What’s on, Watson?

column maandag 05 november 2007

Rik Rammeloo

‘What’s on?’, ‘Wat is er gaande?’, is mijn vraag aan de Amerikaanse professor James Watson, Nobelprijswinnaar en medeontdekker van de structuur van het DNA. Uiteraard heeft de vraag betrekking op zijn recente uitlatingen waaraan niet alleen ik, maar vele anderen met mij, zich hebben geërgerd. Zijn stelling, dat zwarten minder intelligent zijn dan blanken omdat bij deze laatsten ‘intelligentiegenen’ zouden voorkomen, die bij de eerst genoemden ontbreken, is niet alleen wetenschappelijk ongegrond, maar ronduit onethisch. Wetenschappelijk ongegrond omdat professor Watson zelf toegeeft dat men deze genen nog niet heeft gevonden. Onethisch omdat zij racistische vooroordelen bevestigt die volledig in strijd zijn met de rechten van de mens en de basisbeginselen van het liberalisme. Onder druk van de publieke opinie heeft hij inmiddels zijn standpunt afgezwakt met de bewering dat hij verkeerd begrepen en fout geciteerd zou zijn. Anderen vóór hem hebben in soortgelijke omstandigheden gepoogd met deze leugentjes om bestwil hun vroegere standpunten te ontkennen. Maar meestal zijn hebben die uitvluchten maar stand gehouden tot de originele klankopnames van het interview opdoken.

Daarenboven is professor Watson een allesbehalve onbesproken wetenschapper. Het ergste daarbij is dat de kritiek nu net betrekking heeft op zijn topprestatie, het ontrafelen van de structuur van het DNA, wat hem tot een wereldautoriteit heeft gemaakt. Niet de wetenschappelijke waarde of de juistheid van zijn ontdekking is voorwerp van kritiek, wel de gebruikte methode. Het is in wetenschappelijke kringen algemeen geweten dat de door hem voorgestelde structuur gebaseerd is op de onderzoeksresultaten van een collega, een onderzoekster die met bijzonder veel geduld en volharding massa’s röntgenstraaldiffracties op DNA-molecules heeft uitgevoerd. Het onderzoeksteam van Watson en Crick heeft deze resultaten ingepikt en ze zonder bronvermelding verwerkt in hun artikel dat hun de Nobelprijs heeft opgeleverd. Dit heeft plaatsgevonden vooraleer de betrokken onderzoekster haar resultaten zelf kon publiceren, ondermeer omdat zij toen reeds zwaar ziek was en een paar maanden later aan kanker is overleden. Deze intellectuele diefstal is sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw tot vandaag herhaaldelijk het voorwerp van kritiek geweest.

Het is diezelfde professor Watson die de momenteel opnieuw een negatieve pers krijgt, ditmaal voor zijn denigrerende opmerkingen over de zwarte medemens. Zijn stelling is niet gebaseerd op de ontdekking van specifieke genen, maar, voor zover wij uit zijn uitleg kunnen afleiden, op de resultaten van intelligentietests. Professor Watson gaat wel bijzonder kort door de bocht als hij uit deze resultaten het bestaan van specifieke genen afleidt.

Biologen en psychologen zijn het er sinds lang over eens dat intelligentie op een stevige erfelijke basis berust: zij is voor een niet onbelangrijk stuk gebaseerd op genen, maar alles wijst erop dat de wijze waarop deze genen tot uiting komen, sterk door het milieu wordt beïnvloed. Daarenboven is de wetenschap ervan overtuigd dat in een complexe eigenschap als intelligentie zeer vele genen (allicht meerdere tientallen) elk een kleine rol spelen, waarbij het globale eindresultaat berust op een veelheid aan interacties, zowel tussen deze genen onderling, als tussen al die genen en het milieu. Elk van die genen zou maar een klein stukje bijdragen aan één van de vele deelaspecten die samen de intelligentie vormen.

Het is dan ook uiterst onwaarschijnlijk, om niet te zeggen praktisch uitgesloten, dat die vele intelligentiegenen bij blanken wél en bij zwarten niet zouden voorkomen en het is nog minder waarschijnlijk dat het “raciale” genen zouden zijn. Deze “raciale” genen, die het verschil uitmaken tussen de verschillende “rassen” (een begrip waarvan ik huiver, want ik meen dat er maar één enkel ras bestaat, het menselijke), hebben alle betrekking op uitwendig zichtbare kenmerken die onder druk van de leefomstandigheden werden geselecteerd. Het zijn letterlijk “oppervlakkige” verschillen. Zo is de donkere huidskleur een typische aanpassing aan de tropenzon: iemand met een lichte huid maakt er veel kans vroegtijdig te overlijden aan melanoma, een bijzonder agressieve kanker, waardoor hij uiteindelijk minder nakomelingen heeft en de genen voor een lichte huidskleur na een aantal generaties uit de bevolking verdwijnen. In de tropen worden, in natuurlijke omstandigheden, mensen met een bleke huid uit de populatie weggeselecteerd. Daarom vinden wij een donkere huid niet alleen bij de Afrikanen, maar ook bij de bewoners van het Zuid Indische subcontinent en bij de Papoea’s, om maar een paar voorbeelden aan te halen.

Op hogere breedtegraden levert een bleke huid dan weer voordeel op: wie daar een te donkere huid heeft, maakt onvoldoende vitamine D aan, wat tot allerlei ziektes en een vroegtijdige dood kan leiden. De selectiedruk is er precies omgekeerd. Het typische kroezelhaar van de Afrikanen is een ander sprekend voorbeeld van een aanpassing aan hun specifiek milieu: geen enkel ander haartype geeft evenveel schaduw op de hoofdhuid en voorkomt daardoor oververhitting van de schedel. De spleetogen van vele Aziatische volkeren zijn dan weer een andere milieu-aanpassing. Dit kenmerk is ontstaan in de centraal Aziatische woestijnen als bescherming van het oog tegen het stof van de vele stofstormen. Momenteel is deze vroegere selectiedruk overal sterk afgezwakt: wij kunnen een bril opzetten tegen het stof; wij kunnen onze huid met kleding en een hoofddeksel beschermen tegen de tropenzon; mensen met een donkere huid kunnen nu tabletjes met vitamine D innemen.

Deze zogenaamde “raskenmerken” zijn dus enkel een aanpassing, door natuurlijke selectie, aan het milieu waarin de mensen tot nu toe hebben geleefd. Maar wat ook dat milieu is, intelligentie is steeds en in alle omstandigheden een positief kenmerk. Geen enkel milieu selecteert op lagere intelligentie, ook niet het Afrikaanse. Dat stemt overeen met mijn persoonlijke ervaring. In de 19 jaar dat ik in centraal Afrika aan zwarten heb lesgegeven, heb ik op geen enkel ogenblik vastgesteld dat zij minder intelligent zouden zijn dan blanken. In een groep zwarte leerlingen vindt men precies dezelfde intelligentiespreiding als in een groep blanke: dezelfde typische klokcurve. Geen verschil, noch in de ene, noch in de andere zin. De leden van Liberales zullen na hun ontmoetingen met Ayaan Hirsi Ali het met mij eens zijn hoe dwaas het is te beweren dat Afrikanen niet even intelligent kunnen zijn als wij.

En toch schijnen, volgens professor Watson, sommige intelligentietests te wijzen op een lagere intelligentie van de zwarte medemens. Alleen: ligt dit aan de geteste personen of aan de gebruikte tests? Ik ben ervan overtuigd dat de tests de schuldigen zijn. Intelligentie is een zo complex geheel met zovele deelaspecten dat een test maar een gedeelte ervan kan meten. Hoe voorzichtig men met dergelijke tests moet zijn bewijst het volgende voorbeeld. Eén van de deelaspecten van intelligentie is het ruimtelijk inzicht. Nu blijken mannen op dit onderdeel van de “intelligentie” gemiddeld beter te scoren dan vrouwen. Aan de grondslag ervan blijkt effectief een verschil in organisatie tussen de mannelijke en de vrouwelijke hersenen te liggen. Betekent dit dan dat mannen intelligenter zouden zijn dan vrouwen? Helemaal niet, want op andere deelaspecten van de intelligentie, zoals taalvaardigheid, scoren vrouwen gemiddeld veel beter dan mannen. De intelligentie van mannen en vrouwen is weliswaar verschillend, maar in zijn geheel genomen volledig gelijkwaardig.

Een soortgelijk probleem doet zich voor wanneer men intelligentietests die oorspronkelijk op punt zijn gesteld voor een Europese of een Amerikaanse bevolking, gaat gebruiken in Afrika. Daar blijken zij onaangepast en heel wat Afrikanen scoren er minder goed op dan blanken. Het is ongetwijfeld niet moeilijk om intelligentietests te bedenken die peilen naar vaardigheden die voor Afrikanen in hun natuurlijk milieu onontbeerlijk zijn om te overleven, en waarop de blanken dan weer minder goed presteren. Om het concreter te stellen: het ruimtelijk inzicht van de Bosjesmannen moet zeker niet onderdoen voor dat van Europeanen, maar het werkt verschillend. Een Bosjesman heeft moeite zich te oriënteren in een moderne grootstad, maar wij verdwalen onherroepelijk in de Namib-woestijn, waar hij steeds zijn weg terugvindt. Aan de grond ervan ligt een andere organisatie van het ruimtelijk inzicht. Het vermogen tot ruimtelijk inzicht, dat bij de geboorte aanwezig is, wordt door de opgedane ervaring verschillend ingevuld.

Op Europese of Amerikaanse tests die peilen naar ruimtelijk inzicht, scoren de meeste Afrikanen slechter dan wij. Beperkt men zich bij de test tot zwarten die in een Afrikaanse grootstad zijn geboren en opgegroeid, dan is van verschil nog nauwelijks sprake. De Afrikanen met zwakke resultaten blijken zij te zijn die zijn opgegroeid in traditionele dorpen met ronde hutten en koepeldaken, allemaal afgeronde vormen. Wij, daarentegen, groeien op in een wereld van rechte lijnen, waarvan vele elkaar onder een rechte hoek kruisen (zoals bij onze ramen of deuren). Die ervaring uit onze vroegste kinderjaren drukt een blijvende stempel op hoe wij ruimtelijke patronen waarnemen en analyseren en onze tests voor ruimtelijk inzicht zijn daarop gebaseerd. Dit verklaart meteen waarom Afrikanen die in een gelijkaardig milieu zijn opgegroeid, op die tests even goed presteren. Het is net daarom dat elke intelligentietest (niet alleen die voor ruimtelijk inzicht die hier als voorbeeld wordt gegeven, maar ook alle andere), steeds moet worden herijkt binnen de doelgroep, vooraleer op grote schaal te worden gebruikt.

Daar wringt ongetwijfeld het schoentje bij de ‘vaststellingen’ van professor Watson. Hij is zonder de minste twijfel een wereldautoriteit op het vlak van genen, maar niet, of zeker niet in dezelfde mate, voor intelligentietests. In plaats van zijn besluiten te baseren op genen die effectief in het erfelijk materiaal van de mens zijn gevonden, zijn specialiteit, heeft hij ze afgeleid uit intelligentietests die perfect aangepast zijn aan een Amerikaanse of Europese situatie, maar in Afrika ongeschikt zijn. Schoenmaker blijf bij uw leest!

Een dergelijke werkwijze is niet alleen wetenschappelijk ongegrond, zij is ook volkomen onethisch en daardoor afkeurenswaardig. Zij tast de zwarte medemens in zijn waardigheid aan en versterkt, op een totaal ongefundeerde wijze, de raciale vooroordelen. Voor mij als liberaal blijven alle mensen gelijkwaardig, ook al bestaan er ongetwijfeld verschillen (zoals tussen mannen en vrouwen), maar deze verschillen compenseren elkaar, zodat de globale intelligentie als gelijkwaardig moet worden beschouwd.

Ik kijk met grote nieuwsgierigheid uit naar het boek van professor Watson, maar op basis van wat hij tot nu toe reeds heeft verklaard, is het zeer waarschijnlijk dat de publicatie zal bevestigen waar het probleem zit, namelijk bij de gebruikte intelligentietests, die onvoldoende neutraal en universeel zijn om overal vergelijkbare resultaten op te leveren.



Rik Rammeloo

Rik Rammeloo

Links
mailto:rik.rammeloo@onssrszlss.fgov.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be