Het werk van de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper vormt een belangrijke bron van inspiratie voor het liberalisme. Als joodse student filosofie, wiskunde en psychologie groeide hij op in het sociaal onrustige Wenen. Als scholier was hij nog een overtuigde marxist maar dat veranderde snel. Op het einde van de jaren dertig ontvluchtte hij de extreemrechtse dreiging van de nazi’s, keerde zich tegen elke vorm van totalitarisme, verwierp de communistische ideologie en werd met zijn boek The Open Society and Its Enemies een vurig pleitbezorger van een liberale en democratische ‘open samenleving’. Een samenleving van vrije burgers die het beleid van de staat kunnen toetsen, wijzigen en hun regeerders zonder bloedvergieten kunnen afzetten. Daarbij keerde hij zich tegen profeten als Plato, Hegel en Marx die een statische maatschappij voorstaan, wat onvermijdelijk uitloopt op onderdrukking van mogelijke veranderingen. Volgens Popper berust de vooruitgang in de maatschappij en de groei van kennis op vrije discussie en een stapsgewijze hervorming van de samenleving. Het is een duidelijk liberaal standpunt en dat beklemtoonde de spraakmakende filosoof ook. ‘I’am a liberal’, zo verklaarde hij in een van zijn laatste interviews.(1) Hoewel de totalitaire staat niet deugt, is onbeperkte vrijheid voor ieder individu volgens Popper eveneens onwenselijk. Hij redeneert als volgt: vrijheid betekent de vrijheid om alles te doen wat je wilt. Wie vrij is om alles te doen wat hij wil, is ook vrij om andere mensen van hun vrijheid te beroven. Ongelimiteerde vrijheid leidt dus tot slavernij. Om de vrijheid te beschermen moet de vrijheid aan banden worden gelegd.(2) In feite keert Popper zich tegen elke vorm van dogmatiek en derhalve tegen absolute uitspraken als zekerheid, waarheid en onbeperktheid. Voor hem zijn alle stellingen en visies hooguit hypothesen. Een stelling houdt maar stand voor zover ze niet wordt weerlegd door een tegenvoorbeeld. Zo blijft de stelling dat alle zwanen wit zijn maar overeind tot het moment dat er een zwart exemplaar opduikt. Hier ligt de basis van zijn falsificatietheorie die ook toepasbaar is op de politieke filosofie. Daarom staat Popper steeds wantrouwig tegenover mensen die stellen dat ze ‘heilig en definitief overtuigd zijn’ van iets. In die zin zat Francis Fukuyama er in zijn boek The End of History dan ook compleet naast toen hij het liberalisme beschouwde als de enige en finale overwinnaar op het ideologische front. In een interview met Der Spiegel in 1992 klasseerde Popper de uitspraken van Fukuyama als volgt: ‘Dit zijn slechts onzinnige uitspraken’.(3) Popper verwierp elk politiek en filosofisch denken dat uitging van haar eigen onfeilbaarheid. Leiders van totalitaire en fundamentalistische systemen baseerden zich op de absolute zekerheid van hun denken en handelen. Denk aan communistische partijvoorzitters als Lenin, Stalin, Mao en Pol Pot, aan fascistische heersers als Mussolini en Hitler, aan ayatollah Khomeini in Iran en zelfs aan de paus in het Vaticaan. Die laatste kreeg zijn onfeilbare status zelfs letterlijk op het Eerste Vaticaans Concilie in 1870. Onfeilbaarheid bestaat vooral binnen gesloten gemeenschappen waarin elke kritiek gesmoord wordt in naam van een hoger gezag en waar mensen leven zonder vrijheid van meningsuiting, zonder vrijheid van (on)geloof en zonder vrijheid van vereniging. Fundamentalisme en vermeende onfeilbaarheid gaan steeds hand in hand waarbij men geen oog heeft voor de misstanden die dit voor tal van inwoners tot gevolg heeft. Popper waarschuwde dat diegenen die ons het paradijs op aarde beloven nooit iets anders hebben voortgebracht dan de hel. Kritiek is voor Popper de belangrijkste weg om gevestigde ideeën door betere te vervangen. Niet dat we daarmee de ideale samenleving kunnen vestigen, maar wel om sociale misstanden te detecteren en op te heffen. Zijn afkeer voor elke vorm van onfeilbaarheid zou Popper vandaag ook in het geweer hebben gebracht tegen het huidige marktfundamentalisme. Zogenaamde neoliberalen en libertariërs ‘geloven’ dat de vrije markt, de absolute vrijheid en een onaantastbaar eigendomsrecht steeds en altijd leidt tot betere resultaten voor de mensheid. De realiteit heeft echter aangetoond dat dit niet klopt. ‘A free market without intervention does not and cannot exist’, aldus Popper.(4) Het onvoorwaardelijke geloof in de vrijheid en de vrije markt leidt vaak tot onverschilligheid voor mensen die omwille van ziekte, ouderdom of handicap niet mee kunnen in de samenleving, en zelfs tot een regelrechte aantasting van diezelfde vrije markt ingevolge monopolievorming. Een sterke overheid is nodig om de vrije markt te behoeden voor monopolies, oligopolies, trusts en prijsafspraken. Een sterke overheid is nodig om de rechtstaat te verdedigen en de veiligheid en dus de vrijheid van de burgers te waarborgen. Een sterke overheid is nodig om te zorgen voor een systeem van herverdeling zodat zieken, senioren en gehandicapten geholpen worden en kinderen alle onderwijskansen krijgen om hun talenten te ontwikkelen. Popper streefde alvast naar die noodzakelijke verbinding tussen de individuele en collectieve belangen. In zijn lezing The History of Our Time: An Optimist’s View die Popper op 12 oktober 1956 hield aan de Universiteit van Bristol somde hij een lijst op van pijnpunten die volgens hem als eerste uit de wereld moesten worden geholpen. Dat waren in deze volgorde: armoede, werkloosheid en andere vormen van sociale onzekerheid, ziekte en pijn, wreedheid in het strafrecht, slavernij en andere vormen van afhankelijkheid, godsdienstige discriminatie en rassendiscriminatie, gebrek aan onderwijsmogelijkheden, strenge klasse-onderscheidingen en oorlog.(5) ‘We must construct social institutions, enforced by the power of the state, for the protection of the economically weak from the economically strong’, schreef Popper.(6) Daarmee gaf hij duidelijk aan dat de basis van een democratische rechtstaat zowel vrijheid als rechtvaardigheid inhoudt, een stelling die later verder werd uitgewerkt door liberale denkers als John Rawls, Amartya Sen en Martha Nussbaum. Popper stond enorm kritisch tegenover elke overheid die beweerde de waarheid in pact te hebben. Niet voor niets ontvluchtte hij het aanstormende nazi-geweld in Oostenrijk om zich te vestigen in Nieuw Zeeland. Maar daarmee keerde hij zich niet tegen het bestaan en de noodzaak van een efficiënte overheid. Ook zijn boek The Poverty of Historicism vormt een belangrijke bijdrage tot het liberalisme.(7) Hij keerde zich met volle kracht tegen de theorie dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk ontwikkelt volgens vaste wetten, die kunnen worden ontdekt, naar een bepaalde eindsituatie, zoals het marxisme voorhield. Daarmee ging hij regelrecht in tegen filosofen en politici als Antonio Gramsci, Jean-Paul Sartre en Marcus Bakker. Het historicisme leidt volgens Popper tot een opstand tegen de rede en in die zin keerde hij zich ook tegen revoluties. ‘Het streven om de mensheid gelukkig te maken is heel gevaarlijk, zodra een aantal mensen het erover eens over de manier waarop dat moet gebeuren’, aldus Popper. ‘Als we de wereld niet opnieuw in het ongeluk willen storten, moeten we onze dromen over het gelukkig maken van de wereld opgeven. Maar we moeten desondanks toch wereldverbeteraars blijven – maar bescheiden wereldverbeteraars. We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij moeten we steeds de ogen open houden voor de onvermijdelijke ongewilde gevolgen van ons ingrijpen, die we nooit geheel kunnen voorzien en die maar al te vaak de balans van onze verbeteringen passief doet staan.’ De mens kan uit zijn fouten leren. Juist daarom – alleen al door de bereidheid tot trial and error – groeit onze kennis, vordert de wetenschap, aldus Popper. Hij droeg zijn boek trouwens op ‘ter herinnering aan de talloze mannen en vrouwen van alle geloofsovertuigingen, naties en volken, die het slachtoffer zijn geworden van het fascistische en communistische geloof in de Onverbiddelijke Wetten, die de loop van de geschiedenis zouden bepalen’. Dit inzicht is heel belangrijk. Het ‘kritisch rationalisme’ van Popper keert zich tegen elk ondemocratisch en onkritisch denken zoals we in de vorige eeuw hebben meegemaakt onder het communisme, het fascisme en het eng nationalisme. Het zou zich vandaag ook keren tegen het religieus fanatisme en tegen het marktfundamentalisme. Popper erkende dat de toekomst niet kan worden voorspeld. ‘De toekomst hangt af van wat wij doen. Wij dragen alle verantwoordelijkheid. Dus het is onze plicht, niet om het kwaad te voorspellen, maar om te vechten voor een betere wereld.’ Dat betekent niet dat hij de armen liet hangen, integendeel. ‘Optimism is a moral duty’, zo luidde zijn levensdevies. Daarmee bedoelde hij dat de toekomst open ligt, dat we er samen voor verantwoordelijk zijn en dat we er samen iets kunnen van maken. ‘So we have a duty, instead of predicting something bad, to support the things that may lead to a better future’, verklaarde hij in 1992.(8) Wie streeft naar meer vrijheid en rechtvaardigheid in deze wereld doet er goed aan de boeken van Popper te lezen. Nergens heeft hij gezegd dat zijn ideeën te nemen of te laten waren. Daarvoor was hij te kritisch en bij zijn dood hoopte hij dat zijn eigen ideeën verder aan de grootst mogelijke kritiek zouden worden onderworpen. Dat is inmiddels al veel gebeurd. Maar alsnog blijft zijn hypothese, dat de ‘open samenleving’ de beste is voor eenieder, standhouden.
Dirk Verhofstadt Dirk Verhofstadt Linksmailto:verhofstadt.dirk@telenet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|