|
Vijftien jaar geleden zag het er allemaal nog rooskleurig uit. De Berlijnse Muur was gevallen, het communisme was geïmplodeerd, steeds meer landen maakten een vreedzame overgang naar een liberale democratische staatsstructuur, de wereldeconomie trok onder impuls van de technologische revolutie sterk aan en tal van internationale verdragen stonden op het punt goedgekeurd te worden. Het leek wel of we na de rampzalige twintigste eeuw een periode van wereldwijde welvaart en vrede tegemoet gingen. Weet u nog wat ons exact vijf jaar geleden het meest bezighield? Dat was de millenniumbug. De vrees dat bij de overgang naar het jaar 2000 computers zouden tilt slaan waardoor vliegtuigen zouden neerstorten, liften geblokkeerd raken en de elektriciteit uitvallen. De vrees dat er een steentje in het systeem zou raken waardoor de machine zou haperen. Toen we wakker werden op 1 januari moesten we eens goed lachen met onze eigen vrees. De machine bleef op gang, de aarde draaide nog steeds rond de zon en de Dow Jones steeg naar nieuwe recordhoogtes. Het liberalisme en de vrije markt leken het pleit definitief gewonnen te hebben. Het politiek en economisch liberalisme leek toen onstuitbaar zoals voorspeld door Francis Fukuyama in zijn boek The End of History. Het leidde tot zelfgenoegzaamheid en bij sommigen tot een nieuw dogma: het marktfundamentalisme. Sindsdien is er veel gebeurd. De technologische zeepbel spatte uit elkaar, de beursnoteringen zakten in elkaar, de antiglobalisten kwamen massaal op straat en op 11 september 2001 lag de droom van een vreedzame 21ste eeuw compleet aan scherven. De economische crisis, de globalisering, de terreuraanslagen en de toenemende spanningen tussen autochtonen en allochtonen zorgden voor angst en onzekerheid bij heel wat Europese burgers die zich plots massaal afkeerden van de traditionele partijen en hun hoop stelden op partijen en individuen die met eenvoudige, populistische en radicale oplossingen voor de dag kwamen. Het liberalisme staat weer onder druk. Net als op het einde van de negentiende eeuw, net als voor het begin van de Tweede Wereldoorlog, net als in de jaren zestig en zeventig, wordt het liberalisme opnieuw aangevallen en beticht van alle kwalen van de wereld. Die aanvallen komen van alle kanten. Volgens antiglobalisten en socialisten zijn de tegenstellingen tussen Noord en Zuid, de wereldwijde armoede en de sociale uitsluiting een gevolg van een doorgeslagen liberalisme. Volgens groenlinksen is het liberalisme de oorzaak van de ecologische problemen. Volgens conservatieven heeft het liberale Verlichtingsdenken gezorgd voor een aantasting van waarden en tradities. En religieuze fanatici keren zich met geweld tegen de fundamentele liberale grondwaarden als de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting en de gelijkwaardigheid van elke mens. Door die aanvallen van buitenaf raken heel wat liberalen gedesoriënteerd en gaan ze in het defensief. Ze stellen zichzelf de vraag of we niet naar links of naar rechts moeten opschuiven, of we niet meer progressief of juist meer conservatief moeten worden, of we niet de weg opmoeten van het populisme. In Vlaanderen komt daarbij nog de vraag of we als liberalen niet moeten gaan samenwerken met een groeiende extreem-rechtse partij in de hoop dat na een regeringsdeelname het tij wel zal keren en proteststemmers terug zullen keren naar de liberale stal. Ik vind elk van deze suggesties verkeerd. Het liberalisme laat zich niet opdelen in die valse links-rechts verhouding. Wat is immers links en wat is rechts? Is opkomen voor een sterke economie waardoor meer mensen aan de slag kunnen rechts of eerder links? Is het uitbouwen van een sterke en efficiënte sociale zekerheid waardoor armen, zieken, gehandicapten en ouderen geholpen worden nu links of juist rechts? Is het opkomen voor meer veiligheid en een harde aanpak van de criminaliteit links of rechts? Is de strijd voor de emancipatie van de moslimvrouw binnen traditionele gezinnen links of rechts? Is het verwerpen van protectionisme in het Europees landbouwbeleid dat ten goede zou komen aan talloze armen in de derde wereld links of rechts? Links en rechts zijn voorbijgestreefde begrippen die de ware politieke bedoelingen maskeren. Tal van politici en partijen houden deze begrippen bewust in leven om hun gebrek aan ware solidariteit, hun onverschilligheid tegenover medemensen en vooral hun panische angst om hun verworven rechten kwijt te spelen, te verbergen. De ware ideologische tegenstelling die vandaag meer dan ooit bestaat is die tussen het individualisme als basis voor het liberalisme en het groepsdenken waarop de andere ideologieën gebaseerd zijn. Voor alle duidelijkheid wil ik eerst het begrip individualisme duidelijk definiëren. Soms wordt dit verward met egoïsme, zelfzucht of onverschilligheid maar daar heeft het niets mee te maken. Individualisme is juist een heel positieve kracht die leidt tot zelfontplooiing, zelfredzaamheid en bevrijding uit traditionele verbanden, zuilen en structuren. Het betekent dat mensen zelf invulling kunnen geven aan hun levenslot, dat elke mens uniek is en beschikt over een aantal onvervreemdbare rechten en vrijheden. “Over himself, over his own body and mind, the individual is sovereign”, zo schreef John Stuart Mill in zijn boek On Liberty. Vanuit die definitie moet het individualisme voor elke liberaal niet getemperd worden maar integendeel aangemoedigd, vooral in die gemeenschappen waar mensen wegens religieuze, sociale en culturele tradities onderdrukt worden. Of zoals de hedendaagse Spaanse humanist en filosoof Fernando Savater het zegt: ‘Individualisme is de hoeksteen van de samenleving’. De geschiedenis toont aan dat het individu ondanks heel wat tegenkanting steeds meer zelf zijn levenslot wou en zou invullen. Een van de eersten die dit inzag was de renaissance filosoof Pico delle Mirandola. In zijn essay Over de waardigheid van de mens formuleerde hij de gedachte van ‘de mens als zijn eigen schepper’. De mens heeft zijn lot in eigen handen. Hij kan ontaarden in het dierlijke, maar zich ook opheffen tot het goddelijke. Daarbij vormt hij zichzelf door middel van een zoektocht in plaats van een voorschrift te volgen. Godsdienst, gemeenschap en familie bepalen de setting, aldus Pico, maar het scenario moet je zelf schrijven. Hij werd voor deze denkbeelden in 1486 veroordeeld door de paus. Volgens John Locke heeft elk individu het recht een maximale invulling te geven aan het eigen leven. De mens als zijn eigen schepper was ook de basis van de Verlichting. Immanuel Kant had het over ‘Sapere aude’, durf je van je eigen verstand te bedienen en stelde in zijn categorische imperatief dat we de mens steeds als een doel moeten zien en niet als een middel. Een dergelijke mensvisie lijkt evident maar wie alleen nog maar kijkt naar de twintigste eeuw beseft dat dit niet altijd het geval was. Denk aan het communisme waarin de mens behandeld werd als een ding, als iets dat men kon inschakelen en uitschakelen, kon gebruiken en weggooien. ‘Mest op de velden van de toekomst’, zo zag Trotski de mens. En ook andere communistische leiders als Stalin, Mao en Pol Pot hebben miljoenen mensen de dood ingejaagd om hun grote doel, de ideale egalitaire maatschappij te bereiken, evenwel zonder succes. Denk ook aan het fascisme waarin het individu ondergeschikt werd gemaakt aan de wil van de Führer. Ook hier werd de mens niet behandeld als een doel maar als een gezond of ongezond onderdeel van de volksgemeenschap. Wie er niet in paste moest uitgeschakeld worden zoals gebeurde met de joden, maar ook met mentaal gehandicapten, homoseksuelen, zigeuners en andere ‘afwijkenden’. Denk ook aan religieus fanatieke religieuze gemeenschappen waarin mensen zich moeten onderwerpen aan heilige teksten. Ook vandaag nog, in onze westerse maatschappij, kunnen tienduizenden vrouwen geen invulling geven aan hun eigen levenslot. De strijd voor de bevrijding van het individu is bij uitstek een liberale strijd en staat diametraal tegenover het groepsdenken dat andere ideologieën huldigen. Socialisten en neomarxisten verwerpen het individualisme en laten zich daarbij inspireren door collectivistische ideeën. Ze pleiten voor meer regulering en zien allerlei bestaande en nieuwe overheidsinstellingen als mogelijke bronnen voor de overdracht van maatschappelijke normen en deugden. In hun kritiek op het individualisme en het liberalisme vallen ze ook het kapitalisme en de vrije markt als economisch systeem aan. Ze zetten zich af tegen het eigenbelang en poneren een hernieuwde aandacht voor het soort ‘algemeen belang’ dat Jean Jacques Rousseau voorstond. Een algemeen belang als uiting van de collectieve wil en bijgevolg als de na te volgen wet. In die zin wantrouwen ze de creatieve, ondernemende en zelfstandige burger. En hebben ze een natuurlijke afkeer voor persoonlijk succes, bezit en talent. Wie veel geld verdient, is verdacht. Wie te hard loopt moet ingetoomd worden zodat de groep kan volgen. Vrijheid moet plaats ruimen voor gelijkheid. Meer dan vroeger laten ze zich daarbij ook inspireren door morele normen waaraan het individu moet voldoen om een ‘volwaardig’ en ‘sociaal’ burger te kunnen zijn. Dit alles vloeit voort uit het ingebakken wantrouwen van socialisten voor die onvoorspelbare vrijheid van de mens en hun geloof in de maakbaarheid van de samenleving. De mens zal ‘sociaal’ zijn, al moesten ze hem dwingen. Victor Klemperer zag trouwens als één van de eersten scherp in hoe het nationaal-socialisme wel de realisatie leek van Rousseau’s ‘totalitaire’ gedachten. Conservatieve en nationalistische partijen pleiten dan weer voor een terugkeer naar waarden en tradities. Daarbij verwijzen ze naar de teloorgang van de ‘geborgenheid’, de ‘eigenheid’, en zelfs de ‘zuiverheid’ van de samenleving en het volk en naar de ondermijnende krachten van vreemdelingen ten aanzien van de eigen cultuur. Ze spelen in op de angst van de eigen inwoners voor de ‘Ander’ en bepleiten een afsluiting van de grenzen voor vreemde invloeden. Vanuit hun behoudsgezindheid stellen ze ook de moderniteit zelf in vraag. Ze hebben heimwee naar de tijd waarin de vader als hoofd van het klassieke gezin, de onderwijzer als klashoofd en de pastoor als hoeder over de parochie hun autoriteit konden doen gelden. Voor hen moet individu ondergeschikt zijn aan ‘hogere’ waarden zoals het geloof, het volk, de natie en bij sommigen zelfs het ras. Devotie, zelfopoffering, zelfverloochening en plichtsbesef tegenover de volksgemeenschap beschouwen ze als positieve, zelfs noodzakelijke waarden. Conservatieven en nationalisten eisen in feite de opheffing van het onderscheid tussen de private en de publieke levenssfeer. Iedereen wordt geacht te leven zoals de traditie, het geloof, de staat, het volk of de gemeenschap dit voorschrijft. Niet alleen in het publieke domein, maar ook in de beslotenheid van de huis- en slaapkamer. Vandaar ook hun ‘morele codes’, richtlijnen en voorschriften met betrekking tot seks en geslachtsgemeenschap. Voor de enen is het een huwelijksplicht met het oog op voortplanting en voor de anderen is het een plicht ten aanzien van de Volksgemeenschap om deze sterk en gezond te houden. Liberalisme en individualisme passen daar niet bij. De beschikking over het eigen leven, over het eigen lichaam, zien ze als een vorm van destabilisering en ondermijning van klassieke vormen van gezag die, naar hun belerend oordeel, onveranderd moeten blijven gelden. De mens zal ‘gezagsgetrouw’ zijn, al moesten ze hem dwingen. Het lijkt alsof voor socialisten, conservatieven, nationalisten en religieuze extremisten de Verlichting, de vooruitgang en de moderniteit te ver zijn doorgeschoten en de klassieke maatschappelijke structuren en zekerheden al te zeer hebben aangetast. In feite is het een behoudsgezinde reflex tegenover het individu die steeds meer zijn eigen weg opgaat. Want ondanks pleidooien voor een terugplooien op vergane tradities en zekerheden, en de talloze maatregelen om mensen binnen het zogenaamde ‘sociaal’ en ‘moreel’ gareel te laten lopen, blijft het individualisme onstuitbaar doorgaan. Sinds de Verlichting is de geest van het individualisme uit de fles. Het individualisme in de zin van zelfontplooiing, zelfredzaamheid en het zich losmaken van traditionele verbanden, zuilen en structuren is nog steeds bezig en het zal zich onvermijdelijk blijven doorzetten. Het individualisme is zelfs een noodzaak tegen de tendens naar steeds grotere anonimiteit, bureaucratisering en automatisering van onze samenleving. Individualisme verzet zich hiertegen. Het verheft de mens uit de massa en geeft hem de kans zijn eigen weg te gaan in de maatschappij. De scheiding tussen het belang van individuele rechten enerzijds en groepsrechten anderzijds is geen theorie maar kunnen we vaststellen in de dagdagelijkse politiek en zal, mijn inziens, in de toekomst nog belangrijker worden. Laat mij kort ingaan op vier concrete dossiers waarin het verschil tussen een liberale en een niet-liberale aanpak duidelijk is: de versteviging van ons economisch stelsel, de toekomstige sociale zekerheid, de problematiek van de multiculturele samenleving en de toenemende globalisering. Voor de versterking van ons economisch weefsel zijn we de laatste decennia terechtgekomen in een bijzonder defensief verhaal. Het socialistische uitgangspunt was dat er maar een beperkt aantal jobs waren en dat we die zo goed mogelijk moesten verdelen. Het gevolg was dat we ouderen hebben aangemoedigd om vroeger uit het arbeidsproces te stappen ten voordele van jongeren, dat we niet wilden dat gepensioneerden nog bijverdienden omdat ze zo de plaats zouden innemen van anderen en dat vermindering van de arbeidsduur zou leiden tot meer kansen voor anderen. Het uitgangspunt was niet alleen verkeerd maar ook behoudsgezind. Socialisten bakken een taart in een vaste bakvorm en verdelen die dan. En omdat de taart steeds even groot blijft, en bij een economische recessie zelfs kleiner, worden de stukjes om te herverdelen ook steeds kleiner. Liberalen geloven niet in vaste bakvormen. Wij willen de taart groter maken zodat er ook meer te herverdelen valt en mensen een groter deel voor zichzelf mogen houden. Maar om de taart te vergroten moeten meer mensen aan de slag. Daarom moeten we privaat initiatief aanmoedigen, individuen kansen geven, ondernemerschap belonen, lasten verlagen en de bureaucratische rompslomp verminderen. Alleen zo wordt de taart groter en kunnen we ook onze sociale zekerheid betaalbaar houden. Hoe pakken liberalen de sociale bescherming aan? In tegenstelling tot wat onze tegenstrevers beweren zijn liberalen voorstanders van een sterke en efficiënte sociale zekerheid. Liberalen willen dat we mensen zoveel mogelijk invulling kunnen geven aan hun eigen levenslot. Dat betekent dat we de armen, zieken, werklozen, gehandicapten en senioren moeten helpen. Zodat mensen ondanks hun ziekte, ongeluk of ouderdom mee kunnen participeren in de samenleving. Wij zijn geen voorstanders van een absolute vrijheid waarin we iemand midden in de woestijn zetten en zeggen: nu ben je vrij. Dat is een valse vrijheid. Juist daarom staan we ook zo wantrouwig tegenover privatiseringen in de sociale zekerheid, zoals ultraliberalen en libertariërs voorstaan, en die de sociale zekerheid willen vervangen door paternalistische liefdadigheid. Privatisering is aangewezen als men publieke monopolies kan omzetten in een systeem waarin de concurrentie volledig kan spelen zodat de prijs en de dienstverlening voor alle burgers beter wordt. Zoals in de luchtvaart of de telecom. Het is evenwel verwerpelijk als het leidt tot een privaat monopolie waarop geen democratische controle mogelijk is, waarbij prijzen kunstmatig hoog blijven en van een echte vrije markt geen sprake is. Het is ook niet aangewezen in sectoren als het onderwijs, de gezondheidszorg en de beveiliging van burgers omdat dit zou leiden tot een tweedeling in de samenleving, een tweedeling tussen rijken en armen. In zijn werk A Theory of Justice heeft John Rawls uitstekend verwoord hoe vrijheid en sociale rechtvaardigheid samengaan. De overheid moet ‘onverdiende’ achterstanden opheffen. Sommigen beweren dat het individualisme als basis voor het liberalisme aanzet tot asociaal, zelfzuchtig en calculerend gedrag. Dit is fundamenteel onjuist. Calculerend en zelfzuchtig gedrag vloeien niet voort uit individualisme maar wel uit onrechtvaardigheden in het politiek, sociaal en economisch systeem dat mensen toelaat en zelfs aanmoedigt hun verantwoordelijkheid te ontlopen. Het is een van de redenen van de sluimerende legitimiteitscrisis van het sociale zekerheidsstelsel. Het probleem van de met massale belastingsgelden georganiseerde solidariteit tot een ingewikkeld systeem van sociale zekerheid is dat de doelen en resultaten onduidelijk zijn en dat de structuren waarlangs de hulp gebeurt onpersoonlijk, bureaucratisch en financieel ondoorzichtig zijn. Door de overheid georganiseerde solidariteit moet stoelen op de overtuiging van het zinvolle en zelfs een emotioneel draagvlak hebben. Als dit niet het geval is, verwordt het tot een abstract systeem waar niemand zich nog bij betrokken voelt, waardoor onverschilligheid en onvrede toenemen. Ik ben bevreesd voor een bloedloos systeem dat het individu verplicht tot ‘zelfbeheersing’ en ‘sociale responsabiliteit’ ten dienste van een vorm van solidariteit die ondoelmatig is. De manier waarop individuen beslissen zich waarachtig solidair op te stellen wordt niet bepaald door instituties als de kerk, een partij, een ideologie of de staat, maar in eerste instantie op basis van persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef. Dit verklaart mee het succes van NGO’s en particuliere acties ten behoeve van medemensen zoals Artsen Zonder Grenzen, Amnesty International, Greenpeace en dergelijke. Miljoenen mensen geven vrijwillig financiële steun om het lijden van anderen, ook in andere gebieden te verlichten. Hun vertrouwen in humanitaire organisaties is bijzonder groot. Van zodra de burger echter voelt dat de betrokken hulpverlenende organisatie of de overheid inefficiënt handelt zal hij er zich van afkeren. Wanneer mensen vaststellen dat het feit dat iemand door een tegenslag getroffen is geen toeval is, maar dat de getroffene er bewust schuld aan heeft, zal de basis van de solidariteit wegvallen. Individuen zijn bijzonder meelevend met medemensen die in nood zijn maar balen van al wie het systeem bedondert door te profiteren van de vruchten van anderen. Het is de taak van de politiek om ervoor te zorgen dat het geld ten goede komt aan wie het echt nodig heeft en niet aan profiteurs, niet aan mensen die leven van het systeem en niet aan gesubsidieerde organisaties die de hulp aan anderen in feite ondergeschikt maken aan hun ‘verworven’ rechten en eigenbelangen. Sociale steun moet direct, transparant en individueel gericht zijn. Alleen zo behoudt de sociale zekerheid een maatschappelijk draagvlak en vormt het tegelijk een essentiële voorwaarde voor de verdere ontplooiing van elk individu die met tegenslag te kampen heeft. Ten derde pleit ik voor meer liberalisme en individualisme in de problematiek van de multiculturele samenleving. Jarenlang werd dit thema beheerst door het cultuurrelativisme waarbij we geen woord van kritiek mochten hebben op de waarde van andere culturen. Daarmee hebben we al te lang onze ogen gesloten voor misbruiken als de verplichte sluiering, de gedwongen huwelijken, de genitale verminkingen en zelfs de eremoorden. Het liberalisme aanvaardt geen dwang en moet dus actief opkomen tegen deze misbruiken. Maar als liberalen willen we ook de individuele vrijheid maximaal beschermen en kunnen we niet meestappen in het verhaal van conservatieve en extreemrechtse partijen die van nieuwkomers eisen dat ze eigen culturele en religieuze identiteit opheffen. Het liberale antwoord ligt in de aanvaarding van enkele fundamentele liberale grondwaarden zoals de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Of zoals de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur het stelt: de aanvaarding van een universele seculiere moraal. Nergens is de botsing tussen het individualisme en het groepsdenken zo duidelijk als in de problematiek van de multiculturele samenleving. De strijd die Ayaan Hirsi Ali voert is een puur liberale strijd. Wat zij poogt te bereiken is dat meisjes en vrouwen binnen de moslimwereld hun eigen levenslot kunnen bepalen en dat ze niet langer onderdrukt worden door religieuze en conservatieve bepalingen. De dag dat Ayaan Hirsi Ali opnieuw onder ons zal zijn, op een publieke bijeenkomst als vandaag, zal voor het liberalisme een dag van vreugde zijn. Het moment waarop bewezen zal zijn dat de vrije meningsuiting het gewonnen heeft op het obscurantisme. Het zal een teken van overwinning zijn tegenover die krachten die onze liberale waarden pogen te vernietigen. Tenslotte wil ik het nog hebben over het liberale antwoord op de globalisering. Ook hier is het verschil tussen individualisme en groepsdenken sterk aanwezig. Antiglobalisten wijzen met een beschuldigende vinger naar het liberalisme als oorzaak van zoveel leed. Welnu ze vergissen zich. De problemen in de wereld zijn niet het gevolg van een teveel aan liberalisme maar aan een tekort aan liberalisme. Het gebrek aan kansen voor mensen in arme landen is te wijten aan het protectionisme in de rijke landen, aan vakbonden en werkgeversorganisaties die hun groepsbelangen hoger achten dan het algemeen belang. In tegenstelling tot drukkingsgroepen die vaak gelieerd zijn aan socialistische en conservatieve partijen kanten liberalen zich resoluut tegen elke vorm van protectionisme. En de grootste protectionisten zijn de rijke landen, de Verenigde Staten, de Europese Unie en Japan. Ze heffen jaarlijks miljarden dollars, euro’s en yens aan importheffingen, ze geven massaal productiesteun en ontwrichten door exportsubsidies de lokale markten. Subsidies aan voedsel, textiel en staal verhinderen de ontwikkeling van arme landen. Antiglobalisten vergissen zich: er bestaat momenteel geen liberale vrijhandel, er bestaat alleen marktverstorend protectionisme of vormen van monopolies, maar daar zijn liberalen evenzeer tegen gekant. Een ander liberaal middel om de wereldwijde armoede aan te pakken is het toekennen van eigendomsrechten. Decennialang hebben linkse denkers de armen wijs gemaakt dat collectiviseringen en nationaliseringen hun problemen zouden oplossen, maar keer op keer bleek dat niet te lukken. De Peruaanse ontwikkelingseconoom Hernando de Soto heeft aangetoond dat juist deze politiek nefast was voor welvaartsontwikkeling. Geef de miljoenen arme mensen die leven in de sloppenwijken rond de grote steden de kans om hun schamele bezittingen om te zetten in economisch inzetbare activa, geef ze de kans om op een eenvoudige manier een zaak op te starten, maak het verwerven van eigendom eenvoudiger en er zal een enorme accumulatie aan welvaart ontstaan die een veelvoud betekent van alle ontwikkelingshulp die we de voorbije decennia gegeven hebben. Betekent dit dat we ontwikkelingshulp moeten afschaffen? Helemaal niet. Net zoals we de plicht hebben om de armen, de zieken en behoeftigen in ons eigen land te helpen zo moeten we de armen in de wereld helpen. Maar ook hier moet het geld efficiënter besteed worden en ten goede komen van de mensen zelf en niet van corrupte regimes en hun leiders. Dan moet, zoals Nobelprijswinnaar Amartya Sen zei, het geld gaan naar onderwijs, gezondheidszorgen en basisinfrastructuur. Laat me nog één zaak aanhalen waarin liberalen naar mijn mening het voortouw moeten nemen ten bate van het individu. Het gaat om de verdere uitbreiding van de Europese Unie en vooral de mogelijke toetreding van Turkije. Mij gaat het niet zozeer om Turkije maar wel om de bevolking van Turkije, om de individuele Turk, de individuele Koerd, de individuele Armeen, enzovoort. Om individuen die hopen op een betere toekomst en vooral op een definitieve bescherming van hun rechten en vrijheden binnen de Europese wetten en verdragen. We moeten die mensen een perspectief bieden. Het perspectief om binnen enkele jaren, desnoods decennia te behoren tot de grote Europese familie waarin hun kinderen en kleinkinderen vrede en welvaart zullen kennen. Ik weet dat Europa dringend nood heeft aan verdieping en het efficiënt maken van haar interne werking. Maar dat mag geen excuus zijn om niet verder te denken over verdere uitbreiding. Europa is een liberaal project bij uitstek. Het is niet gebaseerd op een gemeenschappelijke taal, religie of zelfs geschiedenis. Het is er gekomen uit de vrije en vaste wil van mensen die begrepen dat we de vrede alleen konden handhaven door ons lot aan elkaar te verbinden en door stukjes nationale soevereiniteit te offeren voor een hoger belang. Democratie, mensenrechten en een vrije markteconomie zijn er de gemeenschappelijke waarden van. In die zin is het zelfs een universeel project. “Wij verbinden geen staten, wij verenigen burgers”, zo schreef Jean Monnet in het begin van de jaren vijftig. Het gemis aan een duidelijke identiteit die deze principes overstijgt is geen gebrek maar juist een kracht. Dat is een belangrijk verschil met Europese nationalisten en conservatieven die het ‘historische’ Avondland willen bewaren. Ze jagen mensen angst aan en pleiten voor een behoud of zelfs terugkeer naar vroeger. Het ergste wat we kunnen doen ten aanzien van de Turken is de deur voor hun neus dichtslaan en elk perspectief voor hen op te blazen. Het is mijn persoonlijke mening dat juist het ontbreken van elk perspectief de voedingsbodem vormt voor fanatisme, extremisme en terrorisme. Zolang mensen perspectief hebben, hebben ze hoop en zullen ze zich kanten tegen extremisten die positieve ontwikkelingen in de weg staan. Neem elk perspectief weg en je geeft fanatici de kans om hun verderfelijke ideeën te verspreiden. Het liberalisme moet opnieuw in het offensief. We mogen het niet te grabbel gooien aan diegenen die het zo graag zouden laten opgaan in het conservatisme. Het liberalisme staat haaks op het conservatisme, dat onderkent ook de Franse filosoof Alain Finkielkraut: “…de conservatief, dat is de ander, degene die bang is, bang om zijn verworven voorrechten en voordelen te verliezen, bang voor de vrijheid, voor de open zee, het onbekende, de mondialisering, de emigranten, de flexibiliteit, bang voor de noodzakelijke veranderingen.” Friedrich Hayek maakte het verschil met het conservatisme duidelijk in zijn essay Why I am not a Conservative dat als postscript verscheen in zijn boek The Constitution of Liberty. Conservatisme duidt volgens Hayek op een aversie tegen verandering. Behoudsgezinde partijen trachten de burgers angst in te boezemen en teren op gevoelens van onzekerheid die elke vooruitgang veroorzaakt. Liberalen hebben vertrouwen in de kracht van het individu om zaken ten goede te veranderen. Dat betekent niet dat liberalen geen waarde hechten aan tradities. Tradities kunnen belangrijk zijn, maar ze mogen geen rem zijn op vooruitgang. In die zin zullen liberalen er alles aan doen om de obstakels voor emancipatie en een spontane en vrije groei uit de weg trachten te ruimen, ook belemmeringen die door de overheid worden opgeworpen. Voor een van mijn boeken gebruikte ik de titel Het menselijk liberalisme. Het ontlokte onmiddellijk de vraag of er zoiets bestaat als een onmenselijk liberalisme. Dat geloof ik niet. Ik wou alleen duidelijk maken dat in het liberalisme de mens centraal staat, alleen de mens en niets anders dan de mens. Niet de winst, niet de economie, niet de staat, niet het volk, niet een ras. Alleen de mens en zijn vrijheid om zelf keuzes te maken. Wat we nodig hebben is geen ruk naar links of naar rechts, geen ruk naar conservatisme of populisme, maar wel een meer offensief liberalisme. We moeten ons niet laten opjagen door opiniepeilingen, opiniemakers en kritiek van ideologische tegenstanders, maar vertrouwen op de kracht van onze eigen overtuiging. We mogen ons niet in de hoek laten drummen door mensen die het liberalisme misbruiken om hun eigen conservatisme, nationalisme, etnicisme, racisme of egoïsme een geur van waardigheid en beschaafdheid te geven. Zoals een Zjirinovski, voorzitter van de Liberale partij in Rusland, maar in feite een enge nationalist, zoals een Jörg Haider, voorzitter van de Vrijheidspartij in Oostenrijk, maar in feite een racist of zoals politici die het liberalisme willen smoren in het conservatisme. We moeten het begrip liberalisme opnieuw claimen en tot inzet maken van elke politieke keuze die gemaakt wordt. Waarbij we steeds de vraag moeten stellen: leidt die concrete maatregel tot meer vrijheid, tot meer creativiteit, tot meer emancipatie, tot meer kansen voor het individu om zelf invulling te geven aan zijn of haar levenslot, tot meer welvaart zowel voor mensen hier als voor mensen in andere delen van de wereld? Als het antwoord neen is dan moeten we dwars liggen. Als het antwoord ja is dan moeten we tot het uiterste gaan om het goed te keuren. Zo eenvoudig is dat. Ik ben ervan overtuigd dat zowel in Nederland als in België heel wat mensen de weg van het liberalisme willen inslaan. Maar dan moeten we ophouden onszelf in hokjes te plaatsen. Het liberalisme hoort niet in een hokje. Het richt zich tot eenieder. Wat we als liberalen moeten doen is niet zoeken naar wat ons scheidt, maar naar datgene wat ons bindt. Als we daarin slagen dan kan niets of niemand ons tegenhouden.
Dirk Verhofstadt Dirk Verhofstadt Linksmailto:verhofstadt.dirk@pandora.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|