|
Half maart werd weer maar eens betoogd voor een socialer Europa. Zoals de laatste maanden wel vaker gebeurde, lag de zogenaamde Bolkestein-richtlijn opnieuw zwaar onder vuur. De vraag is echter of dat nu echt zo’n gedrocht is. Wat op tafel ligt is eigenlijk nog maar een ontwerp van richtlijn en stond nog open voor opmerkingen en aanpassingen. Het doel is heel duidelijk: de interne markt doortrekken naar diensten. Tot nu toe was er al zo’n interne markt voor producten. Wie een product mag verkopen in één van de EU-landen, mag dat ook in de andere landen. Dat heeft niet alleen voor een grotere keuzevrijheid voor de burger gezorgd, maar ook voor een stijging van de economische groei. Sinds de invoering van die interne markt is het gedaan met het aanvragen van 12, 15 en ondertussen zelfs 25 vergunningen om het product op een markt te mogen aanbieden. Het spreekt voor zich dat deze maatregel ook een groot effect gehad heeft op de kleine en middelgrote ondernemingen. Voor grote bedrijven stelt het al bij al niet zo veel voor om al die vergunningen aan te vragen, voor een KMO is dat al een veel zwaardere inspanning. De Bolkestein-richtlijn wil dit nu doortrekken naar diensten. Die diensten maken immers 70% van de economische activiteit uit, maar slechts 20% van de handel tussen de verschillende lidstaten. Die nieuwe vrijmaking zal opnieuw voor meer keuzevrijheid, meer concurrentie, meer banen en meer economische groei zorgen. De vrijmaking van de interne markt voor diensten zou analoog gebeuren als voor producten. Eens een onderneming in één van de lidstaten de toestemming gekregen heeft om haar activiteiten te ontplooien, mag ze die activiteiten in eender welke andere lidstaat uitvoeren. Dat is het fameuze oorspronglandprincipe in de richtlijn. Alle heisa rond deze richtlijn stamt voort uit een zeer brede interpretatie die de linkse beweging aan dit oorspronglandprincipe geeft, om niet te zeggen een bewust verkeerde interpretatie. Vakbeweging, socialistische partijen en anti-globalisten beweren immers dat de richtlijn tot sociale dumping zal leiden. Ze vergeten daarbij wel dat er een uitzondering op dat principe toegepast is op het vlak van sociale wetgeving (art. 16 en 24 van het voorstel tot richtlijn). Lidstaten mogen nog altijd hun wetgeving op het vlak van arbeidsrelaties laten respecteren, zoals dit vroeger reeds in een andere Europese richtlijn over de detachering van werknemers uitgewerkt werd (1996/71). Werknemers die voor werkgevers uit andere lidstaten komen werken, blijven nog steeds onderhevig aan de sociale regels van het land waar ze werken. Concreet wil dat zeggen dat het Belgische minimumloon moet uitbetaald worden, of dat in Frankrijk de 35-urenwerkweek blijft gelden. Een veel terechtere kritiek is dat gezondheidszorg ook onder de richtlijn valt. Nagenoeg gans Europa heeft in die sector gekozen voor een grote overheidsinmenging om voor iedereen een goede en betaalbare gezondheidszorg te realiseren. Het spreekt voor zich dat de richtlijn in die sector kan conflicteren met een aantal zaken, zoals de kwaliteitsvereisten, de betaalbaarheid en de universele dienstverlening. In de richtlijn staat wel dat uitzonderingen kunnen toegestaan worden in verband met de volksgezondheid en de medische beroepen (art. 19), maar dan moet er aan heel wat voorwaarden voldaan worden. Daardoor ontstaat op dat vlak een grote onzekerheid. Een uitzondering drong zich hier dus op, maar begin maart besliste de Commissie al om gezondheidszorg en diensten van algemeen belang uit te sluiten. Het risico ontstaat dan weer dat diensten van algemeen belang te breed zal geïnterpreteerd worden, waardoor weer te veel er zal uitvallen. Bovendien is het niet omdat een dienst van algemeen belang is, dat er principieel geen concurrentie, al is het dan buitenlandse, zou mogen optreden. Openbaar vervoer of ouderenzorg kan men als van algemeen belang beschouwen, maar mogen daarom buitenlandse onderneming dat hier niet komen aanbieden? Een ander, minder belangrijk probleem is dat om te veel belemmeringen te vermijden in de richtlijn staat dat voor werknemers geen inschrijvingspapieren en dergelijke moeten meegenomen worden naar het buitenland. In de huidige toestand maakt dat het echter zeer moeilijk om te controleren of men al dan niet te maken heeft met zwartwerk. De richtlijn gaat uit van een goede uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, maar dat is momenteel nog wel wat dagdromen. Anderzijds was het de bedoeling om de richtlijn pas vanaf 2010 te laten ingaan. Tegen dan kan dat probleem wel opgelost worden. Al bij al lijkt dit dus allemaal op een storm in een glas water. Er zijn inderdaad een aantal problemen met de richtlijn, maar er heerst geen onwil om daar iets aan te doen. Daartegenover staan de immense voordelen die de richtlijn ons ongetwijfeld kan leveren. Eindelijk een echte interne markt voor diensten die leidt tot meer keuzevrijheid, meer concurrentie, meer banen en een performantere economie. Toch is er ontzettend veel kritiek op de richtlijn. Nationale regeringen beginnen te twijfelen. De richtlijn zal er immers voor zorgen dat een aantal sectoren niet meer beschermd zullen kunnen worden. Als één land die sector niet beschermt, kunnen bedrijven uit dat land in gans de Unie werken en wordt die sector de facto overal vrijgemaakt. Want ofwel komen de bedrijven uit dat ene land in de ganse Unie werken, of zullen de bedrijven uit de andere landen zich in dat ene land gaan vestigen. Voor liberalen, die bijna per definitie een probleem hebben met allerlei protectionistische maatregelen, is dit een zegen. Sommige regeringen daarentegen zijn natuurlijk bang om op die manier kiezers te verliezen en daarom verzetten zij zich tegen deze richtlijn die deze beschermingsmaatregelen onmogelijk maakt. De hardste kritiek komt vanuit linkse hoek. Vooral die uit de mond van socialistische partijen uit gans de EU klinkt zeer hypocriet. Zij leveren constant kritiek op het Europa dat niet sociaal genoeg zou zijn. Nochtans waren bij alle onderhandelingen over alle Europese thema’s socialisten aanwezig en zelfs in grote getale. Het voorstel tot richtlijn werd goedgekeurd door de Commissie, waarbij op dat ogenblik 12 commissarissen aanwezig waren. Van die 12 waren er 10 rood gekleurd. Geen enkele socialist liet echter ook maar één opmerking noteren over de onderwerpen waar hun partijen nu problemen rond maken. Ook toenmalig Belgisch commissaris Philippe Busquin niet. Dat plaatst de kritiek van zijn partijgenoot Elio di Rupo in een ander perspectief. Er is immers geen kat die gelooft dat daar geen overleg bestond, ondanks de onafhankelijkheid die een commissaris zou moeten vertonen. Voor de socialisten is de misleiding rond deze richtlijn uiteraard een uitgelezen kans om aan te tonen dat Europa niet sociaal zou zijn. Dat ze Europa zelf mee vormgegeven hebben, verzwijgen ze daar bij. Bovendien kan de vraag gesteld worden of maatregelen nemen die voor een aanzwengeling van de economie en meer banen kunnen zorgen dan geen sociale maatregelen zouden zijn. Dat de ganse linkse beweging deze richtlijn de Bolkestein-richtlijn gedoopt heeft, komt hen nog eens goed uit ook. Het bekt natuurlijk iets gemakkelijker dan “voorstel tot richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over diensten in de interne markt”, maar het heeft ook een aantal andere consequenties. De Nederlandse liberaal Frits Bolkestein was bevoegd voor de interne markt, en de richtlijn kwam dan ook van zijn departement. Dat op die manier een verfoeide richtlijn constant geassocieerd wordt met de enige liberaal in de vorige commissie is op zijn minst een leuke bijkomstigheid voor de linkse kerk, voor wie het liberalisme nog altijd de ergste vorm van ketterij is. Onvergeeflijk is dan ook dat op dit vlak de VLD, tot nader order nog steeds de Vlaamse liberale partij, haar principes weer maar eens overboord gooit. Op de laatste Europese top nam Guy Verhofstadt samen met Jacques Chirac het voortouw in het verzet tegen deze liberale richtlijn en vroeg de terugtrekking ervan. Ook Bart Somers volgde, door te stellen dat sociale dumping moet tegengegaan worden. Nochtans kan ik me niet voorstellen dat beiden niet zouden weten dat die mogelijkheid er niet in zit. In plaats van de socialisten zomaar te volgen, had men beter wat weerwoord geleverd en de essentie van de richtlijn verdedigd. De premier kan misschien nog verzachtende omstandigheden inroepen, hij moet op zo’n top immers het standpunt van de regering vertolken, de partijvoorzitter daarentegen kan dat niet, die moet het liberale standpunt verdedigen en had de richtlijn, mits een aantal kanttekeningen, dus moeten verdedigen. Een coalitie aangaan met een andere partij is eervol, het toont aan dat men bereid is verantwoordelijkheid op te nemen en het land mee te besturen. Uit vrees om uit de regering gebonjourd te worden de standpunten van de coalitiepartner klakkeloos overnemen is dat echter niet, integendeel. Deze richtlijn betekent een grote kans voor Europa. Ze kan voor een versterking van onze economie en meer banen zorgen. Niettegenstaande er een aantal zaken op aan te merken vallen, is het grootste deel van de kritiek ongefundeerd. De linkse beweging wil blijkbaar vermijden dat Europa zich verder economisch opwerkt. Door haar onterechte, maar zware kritiek maakt ze van de Europese Unie eens te meer de boeman. Dat ze het Europese project en alle verwezenlijkingen ervan daardoor op de helling zet, weegt blijkbaar niet op tegen het plat opportunisme om het eigen grote gelijk nog eens in de verf te zetten. Jammer, doodjammer.
Jules van Rie Jules van Rie Linksmailto:jules@vanrie.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief ContactAndreas Tirez
|
|