Op dinsdag 20 mei 2008 staakten de werknemers van de NMBS. Volgens henzelf was de staking een ongekend succes gezien de participatiegraad op zijn minst 80% bedroeg. De reden van de actie was het spaak lopen van het sociaal overleg tussen de vakorganisaties en de directie. Het gevolg was dat volgens schattingen minstens een kwart miljoen pendelaars genoodzaakt werden een alternatief te zoeken. Bij deze actie moeten mijn inziens tal van vragen worden gesteld over de noodzaak, doeltreffendheid en geoorloofdheid. Eerst en vooral dient te worden gezegd dat het sociaal overleg nog niet volledig zonder uitzicht was geworden. Wel is het zo dat er duidelijke onenigheden waren, doch was een nieuw overleg gepland voor de daaropvolgende dagen. Van een totaal uitzichtloze situatie kon derhalve niet worden gesproken waardoor een eerste vraag kan worden gesteld bij de noodzaak. Het stakingsrecht waarvoor ooit werd gestreden, en dat terecht werd verworven, had tot doel een drukkingsmiddel te zijn tegen werkgevers om sociale rechten en voordelen af te dwingen voor werknemers. De rechten waarvoor toen, veelal middels onrustige betogingen, hard werd gestreden, waren de vijfdagen werkweek, de achturendag, het minimumloon en andere rechten die ondertussen als vanzelfsprekend worden ervaren. Wel blijft het zo dat het stakingsrecht haar ‘last resort’ karakter niet verloren heeft. Enkel wanneer conflicten tussen werkgevers en werknemers zijn geëvolueerd tot een dermate geëscaleerd niveau kan het stakingsrecht worden aangewend om de wensen van werknemers kracht bij te zetten. Op basis van de in de pers verschenen berichten lijkt het niet zeker dat het sociaal overleg tussen de NMBS-directie en de werknemers in die mate verzuurd was dat een staking het laatste redmiddel was geworden. Ten tweede verdient het een blik te werpen op de bijkomende schade van de staking. Het doel van het stakingsrecht is om, als drukkingsmiddel, de werkgever te treffen in zijn vermogen om zo het dermate uitzichtloze conflict open te breken en de standpunten van werknemers kracht bij te zetten. De staking van afgelopen dinsdag trof echter tal van andere sectoren. De totale economische schade werd geschat op 40 miljoen euro. De stakingsdag zou de grootste filedag op de autosnelwegen in ons land worden, ware het niet dat dit gevolg kon worden afgewend door flexibiliteit en vindingrijkheid van de treingebruikers en hun werkgevers. Verder werd ongetwijfeld reputatieschade aan de NMBS toegebracht. Een reputatie die in de publieke perceptie reeds vóór de staking niet als bijzonder positief werd gezien. Een laatste punt dat aandacht verdient is de positie van de vakbonden. Het gebruik van het stakingsrecht is meer dan het rollen van spierballen alleen. Het is het aannemen van een standpunt waarin wordt gezegd dat het sociaal overleg, volgens de representatieve vakorganisaties, in een dermate ernstige impasse is beland dat alle normale vormen van communicatie onmogelijk zijn geworden. Het is een signaal naar zowel de NMBS, de overheid, de treingebruikers als alle andere sectoren van de economie dat een probleem van sociaal overleg dermate ernstig is waardoor het stilleggen van het volledige treinverkeer gedurende 24 uur, volgens hen, een gerechtvaardigd middel wordt. In het sociaal overleg gaan de vakorganisaties daarmee een vijandige, militante houding aannemen wat de kans om tot een constructieve oplossing te komen zeker niet bevordert. Ook de perceptie van de andere getroffen groepen zal ten aanzien van de vakbonden niet in positieve zin evolueren. Tot slot lijkt het duidelijk dat het stakingsrecht een verworven recht is waaraan niet mag worden getornd. Het moet echter verstandig en gepast worden aangewend. Het te pas en te onpas dreigen met en zelfs uitvoeren van stakingen is een duidelijk misbruik. Enkel wanneer geen enkel redelijk middel meer mogelijk is, kan beroep worden gedaan op het stakingsrecht. Wanneer wordt besloten om tot een staking over te gaan, moet ook stil worden gestaan bij het te bereiken doel en de gevolgen. Van oudsher wil men door een staking de werkgever treffen om zo het sociaal overleg te bevorderen en te stuwen naar de kant van de werknemers. Om dit doel te bereiken is het echter niet nodig de treingebruikers en private ondernemingen te treffen. Wanneer de geleden bijkomende economische schade proporties aanneemt die ver boven de te verdedigen belangen gaan, kunnen we ons afvragen of er geen andere middelen zijn die wel de werkgever treffen maar niet de rest van het land. Zo treft een ‘staking’ in de vorm van het gratis laten rijden van alle treingebruikers de werkgever maar laat ze de economie van het land ongemoeid. Frederick Ongena Frederick Ongena Linksmailto:fongena@vub.ac.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|