‘Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is ieder mens zijn eigen meester’, zo schreef John Stuart Mill, één de grondleggers van het liberalisme. Daarmee gaf hij al in 1859 aan dat het recht op zelfbeschikking essentieel is en dat niemand moet leven onder een vorm van geestelijke of materiële dwang. Deze visie werd tijdens de voorbije decennia gerealiseerd, denk aan de strijd tegen de Apartheid in Zuid Afrika, tegen de segregatie van de zwarten in de VS, voor de gelijkwaardigheid van de vrouw en later voor de rechten van homoseksuelen. De bevrijding van de mens van de ketenen van onderdrukking omwille van ras, geslacht of afkomst is één van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Verlichting. De strijd voor vrijheid is evenwel niet af, en zal dat nooit zijn. Vorige week stelde Wouter Beke, de ondervoorzitter van de CD&V, zijn boek De mythe van de vrije wil voor. De auteur stelt het voor als een Pleidooi voor een menselijke vrijheid, maar wie het leest begrijpt dat het vooral een aanval is op de uitgangspunten van de moderniteit. ‘Een grote groep van mensen voelt zich pas echt vrij wanneer anderen voor hen keuzes maken en wanneer zij bepaalde gedragspatronen gewoon kunnen overnemen’, zo schrijft hij. Wat betekent dit? Het lijkt wel een terugkeer naar de tijd waarin mensen ‘geleid’ werden door gezagsdragers die in de plaats van anderen beslisten wat goed en slecht was. De tijd waarin mijnheer de pastoor en mijnheer de baron het voor het zeggen hadden en de ‘domme’ mensen onder de knoet hielden. De tijd van de belerende vinger, van de hogere wijsheid als richtinggever, van het moreel absolutisme. De tijd van het paternalisme. De auteur keert zich tegen het individualisme dat zou zorgen voor ontworteling en een verlies van binding met de eigen gemeenschap. Het is een bizarre redenering want tal van mensen hebben in de loop van de geschiedenis net gevochten om uit de wurggreep van de groep te geraken. Iedereen kent wel gevallen van mensen – vooral vrouwen – die in het verleden het slachtoffer waren van huiselijk geweld, de wetten van de natuur (ongewild kinderen krijgen) en de kerk die vrouwen als minderwaardig beschouwde. Wouter Beke suggereert dat het vroeger zoveel beter was, maar was dat wel zo? Waren mensen vroeger zoveel gelukkiger? Het antwoord is negatief, zeker voor vrouwen die in een onderdanige positie stonden tegenover hun mannen (en de kerk) en die beschouwd werden als minderwaardige wezens. Net de door de auteur zo verfoeide beweging rond mei-68 bracht hierin verandering. Het uitgangspunt van het individualisme is juist de erkenning van het bestaansrecht van de ander. Het vormt juist de voorwaarde tot het anders kunnen zijn. Wouter Beke heeft een nostalgie naar de verzuiling. ‘Sommigen denken met weemoed terug aan de tijd van de verzuiling, de tijd van een zekere maatschappelijke ordening, de nestwarmte van de groep die elkeen begeleidde van de wieg tot het graf’, zo schrijft hij. Dit is een duidelijke uiting naar een nieuwe vorm van paternalisme. Het toont aan dat de auteur geen vertrouwen heeft in de mens en hem opnieuw aan de ketting wil leggen van de loyaliteit aan de groep of gemeenschap waarin hij geboren werd. Daarmee onderschat de auteur de wil van elke mens om iets van zijn of haar leven te maken. Scholieren willen niet langer dogma’s aanleren, maar net kennis nemen van uiteenlopende stellingen zodat ze later zelf hun keuzes kunnen maken. Gepensioneerden willen niet langer behandeld worden als een beschermde diersoort die éénmaal per jaar met bussen gevoerd worden naar Lourdes, maar als mensen die hun duur verdiende vrije tijd naar eigen goeddunken willen invullen. De mens is geen groepsdier zonder eigen wil. De mens vormt een uniek wezen en heeft een mozaïek aan identiteiten. Het herleiden van de mens tot één groep is een aanslag op de individuele vrijheid. Cultuur en omgeving bepalen de setting, de mens het verhaal. Niet je afkomst is determinerend, wel de keuzes die je maakt. Steeds opnieuw verwijst de auteur naar het belang van het middenveld en dat klopt ook. Ook liberalen beschouwen het middenveld als een emanciperend platform waar mensen hun gezamenlijke belangen kunnen verdedigen. Het recht van vereniging is een liberaal beginsel. Het primaat van de politiek moet echter steeds centraal staan. Het zijn niet de drukkingsgroepen die moeten beslissen over onze toekomst maar de verkozenen van het volk. Het zijn dus niet de Boerenbond, het ACV of UNIZO die zullen bepalen hoe we moeten leven, maar de burgers binnen het wettelijke kader dat beslist wordt door hun verkozen vertegenwoordigers. In die zin moeten we niet terug naar de tijden van verzuiling waarin mensen datgene moesten doen wat anderen voor hen goed vonden, maar naar een systeem waarin elke burger meer greep krijgt over zijn eigen leven, en zelf keuzes maakt. ‘Religie pacificeert’, zo schrijft Wouter Beke, en hij ziet het geloof als een uitsluitend positief gegeven. De realiteit is dat we nog nooit zoveel samenlevingsproblemen hebben gekend door religies. Godsdiensten inspireren niet alleen tot het goede, maar zorgen ook voor dwang, onderwerping en afkeer voor andere religies of ongeloof. Net daarom pleiten liberalen voor een neutrale staat en vertegenwoordigers van de overheid die zich onthouden van opvallende religieuze symbolen. Religie kan bijdragen tot een positieve morele instelling, maar net zozeer tot het tegendeel. Alleen een ‘universele seculiere moraal’, gebaseerd op de aanvaarding van de gelijkwaardigheid van elk individu, de vrijheid van meningsuiting en de rechtsstaat, kan leiden tot een harmonieus samenleven van mensen met een verschillende cultuur en religie. De essentie is immers wederzijds respect, zoals de auteur regelmatig stelt, niet het overwicht van deze of gene geloofsovertuiging. Mathias De Clercq Mathias De Clercq Linksmailto:mathias@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|