Interpreteer mijn vraag niet verkeerd, ik ben wel degelijk een fervent voorstander van groene stroom, dit wil zeggen geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen. Ik wens alleen een aantal vraagtekens te plaatsen bij hoe dit in de praktijk gebeurt. Bij het gebruik van wind, zeestromingen, golfslag, zonnestraling of geothermische warmte moeten niet zoveel vragen worden gesteld. Het gebruik van waterkracht is al heel wat controversiëler. De ruimte die wordt ingenomen door stuwmeren, de verplichte verhuizing van ganse dorpen of zelfs steden, het onder water zetten van waardevolle natuurgebieden en toeristische trekpleisters, enz…, plaatsen ons meer dan eens voor een moeilijke keuze, waarbij men niet altijd bij voorbaat kan stellen dat al het andere moet wijken voor de duurzame elektriciteitsproductie. Hetzelfde geldt, maar in nog grotere mate, bij de productie van groene stroom uit biomassa. Dit gebeurt door het verbranden van deze biomassa, waarbij de vrijgekomen warmte wordt aangewend voor elektriciteitsproductie. Dit kan op een bijzonder efficiënte wijze gebeuren in performante installaties voor warmtekrachtkoppeling die met een hoog rendement het grootste deel van de beschikbare energie in een bruikbare vorm omzetten, zowel in elektriciteit als in warmte voor verwarmingsdoeleinden. De nuttig gebruikte energie ligt ruim boven de 60% en de hoeveelheid warmte die nutteloos ontsnapt via de rookgassen en het koelwater is minimaal. Wij moeten echter vaststellen – vooral in België – dat in vele gevallen van een dergelijk hoog rendement geen sprake is. In ons land wordt het leeuwendeel van de elektriciteit uit biomassa geproduceerd in verouderde steenkoolcentrales, die sinds lang zijn afgeschreven, waarbij de biomassa gewoon de plaats inneemt van de steenkool die vroeger werd gebruikt. Het rendement ligt ruim onder de 50% (soms maar 40, of zelfs maar 30%). Het grootste deel van de warmte die bij de verbranding vrijkomt, gaat via de schoorsteen de lucht in of verwarmt het koelwater, met massale vissterfte – vooral tijdens de zomermaanden - voor gevolg. Een dergelijke handelswijze zorgt er dan wel voor dat elke ton CO2 die wordt geproduceerd, eerst door fotosynthese uit de lucht werd gehaald en draagt zo bij tot het halen van de Kyoto-norm, maar veroorzaakt andere milieuproblemen. Deze vorm van Kyoto-fundamentalisme verschuift enkel de problemen. Het is daarenboven duidelijk dat, zonder de overschakeling op biomassa, de verouderde steenkoolcentrales sinds lang buiten gebruik zouden zijn gesteld. ‘Kyoto’ dient enkel als voorwendsel om hun levensduur kunstmatig te verlengen, met alle negatieve milieugevolgen vandien. Dit is niet wat men van “groene stroom” zou mogen verwachten. Een ander heikel punt is de oorsprong van de biomassa. Wanneer men organisch afval verbrandt dat anders zou verloren gaan en waarvoor geen nuttiger bestemming bestaat, is het milieu er meestal mee gebaat. Toch is niet alle organisch afval even milieuvriendelijk. Onlangs kon men in de pers lezen dat Vlaanderen een akkoord had gesloten met Indonesië om bij ons de stearine te verbranden die als restproduct achterblijft bij het raffineren van palmolie (stearine is, naast paraffine, het hoofdbestanddeel van kaarsen). In de regio van Indonesië (Maleisië,…) beslaan de palmolieplantages een totale oppervlakte van meerdere malen België. Er wordt dus heel wat palmolie geproduceerd, zodat er veel stearine voor verbranding beschikbaar is. Door deze stearine naar Vlaanderen te halen, zorgt men er alleen voor dat men bij ons het wettelijk vastgelegde quotum hernieuwbare energie haalt, maar op wereldvlak levert dit niets op. De landen van oorsprong van de stearine, zijn door die export aangewezen op aardolie voor hun eigen elektriciteitsproductie. Men verschuift het probleem van Vlaanderen naar de ontwikkelingslanden. Daarnaast mag men niet uit het oog verliezen dat de aanleg van de eindeloze oliepalmplantages enkel mogelijk is geweest door het vernietigen van een zelfde oppervlakte natuurlijk regenwoud. Voor de biodiversiteit is dit een catastrofe. Met andere woorden, de productie van stearine is slechts mogelijk door het creëren van een andere milieuramp. Milieuproblematiek is duidelijk meer dan Kyoto alleen en de overschakeling naar de uitstoot van “groene” CO2 moet worden afgewogen tegen de andere nadelige milieueffecten. De enorme plantages zijn niet alleen een ramp voor de biodiversiteit, maar ook voor de gezondheid van de lokale bevolking. Een dergelijke uitgestrekte monocultuur (oliepalmen zover het oog reikt) is enorm gevoelig voor ziektes en parasieten: zodra één palm is aangetast, verspreidt de ziekte of de parasiet zich razendsnel over duizenden vierkante kilometer. Daarom is het nodig de plantages regelmatig opnieuw te behandelen met zware pesticides die met de wind tot in de dorpen worden verspreid en er verantwoordelijk zijn voor vele ziektes en zelfs overlijdens (acute en chronische vergiftigingen, mentale achterstand, kanker, onvruchtbaarheid, misvormingen bij pasgeborenen, …, om maar enkele problemen te noemen). Belgische wetenschappers hebben daar in de jaren ’90 van de vorige eeuw onderzoek aan gewijd. Het plaatje van de massale palmolie- en stearineproductie is allesbehalve rooskleurig. Nu kan men uiteraard stellen dat de olieplantages niet werden aangelegd voor de stearineproductie en dat Vlaanderen enkel een afvalproduct verbrandt dat sowieso reeds op de markt beschikbaar is. Dit is inderdaad zo. Wat mij vooral verontrust is de tendens om nieuwe palmolieplantages aan te leggen met als hoofddoel de productie van biomassa voor elektriciteitsproductie. Een paar weken geleden heeft Johan Vande Lanotte in het openbaar een lans gebroken voor het rooien van enorme oppervlakten tropisch regenwoud in Kongo en de aanplant van oliepalmen op de vrijgekomen oppervlakte, zodat wij de palmolie kunnen invoeren om ze als brandstof te gebruiken in elektriciteitscentrales. Hoe groen is de stroom die op een dergelijke wijze uit biomassa wordt geproduceerd? Wij lossen er ons binnenlands probleem wel mee op (meer ‘groene’ stroom), maar dit gaat ten koste van het milieu (vooral de biodiversiteit) en de volksgezondheid in Kongo: de problemen kunnen en zullen er immers niet anders zijn dan in Maleisië of Indonesië. Onze milieuproblemen exporteren naar een ontwikkelingsland is een vorm van neokolonialisme, waartegen wij op basis van de fundamentele mensenrechten enkel kunnen gekant zijn. Voor liberalen is dit geen optie. Nog een laatste opmerking: wat geldt voor groene stroom geldt mutatis mutandis ook voor de productie van biobrandstoffen in het algemeen: gaan wij daarvoor de natuur versneld vernietigen, gaan wij daarvoor de volksgezondheid in andere delen van de wereld in het gedrang brengen, gaan wij daarvoor de voedselproductie van de plaatselijke bevolking afbouwen, met mogelijks hongersnood als gevolg? Ook hier moet dringend werk worden gemaakt van de afweging tussen de Kyoto-norm en andere waarden, waaronder andere milieuwaarden. Ook hier is fundamentalisme uit den boze: de absolute waarheid bestaat immers niet. Laat ons telkens de vraag stellen: ‘hoe groen is onze “groene” oplossing in werkelijkheid?’ en resoluut kiezen voor écht groene oplossingen. Rik Rammeloo Rik Rammeloo Linksmailto:egbert@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|