De president van Senegal, Mst. Abdoulaye Wade, had het druk op de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van zijn land. Vooral druk in het becommentariëren van de festiviteiten: inauguratie van het ‘statut de la renaissance africaine’, het bijwonen van défilees in aanwezigheid van tientallen ambtsgenoten, de kwaliteit van de optredens, enz. Hij zei echter weinig over de vijftig jaren van de afhankelijkheid zelf en nog minder over de vijftig jaren die komen. En de bevolking volgt, of eerder volgt niet. Geen populaire feesten of enthousiasmerende samenkomsten, maar zittend voor de televisie, in familie, nu eens het beeld bekritiserend, dan weer de kostprijs van de gehele bedoening. Ze zijn in elk geval het gevoel van bevrijding vergeten, evenals de opwelling van hoop en de aspiraties naar een betere toekomst, die zo’n vijftig jaar geleden gehele massa’s in beweging gekregen had en het onmogelijk geachte realiseerde: onafhankelijkheid. De Afrikaanse bevolkingen van Kinshasa tot Mogadishou, van Dakar tot Maputo, sommigen levens in totale chaos omringd, andere in een schijn van ontwikkeling, leven tot op vandaag in een gelijktijdigheid van werelden waarin oude gebruiken met moderne praktijken samengaan. Ze vechten voor hun dagelijkse noden in een moeilijke natuurlijke omgeving. En ondertussen volgen de elites elkaar op, elites die hun opgebouwd kapitaal zo snel mogelijk ‘verkwisten’ in het rijke noorden. En de bevolking grijpt wat ze grijpen kan en consumeert onmiddellijk zonder aan een investering in morgen te denken. Beide zijn verbonden in hun ongeloof in een betere toekomst door en voor henzelf. Beide zijn verbonden in de afwezigheid van een gemeenschappelijke wil, een doorleefde gedrevenheid, om samen te werken aan de opbouw van een nieuwe samenleving. Er wordt veel gesproken over het democratiseren van het continent, maar de verkozen presidenten die de constitutionele beperkingen op hun verkiesbaarheid niet wegnemen zijn uitzonderingen, evenals de kiezers die hun leider als vader willen afstraffen voor hun wanbeleid en hun keuze voor het persoonlijke gewin. Ten gronde bestaan er vandaag alleen nog maar sterke mannen, geen sterke instituties, en mensen die geloven in mensen, niet in instituties. In Afrika is er dan ook een gebrek aan instituties, niet aan geschikte mensen. Er wordt veel gesproken over een vrije markt en het kapitalisme, maar ik stel vast dat zelfs binnen de kleinere Afrikaanse landen geen eengemaakte markten bestaan. En wie durft dan al te spreken over regionale markten? Bovendien ontbreekt het aan nationale en regionale regels en normering, en aan de toepassing ervan. De Afrikaanse economieën bevinden zich dan ook voor 80% binnen de informele, zeg maar illegale sector. Tot slot, en primordiaal, wordt er onvoldoende geïnvesteerd op macro en op meso-niveau. Behalve het tegemoetkomen aan de noden van zichzelf en de brede kring daarrond, blijft er slechts weinig over om te investeren en dit weinige verdwijnt al te dikwijls naar het noorden. En op hulp van de bancaire sector moet men al helemaal niet rekenen. Het geschetste beeld mag dan droevig en hopeloos zijn, het staat in scherp contrast met de geleefde realiteit! Wie in Afrika op zoek is naar de gemediatiseerde tentenkampen van hongerlijders of vluchtelingen zal diep mogen gaan. Hij zal vooral frenetische geürbaniseerde zones doorreizen van miljoenen inwoners, zowel in de grootvlaktes van de Sahel als op de equatoriale plateaus, die tot 50% van de Afrikaanse bevolking herbergt, een bevolking waar 40% jonger is dan 20 jaar en de gemiddelde sterfleeftijd onder de zestig jaar ligt. En het is die jonge bevolking die de rijkdom van Afrika vormt. Deze jongeren kennen de verzuchtingen naar onafhankelijkheid nauwelijks en dus leven de vooroordelen die ermee verbonden zijn niet meer. De jongeren gaan van China tot Brazilië over Dubaï, met hun televisies, tv-series en draagbare telefoons, zonder complexen, en slechts beperkt door hun eigen middelen. Parijs mag dan nog tot de verbeelding spreken, Frankrijk is zeker niet meer de referentie. En om die nieuwe werelden te doorkruisen vindt elk wel een weg, misschien niet steeds de meeste evidente. Het is die jonge bevolking die het mogelijk maakt om hun toekomst tegemoet te treden zonder complexen, volledig, in één stuk, om flexibel te zijn in hun eisen, maar onbuigzaam in hun ambities, net zoals kinderen dat doen. Het is die jonge bevolking die ondanks hun beperkte middelen, misschien net erdoor, de vindingrijkheid zal vinden om hun eigen toekomst vorm te geven, volgens hun eigen waarden en normen, aspiraties en ambities. Aan ons dan ook om definitief de bladzijde om te draaien. Papa’s, tontons,… zijn we niet meer. En hulp zijn we ook niet meer verplicht. Meer zelfs, het Afrikaanse continent verdient ons medeleven niet, want het is niet alléén arm. Als het iets verdient en als we haar iets verplicht zijn, dan is het dat Afrika beschouwd moet worden als onze gelijke, als een zone van opportuniteiten met een groeiende markt, zo goed als maagdelijk, en waar er verkocht en geïnvesteerd kan worden. Door alleen te geven, dwingen we steeds opnieuw een relatie op van onder- en bovengeschiktheid. Door te geven om te krijgen (investeren dus) dwingen we respect af, wederzijds respect, eigenrespect, eigenwaarde voor iedereen. En na vijftig jaar van zogezegde onafhankelijkheid is dat wel het minste dat we het Afrikaanse continent verplicht zijn, als we dan iets verplicht zijn.
Kevin Torck Kevin Torck Linksmailto:kevin.torck@gmail.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|