|
De recente publicatie van het Worldwatch Institute (WWI) omtrent ondermeer de steeds groeiende groep van ‘westers’ georiënteerde consumenten is slechts één van die analyses of noodkreten die een mens tussen twee verteringsbeurten door eens aan het denken zou moeten zetten. Er zou echter veel meer tijd nodig zijn dan de pauze tussen twee maaltijden om dit denkproces tot een goed te verteren besluit te kunnen brengen. De vraag naar het hoe en vooral het waarom van het consumeren lijkt mij immers niet in complexiteit te moeten onderdoen van vele andere wetenschappelijke en/of ontologische vraagstukken. Eén verklaringsfactor, en misschien wel de meest grijpbare, duidt op de economisch-biologische kracht die uitgaat van de schaarste omtrent levensnoodzakelijke ‘goederen’. Een gegeven waarmee de mens doorheen heel haar bestaan geconfronteerd is geworden. Deze schaarste in combinatie met onze overlevingsdrang en ons redeneringsvermogen heeft ertoe geleid dat de mens een creatieve en ondernemingsgerichte positie op deze aarde heeft ingenomen. Waar ook ter wereld heeft dit creatieve vermogen de mens er in de meest verscheiden vormen toe gebracht om de oorzaken voor de schaarste het hoofd te bieden en daar waar mogelijk te voorkomen. Tot zeer recent in de geschiedenis was geen enkele beschaving er in geslaagd om deze schaarste volledig te elimineren. In de meeste samenlevingen was de cultuur zelfs niet van die aard dat er een streven naar dit punt aanwezig was, maar voor de westerse cultuur was dit zeker het geval. Wij hebben deze schaarste weten te elimineren, maar omdat we –tot nog toe- niet in staat zijn gebleken om in het licht van deze nieuwe en vrij unieke situatie ook onze consumptiedrang te evalueren, is de situatie van schaarste geëvolueerd naar een situatie die ons voor nieuwe uitdagingen plaatst: de situatie van de overvloed. Het spreekt voor zich dat deze situatie niet globaal geldig is en volgens het WWI ook verre van wenselijk vermits een wereldwijde expansie van het westers consumptiegedrag nefast zal zijn voor het ecologische evenwicht van onze planeet. Deze bevindingen kunnen uiteraard niet vrolijk stemmen, zeker niet als ze gekoppeld worden aan het feit dat ons overheersend economisch model er één is waarbij consumptie en dan vooral die op de korte maar steeds voortdurende tijd de centrale rol speelt. Het discour van het grootst aantal politici laat daarbij weinig aan de verbeelding over. Het vertouwen van de mensen in de samenleving moet hoofdzakelijk van economische aard zijn. Dit bevordert immers de consumptie en dat bevordert dan weer de economie en de rest volgt van zelf wel. Op korte termijn is dit binnen de huidige samenleving zeer zeker een waarheid en het voortdurend verkondigen en herkauwen van deze redenering is in dat opzicht dan ook de taak van de politici. Maar uiteraard beseffen de meesten onder ons wel dat de lange termijn een ander discour nodig heeft, een discour dat volgens analyses van het WWI op relatief korte termijn aan belang zal moeten winnen. Dit discour moet daarvoor op een zo breed mogelijke schaal gevoerd worden en het overstijgt uiteraard elke politiek denkbaar mogelijke indeling. Binnen dit discour lijkt mij de vraag naar kwaliteit een centrale rol te mogen innemen. Kwaliteit, zoals kwantiteit houdt immers een zekere tijdsbepaling, een duur in zich. Meestal wordt dan aan het kwalitatieve een ontwikkelingsproces toegeschreven waarbij de tijd zich niet zozeer laat meten in meetbare tijdseenheden, maar wel in de intensiteit waarmee een bepaald ontwikkelingsproces doorlopen wordt. Aan het resultaat van een dergelijk proces wordt dan meestal ook een grotere emotionele en economische waarde toegekend vermits intensiteit en duurzaamheid in een nauw versterkende relatie tot elkaar staan. Het schijnbaar onoverkomelijke probleem hierbij is de economische realiteit die stelt dat met de productietijd ook de kost en de prijs van een product stijgt. Een meubelstuk dat door de handen van een artisanale vakman vervaardigd werd zal uiteraard duurder zijn dan het meubelstuk dat via een efficiënt geïndustrialiseerd productieproces in bijvoorbeeld de Ikea aangeboden wordt. Daartegen staat uiteraard wel dat de duurzaamheid in het eerste geval meestal groter zal zijn dan in het tweede geval (alleszins van die indruk kan ik mij na twee verhuisbeurten met een Ikea-kleerkast toch niet ontdoen). De kostprijs van een goed is dan ook relatief ten opzichte van de duurzaamheid van dat object. De mentaliteit van de consument is daarbij doorslaggevend. Denk ik op de korte en ‘betaalbare’ termijn of investeer ik wat meer in een goed dat, wellicht altijd met enig risico, de belofte van de duurzaamheid inhoudt. Uiteraard is niet enkel de mentaliteit maar ook de economische realiteit van de consument belangrijk alhoewel aan deze realiteit vaak een te groot gewicht gehecht wordt. De optelsom van vele minder duurzame producten zou op het einde van een leven wel eens niet zoveel kunnen verschillen van de optelsom van iemand wiens consumentengedrag zich vooral op de lange termijn oriënteerde. Kwaliteit heeft uiteraard niet enkel te maken met de goederen die op de consumptiemarkt aangeboden wordt. Een ander belangrijke gegeven dat soms tot een suprematiegevoel van het Westen leidt, is het feit dat onze technologische ontwikkeling voor een enorme stijging in de gemiddelde levensverwachting heeft geleid. Het probleem hierbij is echter dat het hier opnieuw hoofdzakelijk om een kwantitatieve benadering gaat. De levensverwachting a rato van leeftijd zegt eigenlijk heel weinig over hetgeen van een leven verwacht wordt. Het vooruitzicht op een lang en vrij gezond leven schept enkel een bredere ontwikkelingszone voor een zinvol leven, maar niet de zingeving zelf. Het is een cliché waar je op een vrijdagavond na een harde werkweek aan de bar zo weinig mogelijk over wil horen, maar het valt moeilijk te onderkennen dat met het wegvallen van de schaarste de vraag naar menselijke zingeving misschien meer dan ooit aan de oppervlakte komt. De overconsumptie slaagt er misschien wel in om deze vraag op de achtergrond te dringen, maar vermits dat consumptiegedrag zich vooral op de korte termijnbevrediging concentreert, komt de vraag naar zingeving vroeg of laat en waarschijnlijk in volle intensiteit terug. De vraag naar kwaliteit is niet makkelijk en ik heb hier in zeer beperkte mate willen aantonen dat de zoektocht naar het antwoord op deze vraag in de eerste plaats voor ons eigen belang meer dan ooit belangrijk is. Tijdens die zoektocht zou snel duidelijk worden dat een kwalitatief leven een breder perspectief met zich mee zou brengen waarin alle omgevingsfactoren die een menselijk bestaan omringen (ecologisch, economisch, sociaal,…) in een evenwicht met elkaar zouden moeten staan. Het is het enige alternatief dat we hebben, vermits de bevindingen van het WWI, namelijk dat een globalisering van ons consumptiegedrag nefast zal zijn voor deze wereld, mij niet idealistisch, maar wel realistisch van aard blijken. Uiteraard kan het niet enkel de taak zijn van de politici om deze mentaliteitsverandering op gang te brengen, maar het moet ook hun taak zijn. Dit kan door het kwaliteitsdiscours vaker en diepgaander te voeren. Door ondermeer te investeren in technologische ontwikkeling die zowel economisch rendabel en ecologisch minder destructief zijn. Door in het onderwijs meer plaats te maken voor filosofische denkprocessen, waarbij ik niet doel op het onderricht in de filosofie als geschiedkundig gegeven, maar op het socratische onderricht dat kennis tegenover een zo breed mogelijk referentiekader probeert te plaatsen… Het lijkt mij dan ook een bijzondere uitdaging om het liberalisme vanuit deze context te herdefiniëren. Misschien levert dit op korte termijn niet zoveel kwantitatieve stemmenwinst op, maar op lange termijn zou deze benadering echter wel eens van een veel groter en duurzamer belang kunnen zijn. Jan Pille Jan Pille |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|