Over koopkracht en de vrije markt

column vrijdag 02 mei 2008

Andreas Tirez

In zijn beleidsplan kondigt minister Van Quickenborne aan dat hij de strijd zal aanbinden tegen oneerlijke prijzen. Ook de Europese Commissie, door sommigen ‘neo-liberaal’ genoemd, treedt al jaren hard op tegen kartels die prijsafspraken maken. Onder Neelie Kroes, komende van de Nederlandse liberale VVD en huidig Europees commissaris voor de mededinging, heeft de EC al miljarden euro’s boete gegeven aan bedrijven, waarvan de grootste (899 miljoen euro) voor Microsoft was.

Hoe komt het dat liberale excellenties de strijd aangaan met oneerlijke prijzen? Een eerste verklaring is eenvoudig: het gevecht tegen oneerlijke prijzen komt de consument rechtstreeks ten goede. Die consument, die natuurlijk ook gaat stemmen, is in een democratie de maat der dingen, zeker voor politici. Niet gespeend van enig cynisme zou je, in tijden dat koopkracht een centraal thema is, kunnen stellen dat het minister Van Quickenborne louter te doen is om stemmen te trekken (wat in een democratie niet eens zo gek is). Zelfs als dat klopt, dan blijft het een politiek goede zet om je positief te profileren op een departement waar je voorgangers weinig potten gebroken hebben. Aan minister Van Quickenborne om te bewijzen dat hij een gat in de politieke markt gevonden heeft.

Maar het zou voor liberalen om veel meer moeten gaan dan om een politieke opportuniteit. Het gaat om het bewijs dat de liberale ideologie werkt, namelijk dat een vrije economie zorgt voor de laagst mogelijk prijzen en bijgevolg de hoogste koopkracht voor de consument. De strijd tegen oneerlijke prijzen is immers maar een onderdeel van de algemene strijd tegen kartels. Kartels zorgen ervoor dat de vrije markt niet naar behoren functioneert, niet meer écht vrij is, waardoor ze niet de vooropgestelde baten aflevert, namelijk de laagst mogelijke prijzen.

De economische theorie zegt dat een markt met abnormaal hoge prijzen nieuwe bedrijven aantrekt, omdat deze nieuwkomers denken goedkoper te kunnen verkopen en toch nog winst te maken. Als die nieuwkomers er effectief komen, dan is het prijskartel geen lang leven beschoren doordat het kartel aan de nieuwkomers marktaandeel verliest. Op die manier lost de vrije markt dit probleem zelf op. Dat kan enkel gebeuren als de toetredingsbarrières voor deze nieuwkomers laag genoeg zijn. Maar bijna elke markt wordt gekenmerkt door hoge toetredingsbarrières waarvan de hoge investeringskosten die een nieuwkomer moet dragen om in een markt binnen te treden één van de belangrijkste is.

Door een kartel aan te gaan, geven de bestaande marktspelers aan dat ze bereid zijn hun collectieve marktmacht te willen misbruiken, in dit geval om de prijzen op te drijven. Dat betekent dus ook dat ze bereid zouden kunnen zijn om hun prijzen kunstmatig laag te houden als hen dat op lange termijn winst oplevert, bijvoorbeeld nadat een nieuwkomer zwaar heeft geïnvesteerd. Als het kartel de prijzen kunstmatig laag houdt, kan de nieuwkomer onmogelijk zijn marktaandeel opbouwen, omdat hij niet onder die te lage prijzen kan bieden. Dat leidt onvermijdelijk tot zijn faillissement. Een markt waarin kartels door de overheid met rust worden gelaten, wordt bijgevolg niet gecontesteerd door nieuwkomers, omdat ze de facto niet kunnen toetreden. Niemand wil immers het risico lopen om op een oneerlijke manier eruit geprijsd te worden, nadat men geïnvesteerd heeft. Een markt die, formeel of feitelijk, niet gecontesteerd kan worden, is geen vrije markt. Dat is eerder een vorm van communisme, waarbij dan het staatsmonopolie vervangen is door een kartel van privé-bedrijven dat zich echter net zo gedraagt als de monopolist, namelijk de prijzen zó zetten dat de winst gemaximaliseerd wordt, zonder last te hebben van concurrentiedruk. Hetzelfde effect krijg je natuurlijk als de overheid de prijzen kunstmatig laag zet. Geen wonder dus dat liberalen zich inzetten tegen kartels en tegen door de overheid opgelegde prijzen.

Daarenboven zorgen oneerlijke prijzen er ook voor dat de prijzen hun voornaamste functie niet meer naar behoren kunnen uitvoeren. Die functie is het geven van de juiste informatie over de relatieve schaarste van goederen en diensten. Op basis van deze informatie worden op een decentrale wijze door de miljoenen actoren op de vrije markt onnoemelijk veel beslissingen genomen. Deze beslissingen resulteren op hun beurt weer in het aanpassen van de prijzen. Het is een continu proces dat geen aansturing nodig heeft. Dit is één van de belangrijke redenen waarom de vrije markt beter werkt dan een planeconomie. In een planeconomie moet al die informatie, die verspreid zit, centraal verzameld én verwerkt worden om vervolgens de genomen beslissingen terug te verspreiden naar de uitvoerders. Dat is een enorm karwei dat een bureaucratie veel minder correct en efficiënt kan uitvoeren, waardoor een planeconomie gedoemd is om minder goed te presteren dan de vrije markt (naast het probleem om de planner en de uitvoerders de juiste prikkels te geven).

De vrije markt kan dus enkel goed werken als de prijzen effectief de correcte informatie geven. Wanneer kartels de prijzen op een kunstmatige manier bepalen, is dit niet het geval en zijn de beslissingen die op basis van deze informatie genomen worden verkeerd, ook al zijn ze decentraal genomen en is er geen probleem inzake de juiste prikkels. Deze verkeerd genomen beslissingen ondermijnen de efficiëntie die een vrije markt normaal levert. Hierdoor wordt de koopkracht, zeker op lange termijn, aangetast.

Eigenlijk gaat het bij kartelonderzoek niet eens om de prijzen zelf, maar om de marktwerking. Prijzen zijn alleen maar een resultante van de onderliggende marktwerking, die eerlijk of oneerlijk kan zijn. Zoals hierboven gesteld, kan een oneerlijke marktwerking ook leiden tot te lage prijzen, om nieuwkomers af te schrikken of uit de markt te drijven. Daarom dat een observatorium van prijzen, zoals in het regeerakkoord van Leterme I, niet ver genoeg gaat: het zou moeten gaan om een observatorium van de markt.

Maar om de markt te observeren heeft de overheid al een instrument, namelijk de Raad voor de Mededinging. Het is dit orgaan dat, hoewel onder de vorige regering al enigszins versterkt, verder uitgebouwd moet worden en dat onafhankelijk, met zijn rechterlijke bevoegdheden, moet kunnen optreden. Dat maakt meteen ook de paradox van de vrije markt duidelijk: er is controle nodig om de markt vrij te houden. Door een prijzenobservatorium in te stellen creëert de regering echter (moedwillig?) een parallel orgaan dat dan nog onder controle staat van die regering, dus afhankelijk van de waan van de politiek. En als investeerders iets kunnen missen, dan is het wel de wispelturigheid van de politiek. Aan minister Van Quickenborne om erover te waken dat álle actoren, zowel (potentiële) producenten als consumenten, het vertrouwen behouden in de vrije markt door ervoor te zorgen dat de Raad van de Mededinging haar rol kan spelen. Het vraagt wat bescheidenheid om als politicus ervoor te zorgen dat overheidsorganen hun werk kunnen doen, maar op die manier zal hij meer dan welke politicus ook bijdragen tot onze koopkracht.



Andreas Tirez

Links
mailto:andreas@tirez.be
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties', waarin de auteur een geschiedenis geeft van het economische nationalisme, zowat het tegendeel van de liberale economische school. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be