hebben van een weinig doordachte operatie, die vooral bedoeld is een nieuwe afzetmarkt, annex goedkope productiemarkt, te creëren. Waarom die landen niet toelaten geleidelijk in het kader van de afgesloten Europa-Akkoorden hun instellingen aan te passen? Waarom dergelijke akkoorden niet sluiten met landen als Turkije? Dergelijke vragen mogen zelfs niet meer gesteld worden onder druk van economische belangen van lobbyende ondernemingen. Overhaasting leidt in deze materie echter meestal tot nefaste resultaten. Overigens dient opgemerkt dat er niet enkel op het institutioneel vlak vragen blijven bestaan over de snelle uitbreiding van de Unie naar het Oosten. Zo is er bijvoorbeeld in sommige rurale streken van Polen op dit ogenblik een werkloosheidsgraad van 52% onder de vrouwelijke bevolking. Ook is er nationaal een gemiddelde werkloosheidsgraad van ongeveer 16 %, wat betekent dat op vandaag de dag in dat land meer dan drie miljoen mensen over geen arbeidsplaats beschikken. Is de vrije markt in deze de "deus ex machina"? Op termijn wellicht wel, maar op dit ogenblik lijkt mij een verdere hervorming van de nationale instellingen en het economisch leven primordiaal, zonder daarbij onmiddellijk blootgesteld te worden aan de veel beter georganiseerde internationale concurrentie. De huidige gang van zaken zal ongetwijfeld tot een strijd met ongelijke wapens leiden. Tot slot blijft het ook essentieel te herhalen dat de Unie zelf intern een democratisch deficit kent waarbij 'de burgers', de basis, niet het gevoel hebben bij de besluitvorming betrokken te zijn. Niemand die bij de Europese verkiezingen gaat stemmen heeft ook maar enigszins het gevoel dat zijn of haar stem de politieke besluitvorming in de Unie kan beïnvloeden. De Unie zoals we die vandaag kennen, functioneert nog altijd volgens hetzelfde model als dat van in 1958, toen er slechts een handvol lidstaten waren en de bevoegdheden veel beperkter waren. Het spreekt vanzelf dat het uitgesloten is dat deze instellingen een Unie van bijna dertig lidstaten met zeer uitgebreide en levensbelangrijke bevoegdheden op een democratische wijze zouden kunnen leiden. Evenwel is het schrijnend vast te stellen dat de Europese beleidsmakers het niet eens raken over de verdieping van de Unie, maar dat dit geenszins de uitbreiding tegenhoudt, wat uiteindelijk nefast kan blijken voor de werking en de geloofwaardigheid van de Europese instellingen. Matthys en Lachaert Linksmailto:elisabethmatthys@hotmail.com mailto:egbert.lachaert@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|