De hemel zal blauw zijn

column vrijdag 18 februari 2005

Jan Pille

Het Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek (viWTA) organiseerde sedert oktober 2004 maandelijks een lunchdebat waarin het Kyoto-protocol aan een ethische lezing onderworpen werd. Naar aanleiding van de laatste lezing door Florentin Krause van het IPSEP (International Project for Sustainable Energy Paths – Berkeley, Californië) wens ik een aantal bedenkingen bij dit protocol te maken.

Het Kyoto-protocol kan ontleed worden in een aantal componenten waarvan ik er hier enkel bespreek. Vooreerst is er de fysische component waarover dit protocol zich buigt. Hoewel er verschillende wetenschappelijke meningen zijn, bestaat er een consensus die zegt dat het gebruik van fossiele brandstoffen in de geïndustrialiseerde wereld en de resulterende uitstoot van broeikasgassen er voor zorgt dat onze aarde op een niet natuurlijke wijze opwarmt. Deze opwarming vormt op lange en ook op korte termijn een bedreiging voor verschillende ecosystemen waartoe ook de mens behoort. De uitstoot van deze gassen hebben niet enkel een langzaam maar zeker effect op de gemiddelde temperatuurswaarden van onze aarde, maar raken reeds op dit ogenblik aan de gezondheid van de mens. Verschillende longaandoeningen en een stijgend aantal astmalijders zijn daarvan het bewijs. Het is belangrijk om ook dergelijke effecten in rekening te brengen, zowel ecologisch, sociaal als economisch.

Vervolgens is er een belangrijke ethische component. De effecten van deze uitstoot hebben immers niet enkel een gevolg voor ons, maar ook en meer dan waarschijnlijk vooral voor volgende generaties of om het iets concreter en gevoeliger te maken: onze nakomelingen. Een mogelijke reactie is de nihilistische. We doen rustig verder en we trekken ons verder niets aan van de gevolgen van onze industriële activiteiten. Het is een mening, maar ik denk dat er weinig mensen zijn die met een dergelijke houding kunnen akkoord gaan. Een logische reactie is er dan ook één van bezorgdheid, hopelijk gevolgd door de wil om met deze bezorgdheid daadkrachtig om te gaan.

Tot hiertoe is het Kyotoverhaal al bij al nog eenvoudig. Moeilijker wordt het wanneer we het over de concrete stappen hebben om ons doel te bereiken. Dat doel bestaat er in om er voor te zorgen dat wij en komende generaties leven in een wereld die voor mensen en andere levende wezens leefbaar is. Dat is fundamenteel iets anders dan het doel te leggen bij het halen van de emissienormen zoals die in het Kyoto-protocol worden omschreven. Dat kan op het eerste zicht raar klinken, maar dat is het niet gezien de Kyoto-norm van de geïndustrialiseerde landen voor de periode 2008-2012 'slechts' een emissiereductie vraagt van 5,2% ten opzichte van het niveau van 1990. Zelfs de extra inspanningen van de Europese landen (8%) zijn veel te laag om een effect, laat staan een blijvend effect te hebben op de gevolgen van de uitstoot van broeikasgassen. Op zich een zeer pessimistisch vooruitzicht, maar ik zou mezelf niet liberaal en progressief noemen indien ik ook niet enkele lichtpunten zou zien.

Vooreerst is er de morele betekenis van het protocol. Hoewel de Verenigde Staten dit protocol niet ondertekend hebben, betreft het hier toch een verdrag dat vele landen op vrijwillige basis ondertekenden en ook wensen uit te voeren. Zij onderkennen het probleem en wensen hun verantwoordelijkheid niet te ontlopen. Er zijn uiteraard veel bedenkingen te maken bij dat protocol, maar het vormt op zijn minst een morele en politieke basis om op verder te bouwen, zeker nu het met de ondertekening van Rusland in werking is getreden.

Het doel – een leefbare wereld – zal echter niet verwezenlijkt zijn met het bereiken van de normen zoals die in het protocol naar voren werden gebracht. Wetenschappers spreken immers van een emissiereductie van 70 % en dit zo snel mogelijk en permanent. Zelfs indien deze cijfers iets te hoog ingeschat zijn zal een foutmarge geen uitkomst van 5,2% meer bieden. De vraag moet dus zijn hoe we dat doel wensen te bereiken en dus welke strategie we hier het best voor ontwikkelen.

Een eerste strategische fout van het protocol ligt volgens Florentin Krause (IPSEP) bij de uitzonderingsregel die voor ontwikkelingslanden werden gemaakt. Vermits de uitstoot van broeikasgassen het gevolg is van de economische activiteiten van de rijkere geïndustrialiseerde landen, is het volgens het protocol ook hun verantwoordelijkheid om de last hiervan te dragen. De ontwikkelingslanden hoeven dit niet te doen omdat hen dat zou remmen in hun economische ontwikkeling. Deze laatste redenering is waarschijnlijk de belangrijkste denkfout en één met vele gevolgen. In hun pogingen om het Kyoto-protocol te dwarsbomen hebben de Amerikanen, of althans een zeer beperkte groep van Amerikanen, steeds nadrukkelijker gewezen op de economisch nadelige gevolgen van de beperkingen van dit verdrag. Het zou de economische ontwikkeling en groei beperken en leiden tot een enorm verlies van banen. Er zijn echter geen bewijzen dat het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en dus het mindere (of betere) gebruik van fossiele brandstoffen sowieso een economisch negatief verhaal zou moeten zijn. Het besef is integendeel aan het groeien dat nieuwe technologieën voor energiewinning niet alleen ecologisch maar ook financieel bijzonder lucratief zouden zijn. Alles hangt uiteraard af van de schaal waarop deze technologieën gebruikt worden.

Net daarvoor is de uitzonderingsregel voor de ontwikkelingslanden vanuit economisch en ook ecologisch standpunt een miskleun van formaat. Het opleggen van strenge normen voor deze ontwikkelingslanden had één en ander – het gebruik van nieuwe milieuvriendelijke technologieën - in een stroomversnelling kunnen brengen. Maar meer om meer zien we in die landen de reproductie van onze 'oude' technologieën en uitvindingen die op lange termijn een zekere dood tegemoet zullen gaan. De redenering alsof ontwikkelingslanden onze industriële ontwikkelingscycli moeten doorlopen vooraleer tot ons niveau te kunnen komen – en waardoor ze feitelijk gedoemd zouden zijn om steeds achterop te lopen – is een hardnekkige gedachte die geen steek houdt. Een voorbeeld is Iran waar velen nooit een vaste telefoon gehad hebben, maar waar de meeste nu over een mobiele telefoon beschikken. Het is misschien niet het meest ecologisch vriendelijk voorbeeld, maar het ontkracht wel bovenstaande gedachte.

Uit de strategische blunder die begaan werd met het toekennen van een uitzonderingsregel voor ontwikkelingslanden, valt wel een belangrijke les te trekken. De sleutel om het morele en ecologische doel van Kyoto te bereiken ligt uiteraard in het ontwikkelen en het massaal toepassen van nieuwe minder vervuilende of wie weet niet vervuilende technieken voor het winnen en het gebruiken van energie. De oplossing hiervoor is in grote mate economisch van aard vermits ik te pragmatisch ben om te geloven in een drastische mentaliteitswijziging van de mens. Wij, de geïndustrialiseerde landen moeten al onze kaarten zetten op het ontwikkelen en produceren van deze nieuwe technologieën. Het kan contradictorisch lijken, maar in een tijdperk waar we beter wat minder stoom zouden produceren, lijkt de goede strategie ‘met volle stoom vooruit’.

We moeten daarom goed kijken naar het multiplicatoreffect van onze initiatieven ter zake en we laten soms de teugels beter wat losser in plaats van ze strakker aan te passen. Daarmee doel ik op initiatieven die ons qua opzet misschien een goed gevoel geven (bijvoorbeeld het subsidiëren van de particuliere aankoop van spaarlampen), maar waarvan het effect verwaarloosbaar is en de financiële kost te hoog. We moeten ons dus voluit durven inzetten voor de ontwikkeling van nieuwe technologieën die er vroeg of laat zullen komen en waar bijvoorbeeld een land als de Verenigde Staten al veel verder in staat als ons. We moeten van dit verhaal dus bij uitstek een verhaal van meer en beter maken, in plaats van minder en misschien een beetje beter. Dit kan door bedrijven daarin te stimuleren of door te investeren in universitair onderzoek waaruit spin-offs kunnen ontstaan die zich dan in de privé-sfeer verder kunnen ontwikkelen. Het is bovendien interessant om te weten dat de Chinese overheid recentelijk verklaarde te willen investeren in dergelijke mens- en milieuvriendelijke technieken. Een hoopgevend teken voor een land waar het grootst aantal potentiële vervuilers rondloopt.

Het wordt dus hoog tijd dat liberalen dit verhaal meer naar zich toe beginnen trekken. Het is naast een sociaal en ecologisch verhaal, immers bij uitstek ook een verhaal van menselijk ondernemen, van de wil om met de kennis die ons gegeven is een steeds betere wereld te maken. De hemel is voor mij geen geloofszaak, maar ik hoop dat ze blauw zal zijn.


Meer informatie kan u vinden op www.viwta.be

Jan Pille

Links
mailto:jan.pille@vlaamsparlement.be
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties'. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be