|
Het stedelijk beleid van Brussel (en andere steden) wordt vandaag vooral gedomineerd door de logica van de steun aan die individuen (en groepen) die zich om redenen van allerlei aard in een positie bevinden die weinig ontwikkelingsperspectieven biedt. Ze kunnen moeilijker werk vinden, moeilijker een kwaliteitsvolle woning huren en nog in mindere mate kopen, enz... Met deze focus zal een beleid er vooral op gericht zijn om deze condities in de mate van het mogelijke van ‘moeilijk’ naar ‘doenbaar’ te verschuiven. Maatregelen hiervoor zijn bijvoorbeeld het uitbreiden van het sociale woningpark, het subsidiëren van allerlei organisaties die aan deze ‘moeilijkheidsproblematieken’ willen werken, speciale engagementen naar het onderwijs toe en dergelijke meer. Naar mijn aanvoelen hebben Sven Gatz en de andere initiatiefnemers van de debatten rond ‘Stadslucht maakt vrij’ er niets op tegen dat binnen een stedelijke context speciale aandacht besteed wordt aan die individuen die het omwille van hoofdzakelijk sociaal-economische redenen moeilijk hebben. Zij hebben voornamelijk problemen met het feit dat er te weinig aandacht besteed wordt aan die mensen die het sociaal-economisch goed doen, meerbepaald de aandacht voor bepaalde (toekomst)verwachtingen die deze mensen hebben omtrent het leven in de stad. In hoofdzaak worden hier de (hoog)opgeleide jonge één- en tweeverdieners mee bedoeld en dan diegenen die in de stad willen leven omwille van de dynamieken die uitgaan van een samenleving waarin diversiteit en een zekere tolerantiegraad een gegeven zijn. Zij verwachten als het ware een stedelijke omgeving die naast divers in bevolking, ook divers is in haar aanbod aan (groene) publieke ruimten, in haar culturele aanbod, in voorzieningen voor hun (toekomstige) kinderen, enz... Gatz & co laten zich hierbij voornamelijk inspireren door de denkbeelden van Richard Florida die in zijn boek ‘The Rise of The Creative Class’ aan bod komen. De kern van dit boek laat zich in drie T’s vertalen : Tolerantie, Talent & Technologie. Hoewel Florida zelf niet expliciet deze creatieve klasse wil beperken tot de hoogopgeleide klasse, kan ik mij toch niet van de indruk ontdoen dat hij het voornamelijk over deze groep heeft en wat doorschemert is dat vele politici en andere lezende hominiden vooral deze interpretatie impliciet of expleciet voorop stellen. Eén van de redenen waarom ik dat zeg is omdat de laatste ‘T’ eigenlijk een ‘H’ is. De ‘H’ van High-Tech. Nu is er niets op tegen – integendeel zelf - dat beleidsmakers in de toekomst meer aandacht willen besteden aan deze hoog opgeleiden die er voor kiezen om in de stad te gaan wonen en hierdoor een deel van haar diversiteit en dus dynamiek willen uitmaken. Het is vaak een zeer bewuste keuze die op zijn minst wat ‘steun’ verdient. Naast de bijdrage aan de diversiteit van de stad dragen deze mensen immers voor een groot deel bij aan de inkomsten van de stad, een prestatie waar wat tegenover mag staan. Trouwens, de verwachtingen van deze stadsbewoners zijn absoluut niet tegengesteld aan de belangen van die mensen waarvan we zeiden dat zij het ‘moeilijk’ hebben. Meer groene ruimten, een veilige leefomgeving,... Het zijn allemaal zaken die ten goede komen aan alle bewoners van de stad met één grote bedenking: het scheppen van de ‘ideale’ leefomstandigheden van één (weliswaar diffuse) groep van mensen kan en mag niet de exclusie van andere mensen betekenen en dit om voornamelijk twee redenen. Ten eerste is dit vanuit een welbepaald solidariteitsprincipe, dat zowel vanuit liberaal als vanuit socialistisch standpunt wenselijk is, niet goed te praten. Ten tweede, en misschien is dit binnen het kader van de vrije stadslucht nog belangrijker: het is nadelig voor de diversiteit die binnen een stad aanwezig is. Een diversiteit die noodzakelijk is opdat de dynamiek, de flexibiliteit van een samenleving niet stilvalt of verstart. Let wel: Met diversiteit heb ik het hier helemaal niet over multiculturaliteit. Diversiteit is voor mij immers een gegeven dat voor iedereen geldig is en waarbij interacties tussen de diversen zowel positief als negatief ervaren kunnen worden. Het staat dus heel ver van het woord ‘multicultureel’ dat inhoudelijk meer bepaald wordt door de wensen van sommigen om de interactie tussen de diverse actoren van een samenleving op een bepaalde (harmonische) manier te laten verlopen. Mijns inziens moet een stedelijk beleid zoveel mogelijk ruimte creëren waarbij deze interactie op een zo open en spontaan mogelijke manier kan verlopen, maar deze interactie kan (zal) zowel op een harmonieuze als op een confronterende wijze verlopen. Een Stedelijk Tolerantiebeleid moet er dan ook op gericht zijn om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte bestaat opdat de creativiteit van de diverse actoren in een samenleving tot zijn recht kunnen komen en de overheidsinitiaiteven zullen daardoor heel divers en flexibel van aard moeten zijn. Een welgemeend ‘Ja’ dus voor al die initiatieven die de stad als leefomgeving voor creatieve, gemotiveerde en ondernemingsgezinde geesten tot een stimulerende omgeving maken en dat zo houden. Een verschuiving van accent naar een steunbeleid waarbij voornamelijk vanuit de probleemsituatie van mensen vertrokken wordt, naar een ondersteunend accent waarbij vooral gekeken wordt naar de creatieve kracht die bij mensen aanwezig is, lijkt mij een heel goede zaak op voorwaarde dat de maatregelen die uit een dergelijk beleid naar boven komen niet enkel gericht zijn op die groep van mensen die voldoen aan de standaard van de drie T’s, rekening houdend met de opmerkingen die hierboven gemaakt werden. Naast het creëren van een stadsomgeving waarin diversiteit op een kwaliteitsvolle manier aanwezig is (groene ruimten, huisvesting, mobiliteit, kinderopvang,...), dient volgens mij een stedenbeleid een speciale inspanning te doen om mensen aan te zetten deel te gaan uit maken van de (formele) locale economie. Voor de ontwikkelingen in de hoogtechnologische sector zou een stad als Brussel meer inspanningen kunnen doen om de slaagkansen van jonge ondernemers (waarbij jong minder op leeftijd dan op een eerste stap in de ondernemingswereld duidt) te verhogen. Hierbij zou een soort van ondersteuning gegeven kunnen worden voor het onderzoek naar nieuwe productontwikkeling, door het opbouwen van een expertisenetwerk waarbij steeds beroep kan gedaan worden op ervaren krachten die advies kunnen verlenen aan de jonge starters... Lokale economie is echter veel breder dan deze doelgroep en probeert zoveel mogelijk actoren in te schakelen. Zo zou een stedelijk beleid moeten gaan nadenken over hoe mensen die veel minder makkelijk of gewoonweg geen beroep kunnen doen op het lenen van krediet om een eigen zaakje te beginnen, toch aan dit krediet kunnen geraken. Ik geef een hypothetisch voorbeeld: Een aantal jongeren van als problematisch waargenomen wijken zouden er zich van bewust kunnen zijn dat hun wijk een aantal zeer sterke toeristiche perspectieven biedt (denk maar aan oud-Molenbeek en bepaalde wijken in Schaerbeek). Het zou perfect mogelijk zijn om hier een soort van uitstap te organiseren waarbij toeristen een blik kunnen werpen op deze wijk vanuit het perspectief van hun lokale gids. Een dergelijk project zou wat startkapitaal kunnen gebruiken, maar misschien zal dit uitermate moeilijk worden omdat deze mensen nu juist komen uit een buurt die als moeilijk ervaren wordt (nog eens, het is een hypothetissch voorstel). Vaak beschikken zij dan ook niet over de nodige ‘geloofwaardigheidspapieren’ om bij een bank krediet te verkrijgen. Misschien is het voor dergelijke projecten interessant om eens onze neus te gaan opsteken in een methode die sinds enkele jaren met wisselend succes in ontwikkelingslanden gebruikt wordt : de micro-financiering. In deze heeft de Grameen Bank een voorstrekkersrol gespeeld en wordt er sinds kort met deze methode ook gewerkt in bepaalde wijken van New York (ook hier weer met wisselend succes). Een boeiend aspect van microfinanciering is dat er met deze methode niet enkel de mogelijk gecreëerd wordt om krediet te verstrekken aan die mensen die daar in een commerciële bank niet in slagen. De lening is immers een kapitaallening in de ruimere betekenis van kapitaal: geld, maar ook het uitlenen van kennis in verband met marketingstrategieën, juridische kennis, boekhoudkundige kennis,... Microfinanciering is dus niet alleen bekommerd om het feit dat de lener na verloop van tijd de lening met de interest zal terugbetalen. Neen, microfinanciering is ook fundamenteel begaan met het welslagen van de onderneming waarvoor het geld werd geleend. Een ander aspect rond lokale economie betreft de positie van de (economische) azielzoeker. De perceptie over deze mensen is veelal negatief omdat er van uitgegaan wordt dat deze azielzoekers op termijn een onveroorloofbare druk zullen uitoefenen op een systeem dat nu al zwaar onder druk staat (de sociaal onderbouwde economie van Europa). Deze azielzoeker is immers niet gekwalifieerd om ingeschakeld te worden in onze veeleisende diensteneconomie en zal hier dus moeilijk aan werk geraken. Hij of zij komt meer dan waarschijnlijk terecht in de informele economie en profiteert daarenboven misschien nog eens van de voorzieningen van ‘ons’ sociaal zekerheidsstelsel (het is een perceptie die ik meer en meer moet aanhoren). Eén van de problemen hierbij is de mentaliteit die bij beleidsmakers en andere ‘burgers’ bestaat en de logica van het steunbeleid ligt hier dichter bij dan men zou vermoeden. De azielzoekers zijn immers mensen met problemen Ik ga hier uiteraard niet ontkennen dat deze mensen problemen hadden in eigen land en veel problemen hebben in het land waar ze aziel aanvragen, maar deze mensen zijn veel meer dan de som van hun problemen. Veel van de azielzoekers uit Zuid-Amerika, Afrika, Azië,... zijn mensen die ondanks of misschien juist door hun erbarmelijke economische situatie dikwijls op een heel creatieve economische wijze wisten te overleven. Veel van hen waren dan ook ondernemers in het kader van de informele straateconomie en naast ondernemingszin heeft dat hun dikwijls ook heel wat ervaring en kunde opgeleverd. Men zou zich dan ook kunnen afvragen of het de juiste strategie is om deze mensen via VDAB- en soortgelijke opleidingen proberen binnen te brengen in de economie die de ‘onze’ is. We zouden in plaats kunnen uitgaan van de ervaring en creatieve krachten die bij deze mensen reeds aanwezig zijn. Een probleem hierbij is dat onze wetgeving het vaak niet toelaat dat deze mensen de hun vertrouwde economische activiteiten hier uitoefenen. Een aantal aanpassingen in deze wetgeving zouden er voor kunnen zorgen dat (een aantal) azielzoekers in plaats van een bron van problemen, een bron van welvaart kunen worden. Een stedelijk beleid dat zich meer wil focussen op de creatieve krachten die bij mensen aanwezig zijn dient mijn inziens deze focus dan ook zo breed mogelijk te houden. Dit kan door het zwaartepunt van haar beleid rond de klasse en de kracht van creativiteit op te bouwen, eerder dan de nadruk te leggen op een creatieve klasse. Jan Pille |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|