Goed nieuws! Naast de vergrijzing dient nu ook de verjonging zich aan. De laatste maanden volgen de berichten van een demografische groei in België elkaar op. In de krant De Morgen van woensdag 4 november 2009 leiden de laatste cijfers van het Federaal Planbureau tot de titel Naar 11,5 miljoen Belgen in 2020. Reden hiervoor is de combinatie van een lagere mortaliteit en een vooral stedelijk stijgend geboortecijfer. In theorie een bevolkingspiramide om van te dromen, in de praktijk een eerder neutraal gegeven dat verschillende kanten uit kan. Deze verjonging kan positief zijn indien jongeren er ook in slagen om later zinvol werk te vinden. Als dat lukt kunnen zij mee voor de buffer zorgen om de vergrijzing op te vangen. Indien dat niet lukt en er zoals vandaag vooral in de steden te weinig jongeren aansluiting vinden op de arbeidsmarkt, dan zal dat in combinatie met de vergrijzing voor extra druk op ons staatsbestel zorgen. Het gegeven is simpel, de weg naar oplossingen complex en onderhevig aan verschillende parameters waarvan we er een aantal in de hand hebben, een aantal anderen niet. Het is in ieder geval noodzakelijk dat we als maatschappij onze aandacht ten volle aan deze uitdaging wijden. Iedereen heeft daarin zijn verantwoordelijkheid, de overheid en het middenveld die meestal met overheidsmiddelen werkt, in het bijzonder. Een belangrijke vraag is voor welk type verjonging we staan. Het zijn immers niet de blanke autochtone Belgen wiens voorplantingsdrift de laatste jaren is toegenomen. Vooral allochtonen krijgen gemiddeld meer kinderen. In het reeds geciteerde artikel van De Morgen waarschuwt demograaf Patrick Deboosere er ons voor dat de meeste kinderen in 2020 van allochtone origine zullen zijn. Het klinkt een beetje alsof er een tsunami op ons af komt, maar in de grond heeft hij gelijk om te zeggen dat we hier waakzaam voor moeten zijn, niet dat we dit als een gevaar moeten aanzien. Een politicus als Filip Dewinter doet dit wel en verwijst vaak naar een aantal imams die beweren dat de verovering van het Westen via de moederschoot zal verlopen. De demografische ontwikkelingen lijken hen gelijk te geven. De imams, en met hen ook Dewinter, maken echter een denkfout door er van uit te gaan dat al die jongeren zich automatisch naar hun Islamitische voorstelling(en) van de wereld zullen voegen. Jongeren doen dat niet, kijk maar naar Iran of China. Zo ook zullen deze jongeren zich niet automatisch inschakelen in ‘onze’ waarden- en normenpatronen. Jongeren groeien op in kaders die de vorige generaties voor hen al dan niet bewust hebben uitgezet en vervormen het tot wat het best aansluit bij hun eigen noden en verwachtingen. De uitdaging ligt er in deze jongeren toegang tot een positief westers en seculier ingekleurd ontwikkelingskader te geven. Dat kader steunt op de filosofisch liberale gedachte dat een maatschappij aan elk mens de kans moet bieden zijn of haar talenten in leven en werk ten volle te ontwikkelen én dat elke mens binnen die maatschappij ook anderen daartoe de kans moet geven. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat elk ander kader met of zonder religieuze grondslag daar als een soort antipode het negatief van is. Het komt er voor mij simpel op neer het kader te verdedigen waarvan ik denk dat het de meeste kans op individueel en maatschappelijk geluk biedt. Het is aan hen die met dit kader geconfronteerd worden om het bij te sturen, te aanvaarden of te verwerpen. In zijn reeds veelbesproken artikel zegt Luckas Vander Taelen dat we ‘misschien toch eens moeten nadenken over hoe we op een assertieve manier kunnen duidelijk maken dat wij durven verdedigen wat wij belangrijk vinden’. Ik zou het woord ‘misschien’ laten vallen en naast het ‘nadenken’ vooral ook de nadruk op het ‘doen’ leggen. Een eerste voorwaarde om daartoe te komen is door meer en in sommige gevallen, terug aanwezig te zijn in de wijken en plaatsen waar deze jongeren (en hun ouders) verblijven. Nabij contact blijft een absolute voorwaarde om tot communicatie te komen, hoe wil je anders op een assertieve manier je eigen standpunten duidelijk maken? Wat ik geleerd heb als jeugdwerker en inwoner van Brussel is dat contact en communicatie met mensen buiten je eigen kring de nodige tijd vergt, het één al wat meer als het ander. Dat is op zich geen bijzonder inzicht, maar het vergt wel een bijzondere en volgehouden inspanning om er toe te komen. Laat het een soort praktische tip zijn voor al diegenen die het echt menen om te verdedigen wat we belangrijk vinden. Kies één plek in een allochtone buurt en ga daar regelmatig naartoe. Wees gewoon aanwezig en wordt een vertrouwd gezicht, zoals straathoekwerkers dat plegen te doen. Die herhaalde aanwezigheid zal contact mogelijk maken en tot communicatie leiden. Die communicatie zal niet altijd even leuk verlopen, maar dat moet je er dan maar bijpakken. Wie heeft hier de tijd voor? In de eerste plaats zij die met bovenstaande uitdagingen beroepsmatig bezig zijn. Maar daarnaast zijn er ook anderen die vanuit hun functie de luxe hebben om bepaalde keuzes met betrekking tot hun tijdsbesteding zelf te maken. Politici zijn zo’n mensen. Ze hebben veel en weinig tijd tegelijkertijd en de meeste onder hen werken ook hard, maar aan wat ze werken bepalen ze voor een aanzienlijk deel zelf. Dit geldt zeker voor parlementairen die niet aan een uitvoerend mandaat gebonden zijn. Het probleem daarbij is misschien het beeld dat een hardwerkende p arlementair iemand is die in het parlement en de commissies veel vragen stelt. Getuige daarvan de punten die politici de laatste jaren naar aanloop van nieuwe verkiezingen in een aantal kranten krijgen. Daarin weegt het ‘aantal’ nogal door. Maar een hardwerkend parlementair kan voor mij ook iemand zijn die één of meerdere dagen per week niet op zijn bureau is, maar ergens op straat of in een lokaal café of theehuis. Iedere politicus moet maar voor zichzelf uitmaken of dit hem of haar gegeven is, maar door mijn ervaring als parlementair medewerker heb ik de indruk dat te veel parlementairen in de hun eigen besloten wereld blijven. In het teken van de hierboven geschetste uitdagingen is dat een probleem. Nu zou het nogal simplistisch zijn om het op straat sturen van politici als de oplossing te aanzien. Idealiter vindt de burger zijn weg naar de mensen die hem vertegenwoordigen, maar dat is voor een bepaald aantal burgers van dit land te weinig het geval. Tot slot. Noch verjonging, noch vergrijzing is op zich een positief of negatief gegeven. Dat bepaald de manier waarop we hier mee omgaan. Eén ding is wel duidelijk, als we dat niet bewust genoeg doen, zal de nieuwe Belgische generatie ook wel zijn weg vinden. Daarin verschillen jongeren niet van volwassenen en gaan ze meestal voor de weg van de minste weerstand, lees de weg die het meest positieve ervaringen en kansen biedt. Daarin staat de imam met een uitsluitende religieuze boodschap wel degelijk recht tegenover mij, en dient er een strijd geleverd te worden, want ook hij kan een jongere die positieve ervaringen bieden, hoe nefast ze op lange termijn in mijn ogen ook mogen lijken. Het komt er dus op aan om voluit onze gedachten en daden te focussen op de nieuwe generatie jongeren die in ons land hun leven opbouwen. De keuze is nog steeds aan ons.
Jan Pille Jan Pille Linksmailto:pillejan@yahoo.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|