Liberalisme, neoliberalisme en de kredietcrisis

essay vrijdag 19 december 2008

Frank Ankersmit

Tot voor kort dachten we van politiek links tot politiek rechts dat je de economie – d.w.z. de private sector – geheel aan zichzelf over moest laten. Staat en politiek, d.w.z. de spelers op het publieke domein, konden het ragfijne spel van de economie immers alleen maar verstoren. Met de kredietcrisis bleek dat een fatale illusie. Met als gevolg dat Staat en politiek nu voor een uitdaging kwamen te staan waar zij noch praktisch noch theoretisch op waren voorbereid. De kredietcrisis is daarom niet alleen een economische, maar vooral ook een politieke crisis. Misschien wel onze grootste politieke crisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Want wat 1989 was voor het Sovjetblok, is 2008 voor de Westerse liberale democratieën. Dat ziet men nog onvoldoende in. Het financiële kapitalisme van de afgelopen tien tot vijftien jaar verhief de verzekeringsmaatschappij tot model van heel ons financieel systeem. Het werd nu mogelijk om je tegen beleggingrisico’s te verzekeren, zoals je je altijd al tegen brand kon verzekeren bij brandverzekeringsmaatschappijen. Op het eerste gezicht het mooiste wat zich denken laat: je belegt en tegen de risico’s ervan kan je je weer indekken. Maar zo is het helaas niet. Daartoe het volgende.

Die beleggingsrisico’s binnen het huidige financiële kapitalisme worden uiteraard bepaald door van het reilen en zeilen van heel dat financiële systeem. Het berekenen ervan (en van de te betalen premies) vereiste daarom niets minder dan een zo betrouwbaar mogelijk model van heel dat globale economische systeem, alsook de grootste wiskundige sophistication om de relaties tussen alle variabelen binnen dat model adequaat in kaart te brengen. Met brand- of schadeverzekeringen ligt dat uiteraard wezenlijk anders. Op basis van de gegevens over brandschade van de afgelopen jaren valt het aantal brandschades voor volgend jaar immers vrij nauwkeurig te berekenen en daarmee ook de door verzekerden te betalen premies. De meest elementaire statistiek is daartoe voldoende. Maar doordat heel het globale economische systeem de enige solide basis is voor de berekening van beleggingsrisico’s, haalde men een nieuw en levensgevaarlijk element binnen. Vaak zegt men dat het verschil tussen risico en onzekerheid daaruit bestaat dat risico’s berekenbaar zijn, terwijl onzekerheid sui generis onvoorspelbaar is. En dan kan je zeggen dat je in het geval van de brandverzekering inderdaad met risico’s te maken hebt, terwijl het moderne financiële kapitalisme daarentegen de onzekerheid introduceerde in ons financieel systeem.

Immers, de berekening van verzekering tegen beleggingsrisico’s geschiedt op basis van een model van heel het globale economisch systeem. Op basis van dat model kan je inderdaad individuele risico’s in principe berekenen – dat valt niet te betwijfelen en daar is het model ook voor bedoeld. Maar het model staat niet garant voor zijn eigen correctheid. Anders gezegd, het risico dat je loopt met dat model als zodanig is per definitie niet met dat model zelf te berekenen. Want de hier doorslaggevende factoren liggen uiteraard buiten dat model zelf. Het model spreekt zich niet uit over de invloed van factoren die wel in de werkelijkheid bestaan, maar niet in het model werden opgenomen – denk aan een oorlog of het IQ van George W. Bush. Maar die factoren werden nu wel bepalend voor de betrouwbaarheid van op het model gebaseerde berekeningen en voorspellingen. De paradox is daarom dat men met het verlangen risico’s maximaal nauwkeurig te berekenen juist het domein van de berekenbare risico’s verliet voor dat van de onvoorspelbare en onberekenbare onzekerheid. Verzekeren werd nu gokken, namelijk de gok dat het model een correcte weergave zou zijn van het globale financiële economisch systeem.

En dat betekende weer dat men in de praktijk niet binnen het model te verklaren veranderingen van het systeem uitsloot. Want als je ruimte zou laten voor dergelijke veranderingen, dan zou je in feite het tekort van het model erkennen. Die gok waar ik het zojuist over had, is daarom in wezen de gok op de onverwoestbaarheid van het bestaande financieel economisch systeem. Alle op basis van het model van het financiële systeem berekende risico’s werden aldus geaccumuleerd binnen de gok op de onverwoestbaarheid van dat systeem. Kortom, hoe nauwkeuriger men rekende aan ons bestaande financiële systeem, hoe meer men de grenzen van dat systeem ging verkennen en hoe dichter men hij die grenzen in de buurt kwam, hoe groter en riskanter die gok werd. Daar ligt de hybris van onze wiskundige economen. Zij zochten de grens op van wat in de economie berekenbaar is en betraden daarmee, ongewild, juist het terrein dat buiten die magische grens ligt. Over de gevolgen van die hybris lezen we nu dagelijks in de kranten. Dat krijg je als je al je eieren in één mandje legt.

Er is een Chinese parabel die het mooi symboliseert. Er was eens een rijk man die zijn vele bezittingen tegen diefstal wilde beschermen. Zijn geld en kostbaarheden verborg hij op verschillende plaatsen. Dat verhinderde niet dat dieven soms zo’n plaats toch ontdekten en er met het daar verborgen geld vandoor gingen. Dat verdroot de rijke man zeer. Hij liet daarom een heel grote brandkast bouwen waar hij al zijn kostbaarheden in opborg, of ‘accumuleerde’, om de juiste terminologie te gebruiken. Pas nu voelde hij zich ‘verzekerd’ tegen diefstal. Inderdaad was hij nu tegen de kleine dieven beschermd. En hij was zeer gelukkig. Maar toen kwam de Grote Dief die de hele brandkast stal, met alles wat daar inzat. Die Grote Dief is vannacht bij ons langs geweest. De kredietcrisis, en alles wat daarmee te maken heeft, gaat over de economie en over geld. Geld is iets heel erg moois – het valt niet te ontkennen. Je kan er status en invloed mee kopen, een mooi huis, comfort, zekerheid voor je oude dag, voor je kinderen, en ga zo maar door. Geld is zelfs beter dan politiek. In de eerste plaats, wat je voor geld niet krijgen kan - zoals levensgeluk, intelligentie, jeugd, een gelukkig huwelijk - dat kan de politiek je ook niet geven. Maar in de tweede plaats, over je geld kan je zelf beschikken, terwijl je in de politiek altijd te maken hebt met anderen, wat alles mateloos compliceert en waardoor in de politiek veel in de soep loopt wat wel goed gaat zolang je maar over je eigen geld kan gaan. De vraag rijst daarom of we de politiek niet op het geld kunnen modelleren. Dat zou een grote stap vooruit zijn. Dat nu is de basisgedachte van het neoliberalisme.

Hoe doe je dat? Het idee van de verzekeringsmaatschappij is ook hier nuttig – en daarmee krijgt bovenstaand betoog over de financiële markten ook betekenis voor het politieke conflict tussen neoliberalisme en liberalisme. Want zijn Staten eigenlijk niet een soort van verzekeringsmaatschappijen die ons verzekeren tegen moeilijk elders te verzekeren risico’s, zoals oorlog, onveiligheid, werkeloosheid of ziekte? Daar zit veel in. En je kan zeggen dat traditioneel natuurrechtelijke redenaties als die van Hobbes, Spinoza of Locke – die men vaak associeert met de geboorte van het liberalisme – eigenlijk ook steeds werkten met dat model van de verzekeringsmaatschappij. Het contract dat wij volgens Hobbes indertijd sloten met de monarch verzekert ons tegen de ongemakken van de natuurstaat. Dat model biedt ons ook een mogelijkheid om een oordeel te vellen over de performance van de Staat en om de kwaliteit van zijn functioneren vast te stellen. En ook dat stemt overeen met de logica van het natuurrecht. Binnen die logica is de Staat eigenlijk een verzekeringsmaatschappij met een nogal rommelige polis en waarvan vooral de premie – d.w.z. de belastingen die we moeten betalen – bepaald hoog uitvalt. Er blijft bij de Staat nogal eens wat aan de strijkstok hangen.

Zien we de zaak zo, dan valt er aan die nationale verzekeringsmaatschappij (die de Staat eigenlijk is) heel wat te verbeteren. Bijvoorbeeld, zouden we al onze risico’s – vrede, veiligheid, bereikbaarheid, ziekte, gebrek aan adequate scholing etc. – niet eerst eens netjes uit moeten splitsen, daar allemaal individuele verzekeringsmaatschappijen voor moeten instellen en waarmee we dan vervolgens scherp onderhandelen over de verschuldigde premie? Het is zowel duur als onpraktisch om dat allemaal bij één enkele instantie – de Staat – te blijven parkeren. Te meer daar sommigen op lang niet al die afzonderlijke verzekeringsmaatschappijen een beroep zullen willen doen. Hoe rijker je bent, hoe minder behoefte je hebt aan die verzekeringsmaatschappijen. Wie rijk is, kan riskant leven. Zo zit dat.

Aldus de neoliberale gedachtegang. Vandaar die ongeremde neoliberale privatiseringsdrang van voormalige overheidstaken als spoorwegen, de post, energievoorzieningen, de gezondheidszorg, van pensioenen, woningbouw, sociale voorzieningen, welzijn of zelfs van het onderwijs. Verzekeraars nemen op alle mogelijke terreinen die voormalige Staatstaken over. Dat alles culmineert in de – ogenschijnlijk zeer liberale – overtuiging dat er dan uiteindelijk weinig meer te doen overblijft voor de Staat. Hooguit resten dan nog terreinen als vrede en veiligheid; hoewel je zelfs daarvoor bij Halliburton en Blackwater terecht kan. En als we ons niet laten opjagen door typisch Amerikaanse paranoïde angsten als voor het internationale moslimterrorisme, voor Russisch revanchisme en voor een Chinese greep naar de wereldmacht, dan kunnen we zelfs op die kosten voor vrede en veiligheid nog flink bezuinigen. Weg dus met de Staat, en lang leve al die verzekeringsmaatschappijen die zijn plaats zullen innemen! Eindelijk zijn we dan heer en meester over ons eigen lot, voor zover dat tenminste realiseerbaar is in een complexe samenleving van lastige en eigengereide homines sapientes.

Maar die neoliberale gedachtegang is in strijd met de essentie van het liberalisme. Want in het liberalisme is de Staat wezenlijk meer dan alleen maar een onoverzichtelijke en inefficiënte verzekeringsmaatschappij. De neoliberale Staat als een superieure verzekeringsmaatschappij laat alleen ruimte voor private belangen. Een verzekeringsmaatschappij dekt immers alleen private belangen: zelfs wanneer het gaat om de belangen van alle tegen brand verzekerden, dan is dat collectieve belang toch niets meer dan een conglomeraat van zuiver private belangen. Meer in het algemeen, wie met het neoliberalisme de verzekeringsmaatschappij ziet als model voor de Staat, die zal steeds het algemene of publieke belang tot zuiver (verzekerbare) private belangen willen reduceren. Het publiek belang is in die visie op een collectivistische, zoniet proto-totalitaire illusie. En daarmee voor de consequente neoliberaal een constante bedreiging van de individuele (keuze-)vrijheid. Het neoliberalisme bepleit daarom de volstrekte egocentriciteit van de burger en betoogt dat wij de samenleving niet anders moeten bezien dan vanuit het perspectief van onszelf. En waarbij ik beklemtoon dat egocentriciteit een veel grotere ondeugd is dan het egoïsme, omdat egoïsten, anders dan egocentrische mensen, het gezicht van de ander heel goed kennen. Zonder dat komt de egoïst nowhere – en hij weet dat. In de politiek is iedereen van nature egoïst. En daar is ook niks mis mee, zolang men zichzelf en de ander maar kent, plus de context waarin men met elkaar te maken heeft, en op basis daarvan weet wanneer het moment gekomen is om water in de wijn te doen. Aldus de kortste definitie van de politiek die ik bedenken kan. Neoliberalen hebben daarentegen vaak veel op met speltheorie en rational choice theory. De van alle concrete inhoud ontdane individuen die men in die constructies ten tonele voert zijn eerder egocentrisch dan egoïstisch. Karakteristiek is dat ze nooit iets van elkaar blijken af te weten; de individuen zijn daar volstrekt vensterloze monaden. In één woord, de mens van het liberalisme is de mens zoals wij die kennen met al zijn aardige en ook minder aardige trekjes (zoals egoïsme); de mens van het neoliberalisme is een autistische machine.

Tegen de neoliberale gedachtewereld kan men een praktisch en theoretisch argument inbrengen. Het praktische argument brengt ons weer bij de kredietcrisis. Het neoliberale economische model verruilde voorspelbaarheid voor gokken en veroorzaakte aldus de kredietcrisis. Maar wie moest het puin van de kredietcrisis weer opruimen? Heel juist ja: de Staat. Zonder de Staat hadden we nu een financiële melt-down gehad waarbij de depressie van 1929 kinderspel was geweest; en misschien waren we over een paar jaar weer holbewoners geworden. We moeten trouwens nog maar afwachten hoe erg het allemaal worden gaat de komende tijd. Het is daarom maar heel goed dat we nog een Staat als buffer hebben tegen ons onheil, dat we het publieke belang nog niet helemaal oplosten in private belangen en dat we de Staat nog niet helemaal neoliberaliseerden. Daardoor kan juist de liberaal ons nog uit het neoliberale moeras helpen.

Dan het theoretische argument. Waarom zou er überhaupt zoiets zijn als een publiek belang? Dat kan je je inderdaad afvragen. Waarom zou dat publieke belang niet altijd reduceerbaar zijn tot zuiver private belangen? Meer in het bijzonder, introduceert die notie van het publieke belang niet een heer en meester in ons publiek systeem die van ons, als individuele burgers, geen weet heeft? En laten we daarmee de totalitaire demon niet opnieuw los op onze samenlevingen? Kortom, hoe kan er een publiek belang zijn dat niet uiteindelijk tot strikt private belangen te reduceren is? En dat zich daarmee in feite opheft? Dat brengt ons tot de kern van de zaak. De Amerikaanse politieke filosoof Thomas Spragens gaf de volgende karakteristiek van de werkwijze Hobbes in zijn uit 1651 daterende Leviathan, misschien wel het beroemdste boek uit heel de geschiedenis van de politieke filosofie: ‘The present political situation from which I begin my analysis, he (d.w.z. Hobbes) might say, is rather like the situation of a broken watch. The watch repairman, when he comes to fix it, must take it apart and put it back together properly, with the parts arranged this time in accordance with their nature. In the same way, Hobbes would argue, I have come upon a society broken and disordered by civil strife, taken it apart into its fundamental constituent parts, and imaginatively recomposed it into an ordered whole which is consonant with the nature of those parts’.

Wie zou niet onder de bekoring raken van deze gedachte? Hoe kunnen we het anders zien: eerst inzicht in de menselijke natuur; en daarna op basis daarvan een constructie van hoe de menselijke samenleving eruit zal moeten zien. Zo dat die even perfect marcheert als een goed lopend uurwerk. Vooral economen zullen zich aangetrokken voelen tot een dergelijke conceptie. Wat niet verwonderlijk is. Toonde Joseph Schumpeter in zijn boek over de geschiedenis van het economisch denken al niet hoe natuurlijk en vanzelfsprekend de ‘wetenschap’ van de economie zich bij Adam Smith ontwikkelde uit natuurrechtelijke speculaties als die van Hobbes’ Leviathan? Het 17de en 18de eeuwse natuurrecht is nog steeds onder ons in de vorm van de sociale wetenschappen – en met name van die van de economie. En dan nog, men hoeft geen natuurrecht-theoreticus of econoom te zijn om te bezwijken voor de schoonheid van het Hobbesiaanse klokkenmakersmodel.

Maar het model is onjuist. Het veronderstelt immers dat het met de menselijke samenleving net zo gesteld is als met de onderdelen van een kapotte klok. Namelijk, dat die in principe allemaal zo in elkaar, en zo op elkaar afgesteld kunnen worden dat het resulteert in een goed lopend uurwerk. Maar waarom zou dat zo zijn? Wie zou daarvoor gezorgd, of dat verordonneerd hebben. De God van de economen soms? Kom nou! Stel dat de onderdelen die de klokkenmaker aangeleverd kreeg, de onderdelen waren van een wekker, van een kerkklok, van Uw horloge en van de pendule van Uw tante. Dan kan die klokkenmaker tot het einde der tijden aan die onderdelen blijven sleutelen, zonder dat dat ooit een goed lopend uurwerk oplevert. Wie garandeert ons dat het met mensen en samenleving niet net zo is? Zoals Kant al suggereerde met zijn ‘der Mensch ist ein so krummes Holz, dass daraus nichts ganz Gerades gezimmert werden kann’. Het idee dat het anders zou zijn, is een metafysische illusie waar economen en neoliberalen gaarne in geloven, maar die au fond niets meer is dan een onbewezen aanname. De zogenaamde ‘wetenschap’ van de economie is daarom een politieke metafysica, zoals het natuurrecht dat ook al was en gebaseerd op metafysische ficties zoals die van de homo economicus of die van de modellen van de rational choice theoryw. Die hebben allen gemeen dat zij wel modellen bieden voor verklaring, maar zelf geen verklarende kracht hebben. Zoals ook met het beruchte ‘covering law model’ van Hempel al het geval was. Aldus maken allerlei materiele assumpties over het menselijk gedrag hun entree in de economie, die zelf niet empirisch toetsbaar zijn (zoals nota bene Milton Friedman in zijn befaamde methodologische opstel uit 1955 ruiterlijk erkend had). Daar dan ligt de metafysica van de zogenaamde ‘wetenschap’ van de economie. We zijn dat vergeten omdat er in de economie ontegenzeggelijk heel wat empirie steekt; maar dat geldt voor vrijwel alle metafysische systemen. Neem Marx’s theorie over de ondergang van het kapitalisme. Die theorie staat bol van de empirische feiten en die je zelfs binnen een wiskundig model kan vatten, als je dat zou willen - en toch is het metafysica. Zo zijn we eveneens vergeten dat bouwen op metafysica is als bouwen op drijfzand. En daar zitten we dan.

Kortom, zolang die metafysische aannames onbewezen blijven, zolang mogen we niet uitgaan van de intrinsieke harmonie van alle private belangen en daarmee van de reduceerbaarheid van het algemene publieke belang tot private belangen. Het publieke belang behoudt dan onverkort zijn eigen status tegenover het private belang, de Staat de zijne tegenover die van de samenleving en de politiek behoudt dan zijn prioriteit ten opzichte van de economie. Daar ligt het tekort van Adam Smith’s metafoor van de ‘invisible hand’. En anders dan zijn neoliberale vereerders, was Smith zelf zeer goed op de hoogte met de beperkingen van die metafoor. Het is één ding om te zeggen dat er in de economie veel meer gedeelde belangen zijn dan wij op het eerste gezicht gedacht hadden (Smith); maar een héél ander ding om vol te houden dat daar überhaupt geen belangentegenstellingen zouden zijn (de neoliberalen). In deze non sequitur ligt de kortzichtigheid van het neoliberalisme, en van de illusie dat we de politiek voor de economie zouden moeten vervangen. Maar er zijn conflicten die zich economisch niet weg laten masseren en waar alleen een politieke beslissing de doorslag kan geven. En waar Cicero reeds op wees toen hij de taken van de Staat tweeduizend jaar geleden omschreef als 1) de realisering van de rechtvaardigheid en 2) die van het algemene belang.

In de geschiedenis van het liberalisme kan je rond 1800 een beslissende cesuur aanwijzen. Het liberalisme van vòòr 1800 was nog voornamelijk defensief: het wilde vooral een private sfeer demarkeren die vrij zou zijn van de grillen van absolute monarchen. We danken daaraan de notie van de burgerlijke vrijheden. Voor de ondernemende burger betekende dat bovenal dat de Staat van de absolute monarch met zijn brutale en bemoeierige vingers af moest blijven van handel en industrie. Het nog defensieve liberalisme van voor 1800 was daarom van nature sterk economisch gericht, pleitbezorger van vrijhandel, het had überhaupt geen boodschap aan de (nationale) Staat en had een a- of zelfs antipolitieke instelling. Politiek was immers het domein van die onverantwoorde absolute monarchen. Het wilde liefst kunnen leven alsof de Staat niet bestond en dat die dus sowieso zo klein mogelijk zou zijn. Men herkent hierin gemakkelijk de contouren van het hedendaagse neoliberalisme en (helaas!) van de huidige VVD. Alleen, waar het 18de eeuwse defensieve liberalisme weinig anders restte dan te berusten in het bestaan van de Staat, daar zette het neoliberalisme met een agressief privatiserings- en verzelfstandigingsprogramma de aanval in op de Staat. Het is alsof het neoliberalisme alsnog wraak wilde nemen op de absolute monarchie die nu al twee eeuwen morsdood is.

Dat veranderde na 1800. De liberalen hadden nu de Staat veroverd op de absolute monarchie en het was hun hoge taak die in te richten. Dat vereiste denkarbeid. Denkarbeid waaraan in Engeland minder behoefte was dan op het Europese Continent omdat de overgang van absolute monarchie naar een liberale parlementaire democratie zich daar in anderhalve eeuw langs wegen der geleidelijkheid voltrok. Maar in Frankrijk, en elders op Europese Continent lag dat anders. Hier ontkwam men er niet aan om de politieke ervaringen sinds 1789 nauwkeurig te doordenken en om de resultaten van die denkarbeid te verwoorden in scherpe, begrijpelijke en praktisch toepasbare conclusies. Het defensieve, op de economie gerichte liberalisme van voor 1800 werd aldus verruild voor een scheppend liberalisme, dat met zelfvertrouwen vorm gaf aan de Staat en aan zijn relatie tot de samenleving. Daar ligt ook het grote belang van het Franse liberalisme van het begin van de 19de eeuw.

Centraal stonden daarbij twee dingen. Allereerst, de politieke vrijheid, d.w.z. het recht om deel te nemen aan de publieke besluitvorming, werd nog niet of slechts voorzichtig opgeëist in de 18deeeuw. Voor 1800 was de liberale politieke filosoof doorgaans bereid genoegen nemen met alleen de burgerlijke vrijheden – zelfs in Engeland. Tekenend is John Locke’s notie van ‘government by consent’ en waar het initiatief voor de politieke besluitvorming , zoals de frase zelf al aangeeft, nog geheel aan de vorst gelaten werd. De politieke vrijheid was vooralsnog een belofte. In Continentaal Europa ging het veel abrupter dan in Engeland. Voor 1789 was politieke vrijheid een illusie. Maar na 1815, en vooral na 1830 werd in Continentaal Europa de liberale burgerij de onomstreden baas in eigen huis. De Staat was nu voor het eerst te zien als de drager en uitdrukking van de nationale wil. De burgerlijke vrijheid werd nu gecomplementeerd met de politieke vrijheid. En die politieke vrijheid werd nu drager en symbool van het vermogen van de burger om zijn politiek-sociale wereld zo in te richten, als hem redelijk en wenselijk leek. Iedere stap die men in die richting deed vereiste de Staat. De Staat is immers het enige legitieme instrument om onze collectieve politieke te realiseren. Daarbuiten is er geen ander.

Het liberalisme van na 1800 omarmde daarom ook de notie van de nationale Staat. Niet uit nationalisme, maar vanuit het volstrekt juiste besef dat wij eerst met, en dankzij de Staat de sociaal-politieke orde kunnen realiseren die wij rechtvaardig en wenselijk achten. ‘L’ état, c’est nous’, om Lodewijk XIV te parafraseren; en wantrouwen tegen de Staat is het wantrouwen van de eigen collectieve wil en daarmee in strijd met heel het idee van de democratie zelf. Absolute voorwaarde is wel dat we de democratische Staat steeds in optimale conditie houden. Juist daar valt nog een wereld te winnen, want dat hebben we grandioos verwaarloosd. In één woord, het liberalisme werd na 1800 etatistisch door de onverbrekelijke band tussen (politieke) vrijheid en Staat. En dus niet, althans niet noodzakelijkerwijs, door Romantische dromerijen over de mythe van de natie etc., maar door de volstrekt juiste observatie dat eerst de natiestaat ons in staat stelt om in vrijheid en in verantwoordelijkheid vorm te geven aan de wereld waarin wij leven - en onze kinderen na ons.

In de tweede plaats gaf juist dit de grootste urgentie aan de vraag naar de soevereiniteit die men zojuist aan de absolute vorst ontnomen had. Door de ervaringen met de Terreur was men in de jaren na 1800 huiverig geworden voor de volkssoevereineit en, zoals elders, zochten de scheppende liberalen ook hier naar het ‘juste milieu’. Dat vonden zij in de zogenaamde ‘soevereiniteit van de Rede’ (het begrip werd gemunt door de staatsman en politieke theoreticus François Guizot, die leefde van 1787 tot 1874). Op het eerste gezicht mag dat een politiek-filosofische mystificatie lijken. Maar zo is het toch niet. De pointe van de notie was dat niemand kon claimen de Rede in zijn bezit te hebben en dat hetzelfde dan ook voor de soevereiniteit gold. Dat verhindert uiteraard niet dat men daar wel altijd naar op zoek moest blijven. De politieke representatie was het instrument waarop men zich daarbij verlaten moest.

Het gaat er nu om dat geen enkele private partij – zelfs niet geheel het electoraat als de som van alle private partijen tezamen – de soevereiniteit voor zich op zou kunnen eisen. De soevereiniteit kan men daarom zien als een ‘lege plek’ in ons politieke systeem, om Claude Lefort’s terminologie te gebruiken. ‘Leeg’ in de zin dat geen enkele private partij de autoriteit bezit om er inhoud aan te geven, of om zich die ‘plek’ toe te eigenen. Aldus ontstond een scherpe scheiding tussen publiek en privaat, tussen Staat en samenleving. Een scheiding die ook de Nederlandse liberaal Thorbecke zag als voorwaarde voor, en fundament van de liberale politieke orde. Publieke verantwoordelijkheden mochten nu niet meer in private handen gelegd worden – en het is hier dat het liberalisme radicaal brak met de praktijken van het feodalisme en van het Ancien Régime, waar publieke bevoegdheden privaat bezit konden zijn. Het publieke domein werd radicaal ‘ge-ontprivatiseerd’. Het neoliberalisme wil daarentegen weer terug naar de privatisering van het publieke domein en bepleit daarom in feite een terugkeer naar het feodalisme dat de privatisering van publieke bevoegdheden tot politiek systeem had verheven. Het scheppend liberalisme van na 1800 ziet juist naar de toekomst en heeft het publiek belang daarbij als kompas.

Het neoliberalisme is even naïef als gevaarlijk. Het is naïef omdat het de even verstrekkende als contra-intuïtieve metafysica aanhangt van de intrinsieke harmonie van alle (private) eigenbelangen. Het is gevaarlijk omdat dergelijke theoretische blunders in de praktijk rampzalige gevolgen kunnen hebben. In dat licht moet men de kredietcrisis bezien. De intrinsieke harmonie van alle private eigenbelangen bleek een illusie te zijn. Velen – waaronder Alan Greenspan, de onlangs van zijn voetstuk gevallen hogepriester van het neoliberalisme – gingen daarbij zelfs zover te zeggen dat de kredietcrisis de empirische weerlegging zou zijn van het dogma ‘dat de markt altijd gelijk heeft’. Maar zo is het toch ook weer niet. In de eerste plaats is er het harde gegeven dat er niets ‘markt-vreemds’ is aan de kredietcrisis. Die heeft zich op, en door de markt voltrokken. De markt zelf toonde dat men met het financiële kapitalisme op de verkeerde weg was. Er is dus in het geheel geen sprake van markt-falen! In de tweede plaats, onder het neoliberale regime werd zeer veel geknoeid met de markt en waardoor het 1) nodeloos lang duurde voordat wij de lessen van de markt herkenden en leerden en 2) waardoor de prijs daarvoor zo buitensporig hoog werd. Want iedere keer wanneer de markt zich ‘roerde’ en zich daar een financiële crisis aandiende, blies Greenspan weer een nieuwe luchtbel in het financiële systeem. Kortom, niks ‘vrije markt’, niks ‘tucht van de markt’, waar de neoliberalen altijd zo hoog van opgaven! Hadden we dat maar gehad! Zelden werd de markt zo gemanipuleerd als onder het neoliberalisme. In die zin is de huidige omarming van Keynes lang niet zo nieuw als die lijkt.

Ondertussen accumuleerden al die crises tot één supercrisis en waartegen geen bel meer te blazen viel. Zelfs niet door alle Greenspan van de wereld. Daar zit ook deze kant aan. De kredietcrisis was, zoals we zagen, het gevolg van risicoaccumulatie. Dat de supercrisis één keer komen zou, werd daarom door velen voorzien. Voorspelbaar was ook dat wanneer de Kladderadatsch zou komen, het woord weer aan de politiek zou zijn. Die zou dan het roer van de economen weer over moeten nemen. Kortom, wie met de meest verfijnde wiskundige methoden de grenzen van de economie wil verkennen (zie het begin van mijn betoog), die valt vroeger of later in de handen van de politiek. Dat heeft eigenlijk wel iets bevredigends. Het was altijd de pretentie van de economie om wetmatigheden te ontdekken die uitgaan boven wat mensen wensen of willen – en daarmee boven de politiek. De realiteit is echter dat de economie zich onvermijdelijk in impasses werkt waar slechts de politiek en de publieke besluitvorming een antwoord op heeft. Zo was het in 1929 en zo is het nu weer. Dat is de les die wij moeten leren uit de krediet crisis. De economie (samengesteld uit ‘oikos’ en ‘nomos’ = wetgeving voor het huis) is een sociale wetenschap waarvan het bereik zich beperkt tot het private domein. Daarbuiten ligt het publieke domein – het domein van onze collectieve besluitvorming en van de politiek. De neoliberaal wil ons ook daar onder curatele stellen van de econoom; de liberaal weet daarentegen dat dit het einde zou betekenen van ons hoogste bezit: nl. van onze politieke vrijheid. De neoliberaal predikt de onderwerping van de politiek aan de economie; de liberaal geeft aan de politiek het primaat boven de politiek. De politieke metafysica van de economie kan alleen door de politiek overwonnen worden.

Het zou mooi zijn als ook de economen zich zelf zouden realiseren dat zij niet de architecten van onze politieke toekomst kunnen en mogen zijn en dat zij daarom voortaan een toontje lager zullen moeten zingen. We moeten het huis van onze toekomst niet op metafysisch drijfzand bouwen. Bovenal, het zou prettig zijn als de economen de gevaarlijke dromerijen van hun wiskundige abstracties in de toekomst zouden verruilen voor harde en concrete feiten buiten het economische systeem zelf en hun modellen daarvan, en waar de beoefenaren van die vroegere, nu zo gesmade discipline van de politieke economie altijd zoveel aandacht voor hadden. Dan krijgen we een beoefening van de macro-economie die eerst werkelijk dienstbaar is aan mens en samenleving. Zouden de economen daartoe bereid zijn, dan heeft de krediet crisis toch nog iets goeds opgeleverd. Maar die nieuwe wijsheid hebben we dan wel duur betaald!


De auteur is hoogleraar Theoretische en Intellectuele Geschiedenis aan de Rijksniversiteit Groningen.



Dit is de tekst die de auteur heeft uitgesproken op de publieke lezing tijdens het internationale colloquium 'In search of a lost liberalism' dat van 11 tot 13 december te Leuven werd georganiseerd naar aanleiding van het emeritaat van prof. André Van de Putte.

Frank Ankersmit

Frank Ankersmit

Links
mailto:andreas@liberales.be
Share |

4 Liberales-sessies over Economie

Om het economisch nieuws beter te begrijpen, organiseert Liberales in januari en februari vier sessies over Economie (te Brussel). De sessies behandelen pensioenen, strategisch gedrag, financieringswet en de financiële crisis. Toegang is 3 euro per sessie. Plaatsen zijn beperkt. Inschrijven via deze link. Meer info onder Activiteiten.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be