|
Vendelzwaaiend Vlaanderen wist dit weekend niet goed te kiezen: over de grond rollen van het lachen of de Vlaamsnationalistische evergreen nog eens uitproberen: de kaakslag en de aanslag op de Vlaamse portefeuille. Reden van de algemene consternatie waren de uitspraken van PS-voorzitter Elio di Rupo in L’Echo de la Bourse. Om kort te gaan: Wallonië bakt er op economisch vlak bitter weinig van en een mentaliteitswijziging, ja zelfs een heus Marshallplan, dringt zich op om het tij te keren. Uiteraard trapte Elio Di Rupo een open deur van formaat in met deze uitspraken, maar er is meer. De oplossing van probleem 177 die achteraf veel weg had van een niet-oplossing opende in Vlaanderen de doos van pandora van het scheidingsdenken. Nooit eerder werden potentiële communautaire atoombommen als de splitsing van de sociale zekerheid, de zin en onzin van de miljardentransfers naar het Zuiden en de modaliteiten van het federaal stabiliteitspact dat de financiering van de Gewesten en Gemeenschappen regelt, zo makkelijk door zelfs politici van de paarse regeringscoalitie in de mond genomen. De quotes van toekomstig partijvoorzitter Johan Vande Lanotte die ervoor pleit de Vlaamse kaart te trekken, zijn veelzeggend voor de door BHV misgelopen entente in de rode as van de federale regering. Di Rupo bewoog de laatste jaren hemel en aarde om de (Vlaamse) publieke opinie ervan te overtuigen dat die Waalse socialisten zo slecht nog niet zijn, zelfs aan vernieuwing denken én doen. Na BHV en de stakers die het Waalse stads- en streekvervoer een tijdlang platlegden, moest Di Rupo dus wel iets van zich laten horen. Nieuwe onderhandelingen voor een federale regering, die er niet onverwijld maar toch ten laatste in 2007 aankomen gaan zonder koerswijziging ongetwijfeld meer op een diplomatieke conferentie gaan lijken. Vandaar Di Rupo’s halve mea culpa. Driewerf helaas echter. Zijn analyse is weliswaar grotendeels juist, maar de versheidsdatum is al jaren verstreken. Wallonië heeft in de naoorlogse decennia op een wel erg onhandige manier de omschakeling van een industriële naar post-industriële samenleving proberen te maken. Terwijl Vlaanderen in ijltempo grote buitenlandse investeerders aantrok en het weefsel van kleine- en middelgrote ondernemingen verder ontwikkelde, bleef Wallonië stilstaan. Een merkwaardige mix van orthodox Keynesianisme, anarcho-syndicalisme en een halsstarrig vastklampen aan absoluut onconcurrentiële producten in voorbijgestreefde sectoren, leidden ertoe dat Wallonië een economisch kerkhof is geworden, en grotendeels nog steeds is. Onder het motto “Wij maken geen winst, wij maken staal” is bijvoorbeeld de sanering van het verouderde Waalse staalbekken nog altijd niet volledig achter de rug. Met het Waals Gewest als een van de grotere aandeelhouders van staalgroep Arcelor kan dat ook moeilijk anders. Wallonië bevindt zich met Sicilië in de staart van de economische ranking van Europese regio’s. Begin maart wachtte MR-senator Alain Destexhe ei zo na pek en veren na de voorstelling van zijn brandbrief Wallonie: la vérité des chiffres. Waals minister-president Jean-Claude Van Cauwenberghe (PS) noemde Destexhe net géén verrader. Diezelfde Van Cauwenberghe schuwde enkele weken geleden de wielermetaforen niet door te beweren dat Wallonië van de staart naar het peloton was aan het oprukken. Destexhe krijgt nu gelijk: Wallonië doet het slecht en heeft dat hoofdzakelijk aan zichzelf te danken, alle Europese fondsen en intergewestelijke geldstromen ten spijt. Niet alleen die vermaledijde PS maar alle Waalse partijen dragen een verpletterende verantwoordelijkheid, samen met de vakbonden die te lang de kop in het zand hebben gestoken. Wat nu? Het zou al te gemakkelijk zijn om onze volkseigen vendelzwaaiende Vlamingen achterna te hollen en de splitsing van het onsplitsbare te eisen zodat Wallonië eindelijk maar eens zijn plan moet trekken en de Vlamingen elk jaar met het geld dat ze doorsluisden een nieuwe Japanse familiewagen kunnen kopen. Niettegenstaande de verdamping van België wellicht verder zal gaan, ligt de kern van de zaak elders. Wie kan voorspellen dat er binnen dit en tien jaar geen drama’s gebeuren bij pakweg één van de Vlaamse auto-assembleurs, Sidmar of de Antwerpse petrochemie? Vlaanderen is weliswaar welvarender dan ooit, maar riskeert even goed hetzelfde mee te maken als wat het Waalse industriebekken moest doorstaan. De etatisering van Wallonië, met zijn Mexicaans leger aan ambtenaren en intercommunales is ook een Belgisch probleem. Het aantal ambtenaren of door de overheid gefinancierde banen betekent evenmin dat het Vlaamse overheidsapparaat slank en gespierd is. Ik ben er heilig van overtuigd dat België binnen twintig jaar nog bestaat. Over wat het als bestuursniveau nog zal betekenen maak ik me minder illusies. Dit kan en mag de regio’s en de federale staat niet beletten om in tussentijd op economisch vlak de hand aan de ploeg te zetten. Dit betekent op het eerste vlak een doorgedreven differentiëring van het economisch beleid in de verschillende gewesten en niet het goedbedoelde ‘middle of the road-beleid’ van vandaag. Economische hefbomen voor Wallonië dus, maar wellicht andere die Vlaanderen en Brussel kunnen gebruiken en dus een doorgedreven verdere staatshervorming. Op vlak van financiële transfers zal géén enkele Vlaming tegen een transparante en billijke solidariteit zijn, maar enkel als die ook werkelijk tot stand komt. Wallonië zal bovendien dringend de graad van het overheidsbeslag in de economie moeten afbouwen, lees de macht van de verschillende intercommunales én het overtal aan ambtenaren. Maar in Vlaanderen en Brussel is dit ook het geval. Tenslotte, en dat wordt de moeilijkste opdracht, moeten de geesten in Wallonië rijpen. Meer competitiviteit, meer ondernemerschap en vooral meer drive om zelf de problemen op te lossen. In die zin is Di Rupo’s appèl voor een ‘Marshallplan’ slecht verwoord: Wallonië heeft de laatste decennia gezien wat het woord ‘plan’ heeft opgeleverd. Het heeft juist nood aan minder ‘plan’ en meer vrij initiatief. Die mentale omschakeling zal tijd vragen die er grotendeels niet is. Er zijn dus géén wonderoplossingen voorhanden, maar wel de nood om vooruit te gaan. Toen minister van Economische Zaken Willy Claes in 1978 het eerste van zijn staalplannen voorstelde waarin het Belgische wafelijzer intensief gebruikt werd (geld voor het noodlijdende Waalse bekken en expansiesteun voor Sidmar) zei hij: “De la kinine pour les uns, des vitamines pour les autres.” Die woorden zijn vandaag meer dan ooit actueel, maar het recept zal anders zijn. Minder staat, meer vrije markt en meer initiatief. Indien Di Rupo’s démarche meer is dan een proefballonnetje verdient hij – zij het waakzaam – alle steun. Het mag alleszins de liberalen niet beletten om – los van alle communautaire gehakketak – mee te denken over de gezondmaking van Wallonië en de positieve return hiervan voor Vlaanderen. Iedereen zal er beter van worden, en zo bieden de liberalen de pers eens iets anders om over te schrijven. Axel Polis Axel Polis Linksmailto:axel.polis@antwerpen.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|